CD-recensie

 

© Maarten Brandt, oktober 2009

 

 

Mahler: Symfonie nr. 7 in e.

Tonhalle Orchester Zürich o.l.v. David Zinman.

RCA 88697 50650 2 • 78' • (sacd)

 

 

 

 


Zoals ik in mijn recensie van de Zevende van Mahler door de Berlijnse Staatskapelle onder leiding van Daniel Barenboim al met zoveel woorden schreef (klik hier) is dit werk door zijn heterogeniteit in stemmingen en weerbarstige inhoud wellicht wel het extreemste werk van Mahler. Je moet dus als dirigent enorm veel in je mars hebben om aan al die facetten recht te doen, om niet te zeggen dat dit bijna onmogelijk is. Maar Barenboim behoort, naast Haitink tijdens de Kerstmatinee en Segerstam op een zeldzaam mooi klinkende Chandos-uitgave, tot die interpreten die de ongenaakbare kanten van deze hybride vijfdelige symfonie op fenomenale wijze het hoofd bieden.

Extremen

Bij al mijn bewondering voor Zinmans fabuleuze lezing van de Zesde symfonie (klik hier) moet ik eerlijkheidshalve toegeven dat deze verklanking van de Zevende aanzienlijk minder spannend is. Niet in termen van orkestspel, want daar valt in de verste verte niets op aan te merken. Opnieuw bewijst het Tonhalle Orchester uit Zürich wat spelniveau betreft de vergelijking met de top-Mahler orkesten uit de wereld volledig aan te kunnen. De mooi rond afgewerkte superaudio registratie laat dat allemaal prachtig uitkomen. Maar waar het soms aan schort is nu juist die weerbarstig- en gramstorigheid waar deze symfonie het van moet hebben. Wat je mist, en waarin Haitink en vooral Barenboim zo sterk excelleren, zijn die diep grommende en snerpende sonoriteiten van de lage koperblazers. Ook de tenorhoorn mist de ontzagwekkendheid die nodig is om aan de opening van het eerste deel de vereiste impact te verlenen. Het lijkt wel alsof Zinman in dit opus op zoek is naar een klassiek evenwicht dat in werkelijkheid, althans in deze symfonie, niet bestaat. Daarin lijkt hij sterk op de late Bruno Walter, een Mahler-dirigent van groot formaat, maar ook iemand die de Zevende nooit heeft opgenomen, waarschijnlijk omdat hij geen raad wist met de extremen en gestiek in stemming die deze partituur rijk is.

Reliëf

Het best op dreef is Zinman in de middendelen, waarin hij aan de muziek (‘Nachtmusiken’) niet zelden een bijkans schubertiaanse atmosfeer weet te ontlokken. Helemaal raak is het in het ‘Schattenhaft’ gedoopte scherzo, waarin het klankbeeld, in tegenstelling tot dat van de hoekdelen juist wel het reliëf bezit dat deze symfonie als totaal in zo hoge mate kenmerkt. Schitterend hoe hier de puntige en qua ligging hevig contrasterende blazersmotieven alsmede de soms ongemeen knallende paukenslagen hun beslag vinden! Ook de mandoline en de gitaar in de tweede 'Nachtmusik' komen dankzij de fraaie opname goed tot hun recht, zonder dat ze teveel domineren: ze ‘kleuren’ echt het ensemble als geheel in, overeenkomstig de manier waarop sommige voor Schönbergs ‘Verein für musikalische Privataufführungen’ vervaardigde bewerkingen tot ons komen. De finale maakt hierna wel weer een erg brave indruk. Van expressionistische accenten en halsbrekende climaxen à la Barenboim valt hier niet veel te bespeuren. De volgende symfonie in de reeks, want Zinman werkt de cyclus chronologisch af, is de Achtste.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links