LP-recensie

100 jaar Maria Callas (3)

 

© Paul Korenhof, december 2023

Bellini: Norma

Maria Callas (Norma), Christa Ludwig (Adalgisa), Franco Corelli (Pollione), Nicola Zaccaria (Oroveso), Piero De Palma (Flavio), Edda Vincenzi (Clotilde)
Teatro alla Scala
Dirigent: Tullio Serafin
Warner Classics 505419760344633 (4 lp's)
Opname: Milaan, 5-12 september 1960

 

De met veel publiciteit omgeven opname van Carmen met Maria Callas uit 1964 werd in alle advertenties en ook in veel recensies onthaald met de slogan 'Callas is Carmen'. Dat is bij mij nooit aangekomen. Callas was een van de grootste vocalisten van de vorige eeuw, daarbij meer een vertolkster dan een zangeres (voor perfecte zang zijn we bij haar aan het verkeerde adres), maar een Carmen is zij voor mij nooit geweest. Ik miste daarvoor het lichtvoetige, 'Franse' naturel van Solange Michel, Victoria de los Angeles, Jane Rhodes, Teresa Berganza en diverse anderen. Callas' Carmen is meer een femme fatale, een verleidster, en daarmee deed zij voor mij zowel het personage als de opera van Bizet geen recht.

Ook bij de verpersoonlijking van Callas met Tosca plaats ik vraagtekens. Haar vertolking behoort tot de muziektheatrale hoogtepunten van de vorige eeuw en haar opname onder Victor De Sabata is een van de grote opnamen aller tijden, maar Tosca blijft een tweedimensionale mix van jaloezie en blinde verliefdheid, zonder diepte en met een gebrek aan echt karakter, waarin zelfs Callas niet kon geloven. Bekend is haar uitspraak dat zij, nadat zij de rol talloze malen gezongen had, nog steeds niet wist wie Tosca eigenlijk was.

Anders staat het met Violetta in La traviata. Dat was misschien wel Callas' beste rol, zeker in de productie van Luchino Visconti aan de Scala onder leiding van Carlo Maria Giulini (die deze opera nooit meer met aan andere zangeres heeft willen doen). Zelfs de foto's van die productie stralen een sfeer en een emotionaliteit uit waaraan eigenlijk niets meer valt toe te voegen. Ontzettend jammer blijft dat in de jaren vijftig de weinig ideale Cetra-opname een EMI-opname in de weg stond, en dat de later geplande opname met Giulini nooit van de grond is gekomen. Wat we daardoor missen, wordt duidelijk uit de live-opnamen uit de Scala met respectievelijk Giuseppe di Stefano en Gianni Raimondi, de live-opname uit Londen met Cesare Valletti en de ook door EMI uitgebrachte opname uit Lissabon met een nog heel jonge Alfredo Kraus.

Callas is Norma
De belangrijkste rol in het repertoire van Callas was echter de titelrol in Norma die zij met 84 voorstellingen ook het meeste gezongen heeft. De hogepriesteres die verscheurd wordt door liefde en jaloezie, die haar liefde voor haar kinderen moet combineren met woede jegens hun vader, die ontdekt dat haar beste vriendin haar rivale is, en die uiteindelijk zichzelf opoffert om anderen te beschermen, was haar als karakter op het lijf geschreven. Daarnaast is het een sleutelrol in de door haar in gang gezette renaissance van het 19de-eeuwse bel canto als muziekdrama. Wie ooit tijdens Norma's eerste scène met Adalgisa Callas' 'Oh, rimembranza!' goed op zijn trommelvlies heeft gekregen, vergeet dat nooit meer en zal zelfs geneigd zijn alle andere vertolksters daaraan af te meten.

Als er één rol is waarvan we kunnen zeggen 'Callas is .', dan is het Norma, en met twee studio-opnamen en een stuk of zeven live-opnamen is haar vertolking ook goed gedocumenteerd. Al die opnamen zijn bovendien dermate interessant dat zij voor een vergelijking in aanmerking komen. Dat voorkeuren verschillen is logisch, maar over het belangrijkste punt bestaat wel een zekere consensus: in de vroegere vertolkingen is zij vocaal beter op dreef met onder meer een vrijere hoogte en een zelfverzekerder pianissimo, terwijl de latere opnamen duidelijk een gegroeide, psychologisch diepere interpretatie laten horen.

Dat laatste geldt zeker ook voor de beide studio-opnamen, beide met het Scala-ensemble onder leiding van haar mentor Tullio Serafin, waarvan de eerste uit 1954 al snel na verschijning een legendarische status had verworven. Dat zes jaar later een tweede versie volgde, danken we vooral aan de commerciële behoefte aan een stereo-opname. Van een leien dakje en zo ontspannen als de eerste keer ging het in 1960 echter niet, al had dat niets te maken met het feit dat de diva 'moeilijk deed', zoals sommige media indertijd - al bij voorbaat - wisten te melden.

Een ander mens
De problemen in 1960 waren niet het gevolg van een lastig karakter van de zangeres, maar simpelweg van het feit dat zij inmiddels een ander mens was geworden. Was zij in 1954 een toegewijde artieste die onder de vaderlijke vleugels van haar eerste echtgenoot helemaal leefde voor haar zang, in 1960 had zij, mede door haar stormachtige affaire met Onassis, het volle leven leren kennen en genoot daar ook van. Zij zong niet alleen minder, maar nam zich ook minder in acht en gevoegd bij het feit dat haar stem na twaalf jaar intensief gebruik niet meer het instrument was van zes jaar daarvoor, betekende dit bij voorbaat al minder soepel verlopende opnamesessies.

We zullen nooit precies weten wat de rol van Tullio Serafin bij dit alles geweest is, maar dat het uiteindelijke resultaat desondanks magistraal genoemd kan worden, is zeker in hoge mate aan hem te danken. Niet alleen was hij een van de grote dirigenten van de vorige eeuw, maar als coach van was hij een van de allergrootsten, verantwoordelijk voor niet alleen de op bel canto gebaseerde vertolkingen van Callas, maar ook voor die van haar voorgangster, de vocaal superieure Rosa Ponselle.

Een vergelijking tussen beider Norma's is echter lastig omdat we van Ponselle's vertolking alleen losse fragmenten hebben, bovendien opgenomen zonder Serafin. Aan haar vocale overwicht valt echter niet te tornen, hoewel Callas' opname uit 1954 er dicht bij in de buurt komt. Dat alles geeft die uit 1960 een speciale status en afgezien van Callas' eigen live-opnamen (waaronder een in alle opzichten uitzonderlijke RAI-opname uit 1955) komt misschien alleen een live-opname met Caballé uit Orange er een beetje bij in de buurt.

Ook hier valt een vergelijking uit in het voordeel van Callas. Vocaal wint Caballé, zonder meer, en als vertolkster heb ik de Spaanse sopraan ook zelden zo bezield gehoord, maar zoals Kerman reeds zei: opera is drama. Het draait niet om de noten maar om de combinatie van tekst en muziek, en op dat punt steekt Callas opname uit 1960 met kop en schouders boven alle andere uit. Iedere noot is doortrokken van de emotie die op dat moment in de tekst besloten ligt, en daarom zou Callas ook niet meer in deze tijd passen.

Voor Callas gold maar één verhaal, dat van de partituur, en de door haar vertolkte emoties zijn uitsluitend de emoties die in tekst en muziek besloten liggen. De al even geniale Luchino Visconti, die speciaal voor Callas diverse grote Scala-producties gerealiseerd heeft, begreep dat ten volle en stelde zich ook helemaal in haar dienst, maar ik ben bang dat veel regisseurs van dit moment soms te zeer met zichzelf bezig zijn om een opera te ensceneren op een manier die echte grote vertolkers tot hun recht laat komen.

Vier lp's
De overige solisten in deze opname bieden ondersteuning op hoog muzikaal niveau maar niet altijd met de persoonlijkheid die we horen bij hun collegae uit 1954. Een verrassing was indertijd de Adalgisa van Christa Ludwig, maar nog afgezien van het feit dat zij op zich al een uitzonderlijke zangeres was, mogen we nooit vergeten dat zij in Wenen het hele repertoire zong. Bovendien excelleerde zij in Mozart en de sterk tekstgerichte liedkunst. en juist die elementen tilden haar Adalgisa op een onverwacht hoog plan, ook als haar frasering niet helemaal idiomatisch is. Corelli's Pollione had iets subtieler gekund, maar staat vocaal als een huis en Nicola Zaccaria is een goede Oroveso, zij het zonder de individualiteit van zijn voorganger Nicola Rossi-Lemeni.

Het verschil in klank met de altijd door mij gekoesterde eerste lp-versie (SAX 2412-2416) is evident. Werd de eerdere versie al gekenmerkt door een mooie definiëring en grote helderheid, hier zijn beide nog iets sterker, terwijl de orkestklank duidelijk ronder is en de stemmen net iets meer 'body' hebben. Daarnaast is het verschil met de meest recente cd-versie (24bit, 96khz) iets duidelijker waarneembaar dan bij de oudere, nog mono opgenomen Turandot (klik hier). Ook hier klinken de 180grams lp's 'ronder' terwijl de cd's daarentegen de nog hoorbare hoogste frequenties beter doorgeven. Maar als het gaat om theatersfeer (en daarom gaat het inderdaad bij een opera!) heeft de lp dus zonder meer mijn voorkeur.

De uitgave, evenals die van Turandot in een fraaie doos met een geïllustreerd tekstboek, werd ook technisch met alle zorg omgeven. Om mogelijke groefvervorming aan het einde van plaatkanten tot het absolute minimum te beperken, werd daarbij besloten de uitvoering van 161'30" minuten over vier platen te verdelen. Ik plaats echter een vraagteken bij de beslissing om in dat kader de anderhalve minuut (1'38") durende cabaletta van Pollione op de tweede plaatkant vóór de opkomst van Norma te plaatsen. Als dat al noodzakelijk werd gevonden, wat ik betwijfel, valt het (technische) voordeel hier weg bij het (dramatische) nadeel!

Klik hier voor de vorige aflevering.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links