CD-recensie

 

© Paul Korenhof, maart 2024

Duval: Les Génies ou Les Caractères de l'Amour

Marie Perbost (Lucile, Zaire, Isménide, Florise), Florie Valiquette (Amour, Zamide, Sylphide), Anna Reinhold (La principale Nymphe, Pircaride), Cecile Achille (L'Africaine, Nymphe), Etienne de Bénazé (Léandre), Paco Garcia (Indien, Sylphe), Guilhelm Worms (Zoroastre, Numapire), Matthieu Walendzik (Zerbin, Adfolphe)
Choeur de l'Opéra Royal
Ensemble Il Caravaggio
Dirigent: Camille Delaforge
Château de Versailles CVS121 (2 cd's)
Opname: Versailles, 6-8 maart 2023

 

In juni 1731 zinderde het in kringen rond de Parijse Opéra van de roddels over een komisch getint schandaaltje. Na een geslaagde repetitie had de directeur van de Opéra enkele medewerkers uitgenodigd voor een etentje, en wel de componist André Campra, in die tijd maître de chapelle van de Opéra, een ballerina en twee zangeressen. Nadat de wijn overvloedig had gestroomd lieten de aanwezige dames zich overhalen de heren enig inzicht te geven in hun fysieke kwaliteiten, maar helaas had men vergeten de luiken naar behoren te sluiten. Het gevolg was dat passanten van deze inspectie konden meegenieten, maar dat anderen die het schouwspel hadden gemist, zich geroepen voelden luid misbaar te maken.

Eén van die twee zangeressen was de toen ongeveer 17 jaar oude mademoiselle Duval (ca 1714-1769) van wie wij verder alleen weten dat zij de oudste was van twee dochters van een danseres en de Italiaanse aartsbisschop Cornelio Bentivoglio. Na deze affaire verliet zij Parijs voor engagementen in onder meer Grenoble en Lyon, maar van 1751-54 zong zij weer bij de Opéra. Daarnaast een begaafd claveciniste had zij in de tussentijd ook enkele composities op haar naam gebracht, waaronder Les Génies ou Les Caractères de l'Amour, dat in 1736 in de Parijse Académie in première was gegaan, waarbij zij zelf aan het clavecimbel op kundige wijze leiding had gegeven aan het continuo.

Les Génies ou Les Caractères de l'Amour is een 'opéra-ballet' zoals we dat vooral kennen van Rameau's één jaar oudere Les Indes galantes: een proloog met drie of vier 'entrées', onafhankelijk van elkaar waar het de plot betreft, maar wel op hetzelfde thema. Bij Les Génies - de ondertitel zegt het al - betreft dat de verschillende verschijningsvormen van de liefde, hier respectievelijk de indiscrete, de ambitieuze, de heftige en de 'speelse' liefde (inclusief partnerruil), dat alles natuurlijk verluchtigd met de nodige dansen.

De titel zelf verwijst naar de vier geniën (de elementen aarde, vuur, water en lucht) die in de proloog van Zoroastre de opdracht krijgen op aarde goede werken te verrichten. De Liefde steekt daar een stokje voor en zegt dat dergelijke opdrachten hem toebehoren, om vervolgens met behulp van vermaak en plezier zijn goede werk te beginnen. Het libretto van Jacques Fleury is wat vlak en fantasieloos met weinig karakterisering van zowel de personages als de situaties, terwijl ook het dramatisch verschil tussen de vier verschillende delen weinig echte contrasten oplevert.

Voor zover we dat kunnen beoordelen, schreef Mademoiselle Duval daar charmante muziek bij die echter wat mat afsteekt bij wat Rameau de Parijzenaars een jaar eerder voorzette. Dat oordeel betreft overigens vooral het karakter en de structuur van de muziek, aangezien de partituur onvolledig tot ons is gekomen, niet alleen horizontaal, met ontbrekende nummers, maar ook verticaal met ontbrekende stemmen (zowel vocaal als instrumentaal). Bovendien is zo weinig andere muziek van dezelfde componiste bekend, dat voor de invulling van de lege plekken regelmatig de muziek van tijdgenoten als voorbeeld moest worden genomen.

Is Les Génies dus muzikaal al minder verrassend dan de onlangs door mij besproken opname van Céphale et Procris van Élisabeth Jacquet (klik hier), voor de uitvoering geldt dat eveneens. Werd de opera van Jacquet door Reinoud van Mechelen gedirigeerd met groot gevoel voor drama en tekstexpressie, in de uitvoering van Les Génies met het Ensemble Il Caravaggio onder leiding van Camille Delaforge is daarvan minder te merken. Wel staan de stemmen in de opname vóór het instrumentale ensemble (iets te sterk zelfs naar mijn smaak), maar het lijkt of dictie en frasering helemaal afhankelijk zijn van de individuele inbreng van de solisten.

Bij de dames pakt zo'n afstandelijke aanpak redelijk goed uit, vooral bij de sopraan Marie Perbost die in alle vier de entrées een centrale rol vervult, maar bij de heren gaat het op en neer. Daarbij raakte ik zeker geïnteresseerd in de vertolkingen van de Pools-Franse bariton Matthieu Walendzik, en dan vooral in diens Adolphe in de derde entrée, maar de Léandre van de tenor Etienne de Bénazé in de eerste entrée klinkt te rechttoe rechtaan om enige sfeer op te roepen. Al met al een uitgave die vooral cultuurhistorisch interessant is, maar waarvoor ik niet echt warm kan lopen. Op de presentatie is overigens niets aan te merken. Integendeel!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links