CD-recensie

 

© Niek Nelissen, februari 2017

 

Mahler : Symfonie nr. 3 in d

Gerhild Romberger (mezzosopraan), Augsburger Domsingknaben, Frauenchor des Bayerischen Rundfunks, Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks o.l.v. Bernard Haitink

BR Klassik 900149 • 1.41' • (2 cd's)

Live-opname: 15-17 juni 2016, Philharmonie am Gasteig, München

   

In de zomer van 2016 dirigeerde Bernard Haitink twee verschillende uitvoeringen van Mahlers Derde symfonie. In München keerde hij terug bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks voor een generale repetitie en twee uitvoeringen, respectievelijk op 15, 16 en 17 juni. De vocale bijdragen werden verzorgd door Gerhild Romberger, een knapenkoor uit Augsburg en het vrouwenkoor van de Beierse Omroep. Twee dagen later volgde een herhaling in Keulen met dezelfde musici, afgezien van het knapenkoor, waarvoor in de Keulse Philharmonie het Kölner Domchor aantrad. Amper zes weken later studeerde Haitink Mahlers Derde opnieuw in, ditmaal met het LSO voor één concert op 29 juli in de Proms. Het Proms-concert had een feestelijk tintje, omdat gevierd werd dat Haitink een halve eeuw eerder zijn debuut had gemaakt in de Proms. Ik zag kans om zowel de uitvoering in Keulen als die in Londen bij te wonen. Het waren beide gedenkwaardige avonden – ook het LSO liet zich van zijn beste kant horen – maar mijn voorkeur ging toch uit naar de uitvoering met het orkest uit München die ik spannender vond. Het is goed dat deze nu is uitgebracht door BR, het label dat in de afgelopen jaren al een enkele van Haitinks beste live-opnamen op cd zette. Na de avond in Keulen hoopte ik al dat de opname de cd zou halen. Er waren in Keulen een paar schoonheidsfoutjes bij het koper – wat bijna onvermijdelijk is bij een dergelijk groot en zwaar werk – en ik hoorde dat die er ook tijdens de beide concerten in München waren geweest. Daar is hier niets van te merken. De technici van BR hebben, zoals gebruikelijk, een gave opname afgeleverd. Afgezien van een paar kuchjes in de finale is weinig van het live-karakter te merken.

De acht hoorns zetten met hun energiek geblazen unisono-openingsfanfare al meteen de toon. Het eerste deel wordt met veel levendigheid neergezet, van het diepe clair-obscur aan het begin tot en met de uiterst vitaal en slagvaardig gespeelde marsritmen. Haitink tekent dit alles fraai uit en neemt er de tijd voor. De expressieve kant van de muziek krijgt steeds het volle pond, maar hij verliest zich nergens in details en overdrijft nooit. Wanneer de celli en contrabassen hun gezamenlijke recitatief inzetten (cijfer 43 in de Dover-uitgave) schrijft Mahler ‘Etwas wuchtiger'. Soms klinkt deze passage te zwaar, maar Haitink overkomt dit niet en de waarschuwing die Mahler eraan toevoegt (‘Nicht eilen') heeft hij niet nodig. Ook elders valt op dat de klank niet zwaar wordt, altijd helder is en in balans blijft, wat goed wordt overgebracht door de fraaie opname. De ruimtelijke effecten zijn goed afgewogen: de kleine troms in het eerste deel en de Flügelhorn in het derde. Wat een prachtig spel overigens van de Münchenaren. De eerste trombonist blaast zijn grote solo uiterst trefzeker en met een machtig geluid. En ook de vele andere soli klinken uiterst verzorgd. De klank van de eerste hoboïst, om er nog maar één te noemen, is een genot voor het oor.

De vocale bijdragen zijn van vergelijkbaar hoog niveau. Gerhild Romberger maakte eerder indruk in deze symfonie met het Gewandhausorchester onder Riccardo Chailly en doet dat nu opnieuw bij diens voorganger bij het Concertgebouworkest. De solopartij krijgt van haar een doorleefde klank en intense tekstbeleving. Nietzsches woorden klinken zonder al te scherpe ‘sch' en ‘ch'-klanken, terwijl de tekst toch goed te volgen blijft. De vrouwenstemmen van het koor van de Bayerische Rundfunk – dertig dames volgens mijn Keulse programmaboekje – zingen hun naïeve Wunderhorn-tekst met veel élan en de knapen uit Augsburg vullen hun enthousiast en zuiver aan.

De ster van de uitvoering – een term waarvan hij zelf zal gruwen – is echter Bernard Haitink. Hij toont zich opnieuw een meester in het doseren van klank en spanning en in het opbouwen van grote lijnen. Er zijn dirigenten die in dit werk na tien minuten al hun kruit hebben verschoten, maar daar hoort Haitink beslist niet bij. Tegen het einde ervaar je de uitvoering als één voorbereiding van het laatste deel. Overigens meen ik me uit Keulen te herinneren dat Haitink – zoals Mahler ook voorschrijft – het laatste deel naadloos liet aansluiten op het vijfde. Als mijn herinnering juist is, zijn de paar seconden onderbreking dus bij de montage ingelast. Ook het laatste deel is schitterend opgebouwd, met mooie overgangen en eb- en vloedbewegingen. Heel geslaagd is de spannende overgang vanaf ‘Sehr langsam' (cijfer 26 in de Dover-uitgave), volgend op het steeds verder gas terugnemen bij ‘Etwas zurückhaltend' en het ‘Sehr zurückhaltend'. Prachtig, zoals de muziek even lijkt stil te staan bij de lage pizzicati van de contrabassen en celli en de inzet van het ‘Sehr langsam', vanwaar het één vrijwel onderbroken weg omhoog is naar de verpletterende climax aan het einde. Onwillekeurig moest ik terugdenken aan Haitinks relativering van een van zijn vroege successen met Mahlers Derde: ‘Je moet wel een ijskonijn zijn om daarvan niet onder de indruk te komen.'

Dit is de zevende opname van Mahlers Derde symfonie in Haitinks discografie, die kwantitatief maar ook kwalitatief goed is vertegenwoordigd. Het begon met de Philips-opname uit 1966, zeker voor zo'n nog betrekkelijk jonge dirigent een grote prestatie. Deze stond aan het begin van Haitinks eigen zoektocht door Mahlers oeuvre, maar ook aan het begin van de Mahler-revival in de jaren zestig. Dat ook Haitink hierin pionierswerk verrichtte blijkt wel uit het feit dit pas de derde of vierde studio-opname van deze symfonie was. Een kwart eeuw later volgde een tweede studio-opname en de videoregistratie van een live-uitvoering met de Berliner Philharmoniker. De onvoltooid gebleven Berlijnse cyclus liet een wat zwaardere en hier en daar ook langzamere Mahler horen. Behalve de videoregistratie uit Berlijn waren er nog twee bijzondere live-opnamen: de Kerstmatinee van 1983 met het Concertgebouworkest en het Mahler Feest van 1995. De Kerstmatinees hebben een speciale plaats in Haitinks Mahler-discografie. Ook die met de Derde symfonie was zeer geslaagd. De live-uitvoering in het Mahler Feest van 1995 met de Wiener Philharmoniker was daarin een hoogtepunt, waar ook de altijd zelfkritische Haitink met voldoening op terugkeek. En tenslotte is er – misschien niet de meest geïnspireerde van de zeven – de opname met het Chicago Symphony Orchestra uit 2006 (CSO-Resound; klik hier voor de recensie van Maarten Brandt).

Met dit alles in de kast dringt de vraag zich op of de opname uit München iets toevoegt en zo ja, wat? De grootste waarde van deze opname is dat zij karakteristiek is voor de ontwikkeling in Haitinks musiceren in de afgelopen tien jaar. Net als in enkele andere recente uitgaven van BR en van LSO Live, is er een vrijheid in zijn musiceren te horen die zijn werk in de laatste jaren kenmerkt. Het is een musiceren waarin alle overbodige details zijn weggelaten en dat zich richt op een ronde klank en grote, vloeiende lijnen. De maatstreep is ondergeschikt geworden aan het natuurlijke verloop van de muziek. Een voorbeeld ter illustratie: de inzet van het tweede deel klinkt in de eerste Philips-opname – inmiddels een halve eeuw oud! – nog wat afgemeten. In de volgende opnamen hoor je het verloop vrijer worden, met deze nieuwe opname als voorlopig resultaat. Mede door dezelfde vrije geest van musiceren krijgt het derde deel een onweerstaanbare humor en spontaneïteit. Hier en elders ervaar je dat Haitink bij het repeteren wel duidelijk aanstuurt op het eindresultaat, maar dat weet te bereiken zonder het musiceerplezier van de orkestmusici te bederven. Een leven lang musiceren heeft hem gebracht tot de essentie van zijn vak. En dat levert een bijzondere luisterervaring op.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links