CD-recensie

Superieure zang redt belcanto-opera

 

© Paul Korenhof, januari 2015

 

Donizetti: Lucia di Lammermoor

Diana Damrau (Lucia di Lammermoor), Joseph Calleja (Edgardo di Ravenswood), Ludovic Tézier (Enrico Ashton), Nicolas Testé (Raimondo Bidebent), David Lee (Lord Arturo Bucklaw), Marie McLaughlin (Alisa), Andrew Lepris Meyer (Normanno), Sascha Reckert (glasharmonica), Münchner Opernchor, Münchner Opernorchester
Dirigent: Jesús López-Cobos

Erato 0825646219018 (2 cd's)

Live-opname: München, juli 2013

   

Sinds de dagen van Callas, Sutherland, Moffo en Sills zijn er weinig nieuwe opnamen van Lucia di Lammermoor verschenen die echt fascineerden vanwege de titelrol. Er waren wel zangeressen die deze goed tot zeer goed konden zingen en die ook voor een aangrijpende voorstelling konden zorgen, maar op de cd hadden zij toch niet het vocale overwicht dat je het gevoel gaf dat de opera helemaal om hen draaide. Zonder beeld erbij komt het helemaal aan op stemklank, belcantotechniek, stijlgevoel, vocale interpretatie en bovenal vocale persoonlijkheid. Die combinatie is tegenwoordig bij weinig zangeressen te vinden, althans niet op een niveau dat een cd-uitgave rechtvaardigt. De interessantste Lucia uit de eerste jaren van deze eeuw betrof een registratie van de Franse versie uit 2002 met Natalie Dessay en als we voorbijgaan aan een minder geslaagde opname met dezelfde zangeres onder Gergjev, is de meest recente Italiaanse versie zelfs alweer twintig jaar oud.

Met spanning heb ik dus uitgezien naar deze opname met Diana Damrau, een zangeres die alles in zich heeft voor een belangwekkende vertolking en die deze opname maakte tijdens een serie concerten in München in juli 2013. Opmerkelijk was een interview van de WDR naar aanleiding daarvan. Damrau ging daarbij uitvoerig in op haar ervaringen met moderne regisseurs, op de mate waarin zij het wel of niet met hen eens was en ook op het feit dat zij hun wensen soms zelfs pertinent weigerde uit te voeren. In dit geval betoonde de zangeres zich gelukkig dat zij haar Lucia concertant had kunnen vastleggen, helemaal volgens haar eigen opvattingen en zonder dat er een regisseur aan te pas kwam. Over dirigenten werd echter nauwelijks gesproken en dat verbaasde mij: in een gesprek over een belcanto-opera wordt de dirigent doodgezwegen.

Marchesi-cadens
Natuurlijk is Diana Damrau niet verantwoordelijk voor de vragen van haar interviewer noch voor de montage van haar antwoorden. Misschien heeft zij wel degelijk over de dirigent gesproken of willen spreken, maar een feit is dat de uitvoering niet klinkt alsof er door een autoriteit gestreefd is naar stilistische en muziekdramatische eenheid. Een specialist aangaande Lucia di Lammermoor is Jesús López-Cobos zeker, dat toonde hij in 1976 al in een opname met Montserrat Caballé waarbij hij voor het eerst sinds de tijd van de componist de 'originele partituur' hoorbaar maakte. Die versie dirigeert hij nu weer - maar dit keer met de bekende 'Marchesi-cadens' in de waanzinscène - en ik ben wederom niet overtuigd. Het klinkt allemaal keurig volgens het boekje, maar ik hoor toch liever meer spontaneïteit, zowel in de tempi en de frasering als in de zanglijnen, met sommige hoge(re) tonen als krenten in de pap, maar hier heb ik een beetje het gevoel dat de pap van zijn krenten beroofd is.
Een bijkomend probleem is dat López-Cobos geen 'stemmensmid' is. Bij een belcanto-opera staan de zangers centraal, individueel maar ook als ensemble en voor dat laatste is nodig dat allen op dezelfde golflengte zitten. De Callas-opnamen, de Ricordi-opname met Scotto, de Decca-opnamen met Sutherland, de Moffo-opname onder Prêtre en de Sills-opname onder Schippers waren onderling soms totaal verschillend, maar zij muntten wel uit door zowel de individuele prestaties als de samenzang. Di eenheid ontbreekt hier regelmatig en zelfs wijst López-Cobos Calleja en Damrau er niet op dat hun uitspraak wezenlijk verschilt. Waar Damrau het zoekt in vaak lichtelijk romantisch-gesluierde klinkers, horen we bij Calleja heel open, heldere klanken met bijvoorbeeld een -e- in 'rinserra' die bijna on-Italiaans overkomt. Een goede operadirigent had daaraan moeten werken, in ieder geval op momenten van samenzang..

Inzetten
Een ander punt is de grote hoeveelheid net niet gelijke inzetten. Calleja heeft de neiging heeft in samenzang net een fractie te laat te komen (heel duidelijk in zijn samezang met Tézier in het sextet), terwijl hij op solistische momenten meer dan eens op de muziek anticipeert. In zijn samenzang met Damrau in het liefdesduet valt het niet zo op, maar dat heeft een bijzondere reden: Damrau heeft daar de neiging (bijvoorbeeld in de gezamenlijke herhaling van 'Verrano a te') om de eerste lettergreep nauwelijks (of niet?) te zingen waardoor zij in staat is bij de tweede lettergreep exact gelijk te zijn met Calleja. Met haar inzicht en haar muzikaliteit redt zij de steken die de dirigent laat vallen, maar dit had natuurlijk niet mogen gebeuren!
Aan de andere kant blijkt Damrau in samenzang regelmatig de langste adem te hebben en weer begrijp ik niet dat de dirigent dit doorlaat, maar evenmin dat de opnameleider dit 'cd-waardig' acht. Dat het budget tegenwoordig niet toereikend is om alles tien keer over te doen, kan ik mij nog voorstellen, en ook dat het een enkele keer gebeurt bij een eenmalige live-opname, maar het blijft vreemd dat een dirigent gedurende drie concerten plus een correctiesessie er niet in slaagt dit goed te krijgen. Het gaat trouwens niet alleen om 'gelijk beginnen' en 'gelijk eindigen' (niet onbelangrijk lijkt mij), maar de zangers van nu zijn kennelijk ook niet meer gewend naar elkaar te luisteren en de stemmen naar elkaar toe kleuren.

Tot verdediging van de zangers moet gezegd worden dat de omstandigheden bij de opnamen niet ideaal waren. Op een foto in het cd-boekje zien wij Damrau voorop het toneel staan, half met haar rug naar de dirigent en uit een filmpje op YouTube blijkt dat ook de andere solisten zo waren opgesteld. Dat verklaart veel van de ongelijkheden! Ofwel de solisten hadden geen direct zicht op de dirigent en moesten regelmatig op hun gevoel of hun gehoor afgaan, ofwel zij zagen de dirigent op een monitor en dus altijd een fractie te laat, wat zij eveneens op basis van hun gehoor moesten compenseren.

Tour-de-force
Ondertussen is de titelrol van Damrau wel een vertolking die al onze aandacht waard is, al kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat iets meer 'sturing' op haar plaats was geweest, maar dan van een dirigent en niet van een regisseur! Zij laat hier een technisch indrukwekkende, dramatisch gekleurde Lucia horen met alle hoge noten, coloraturen en andere versieringen op hun plaats, prima afgewerkt (afgezien dan van de hierboven gesignaleerde details). Haar fonteinscène heeft iets dromerigs maar ook iets wat suggereert dat Lucia niet helemaal met beide benen op de grond staat, haar duetten met Edgardo en Enrico zijn geladen met een veelheid aan emoties en in de scène met het sextet slaat de wanhoop toe. De waanzinscène, prachtig begeleid door Sascha Reckert op de glasharmonica, wordt daarna een aangrijpende tour-de-force waarbij de vocale hoogstandjes altijd in dienst staan van de emoties.
Puur technisch schaart Damrau zich onder de grote Lucia-vertolksters, al zit zij stilistisch soms niet helemaal op het goede spoor. In het WDR-interview vertelde zij dat zij bij haar interpretatie helemaal haar eigen gevoel en haar eigen opvattingen had gevolgd, maar dat leidt net iets te veel tot 'hoorbare interpretatie'. Essentieel bij bel canto is dat de interpretatie volledig steunt op kleuring en frasering, maar ook op het aanwenden van de versieringen voor emotionele doeleinden. Met de stem 'acteren', zoals dat past bij veristische opera's en zoals Cecilia Bartoli dat tot in het ridicule deed in haar opname van Norma (klik hier), is uit den boze, maar in haar streven naar 'expressief zingen' - en zonder sturende hand van een dirigent - ontkomt Damrau daaraan niet helemaal.

Heel fraai van klank de tenor Joseph Calleja, die Edgardo misschien iets onstuimiger maakt dan we gewend zijn zonder overigens de lyriek uit het oog te verliezen. Het lijkt alleen of zijn zang steeds extraverter wordt, alsof hij streeft naar meer expressie door een meer accentuering en door het suggereren van meer aandacht voor de tekst door het benadrukken van de medeklinkers. Een bijkomende factor is dat de door hem nagestreefde helderheid van zijn timbre zijn natuurlijk vibrato prominenter wordt, waardoor de sfeer van zijn zang nog minder 'romantisch' overkomt.

Italianità
De Franse bariton Ludovic Tézier blijkt uitgegroeid tot een meester op het punt van legato en portamento. Zijn vertolking vol stilistische 'italianità' maakt hem tot de absolute uitblinker, terwijl zijn portrettering van Enrico nog meer kleuren en finesses heeft gekregen dan in de opname van de Franse versie met Dessay. De eveneens Franse bas Nicolas Testé, de echtgenoot van Damrau, draagt een goed zingende maar wat kleurloze Raimondo bij en bij de kleinere rollen horen we raak getypeerde vertolkingen van Normanno en Arturo door de tenoren Andrew Lepri Meyer en David Lee.
Ondanks de live-opnamen zij producer en technici erin geslaagd het publiek vrijwel geheel uit het geluidsbeeld te elimineren. Hoeveel plak- en knipwerk daaraan te pas gekomen is, zullen we ons maar niet afvragen, maar hoorbaar is wel dat hier heel direct is opgenomen met waarschijnlijk een groot aantal microfoons. Daardoor ontbreekt toch iets van de suggestie van theatersfeer die we terugvinden in oudere opnamen en die ook een deel vormt van de aantrekkingskracht van veel moderne live-opnamen, terwijl de stemmen bij samenhang duidelijk 'naast elkaar' blijven staan en niet tot een klankeenheid versmelten. De twee cd's worden geleverd zonder libretto en ook voor biografieën was geen plaats.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links