CD-recensie

 

© Paul Korenhof, maart 2024

Jacquet de La Guerre: Céphale et Procris

Reinoud Van Mechelen (Céphale, Nerée), Ema Nikolovska (L'Aurore), Déborah Cachet (Procris), Lore Binon (Flore, Dorine), Gwendoline Blondeel (Iphis, La Prêtresse, Nymphe), Marc Mouillon (La Jalousie, Un Dieu de la mer, Un Thrace), Lisandro Abadie (Borée, Pan), Samuel Namotte (Arcas), Wei-Lian Huang (Nymphe, Athénienne, Une suivante de la Volupté), Pauline De Lannoy (Athénienne, Une Bergère), Gert-Jan Verbueken (Un Prêtre, La Rage), Laurent Bordeaux (Le Roi, Le Désespoir)
Choeur de Chambre de Namur
a nocte temporis
Dirigent: Reinoud van Mechelen
Château de Versailles CVS119 (2 cd's)
Opname: Namen, 17-23 jan. 2023

 

De Franse componiste Élisabeth Claude Jacquet de La Guerre werd half maart 1665 geboren als kind in een muzikaal gezin. Haar vader Claude Jacquet was organist van de kerk in het Parijse Île Saint-Louis, haar broers Nicolas en Pierre werden eveneens organist, de eerste als opvolger van zijn vader, de tweede in Bordeaux, en haar zuster Anne werd een van de musici, vermoedelijk claveciniste, in dienst van Mademoiselle de Guise en daarmee een collega van Marc-Antoine Charpentier. Élisabeth, de begaafdste van de vier kinderen, werd al vroeg geïntroduceerd aan het hof van Louis XIV die zij tot diens dood als beschermheer bleef beschouwen.

In 1684 trouwde zij met Marin de La Guerre, organist van Saint-Louis, Saint-Séverin en de Sainte-Chapelle waardoor zij werd opgenomen in de muzikale elite van Parijs. Als componiste maakte zij in die jaren vooral naam met haar Premier livre de clavecin, maar we weten dat zij ook al vroeg enkele kleine muziekdrama's schreef voor het Parijs hof, waarvan helaas alleen een enkel libretto bewaard is gebleven. Haar enige 'grote' opera, de tragédie lyrique Céphale et Procris, ging op 15 maart 1694 in première in het theater van het Palais Royal, maar werd reeds na enkele voorstellingen van het repertoire genomen, mogelijk ook omdat de tijd nog niet rijp was voor 'grote' composities van de hand van een vrouw.

Een feit is echter eveneens dat zo kort na de dood van Lully (1687) een deel van de Parijse muziekwereld nog steeds afwijzend stond tegenover muziek die niet van zijn hand was. Uit de opdracht van de partituur van Céphale et Procris aan Louis XIV zou men echter ook kunnen afleiden dat de jonge componiste zich enigszins gediscrimineerd voelde. Minstens zo aannemelijk is echter dat ook het libretto van Joseph-François Duché de Vancy, diens eerste belangrijke theatertekst, tot het geringe succes heeft bijgedragen. In ieder geval heeft Élisabeth Jacquet zich daarna niet meer aan een theaterwerk gewaagd, en gezien de muzikale kwaliteiten van haar enige tragédie lyrique valt dat alleszins te betreuren.

Hoewel al snel na de dood van Lully diverse componisten nieuwe wegen bewandelden, blijkt Céphale et Procris nog geheel opgezet in de stijl van de componist die zo'n sterk stempel op het Franse muziekleven had gedrukt. Op een proloog waarin diverse mythologische figuren die los staan van de hoofdhandeling, hulde brengen aan de Zonnekoning, volgen de traditionele vijf bedrijven waarin vocale onderdelen van het drama worden afgewisseld met divertissements die vrijwel altijd buiten de handeling staan. Het drama zelf speelt zich daarbij af in een lange reeks korte recitativisch opgebouwde scènes, afgewisseld met eveneens korte koren en vocale 'airs'.

De kern van het libretto, ontleend aan het zevende boek van Ovidius' Metamorphosen, is de door misverstanden en goddelijke intriges tragisch verlopen geschiedenis van het liefdespaar Cephalus en Procris. Duché de Vancy combineerde dat met een ander verhaal uit hetzelfde boek, namelijk de fascinatie van de windgod Boreas voor Procris' zuster Oreithuia; door beide zusters tot één persoon samen te voegen, introduceerde hij Boreas hier als actief personages in het verhaal rond Procris. Theatraal op zich een goede vondst, maar op het punt van motivatie en karakterisering schiet het resultaat enigszins tekort, terwijl ook de goddelijke ingrepen dramatisch onvoldoende ondersteund worden.

Dat alles neemt niet weg dat Jacquet in een waardige navolging van tragédie lyrique 'à la Lully' daarvan een muzikaal levendig gebeuren heeft gemaakt met fraaie, goed zingbare zangpartijen en levendige divertissements. Een punt van twijfel aangaande het dramatisch gevoel van de jonge componiste voelde ik echter wel op momenten waarop klemtonen en accentuering van de gezongen teksten ondergeschikt waren gemaakt aan de dansante muziek van dat moment. Een ridicule Beckmesser wordt Jacquet daar zeker niet, maar in een Franse muziekdrama dat sterker gericht is op de voordracht van de tekst dan de gemiddelde niet-Franse opera, valt het wel op.

Al met al is Céphale et Procris een interessant voorbeeld van Frans muziektheater in de schaduw van Lully. Daarbij is het altijd weer leuk om te merken dat in de periode tussen de middeleeuwen en de Franse Revolutie vrouwen in Frankrijk wel degelijk al flink emancipatorisch bezig konden zijn. Daarmee vergeleken waren bij ons Maria Tesselschade en Anna Roemer(sdochter) Visscher roependen in een dorre woestijn!

De motor achter deze herontdekking is de steeds prominenter opererende Belgische haut-contre Reinoud Van Mechelen, die daarmee in de voetsporen van René Jacobs lijkt te treden. Met het door hem in 2016 opgerichte ensemble 'a nocte temporis' geeft hij de muziek van Jacquet een elegante, sfeerrijke en klanktechnisch uitmuntend verklanking, en als Céphale staat hij daarnaast aan het hoofd van een fraai en met stijl opererend vocaal ensemble. Daarin vinden we naast zijn landgenote Déborah Cachet als een charmante Procris, de mezzosopraan Ema Nikolovska als een fraaie Aurora en de slank getimbreerde basbariton Lisandro Abadie als een leuk drammerige Borée een keur aan solisten die zich stuk voor stuk merkbaar thuis voelen in de authentieke benadering van deze muziek.

De authenticiteit strekt zich in dit geval ook uit tot het taalgebruik, waarbij de lettercombinatie -oi- in woorden als roi, moi, pourquoi en devoir niet postrevolutionair als - wah- wordt uitgesproken, maar prerevolutionair als een diftong tussen -oè- en -oé-. Verder is ook deze uitgave van Château de Versailles met een fraai geïllustreerd drietalig cd-boekje weer fraai verzorgd, maar op één punt na. Toen ik bij het lezen van de overigens uitmuntende toelichting van Catherine Cessac voor een mij onbekende term een blik sloeg op de Engelse vertaling, constateerde ik daarin enkele merkwaardige haperingen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links