CD-recensie

 

© Maarten Brandt, april 2020

Bruckner: Symfonie nr. 6 in A

Bergen Phiharmonic Orchestra o.l.v. Thomas Dausgaard
BIS-2404 • 53' • (sacd)
Opname: juni 2018, Grieghallen, Bergen (Noorwegen)

   

Kon men enige jaren geleden nog beweren dat de Zesde symfonie (ontstaan tussen 1879 en 1881) van Anton Bruckner de meest stiefmoederlijk bedeelde uit diens orkestrale oeuvre was, die vlieger gaat allang niet meer op. Onlangs verscheen er bijvoorbeeld een uitvoerige – en terecht zeer lovend uitgevallen! – bespreking van collega Aart van der Wal van een nieuwe registratie van deze symfonie (klik hier). Dit naar aanleiding van de fonografische primeur van voornoemd werk door het London Symphony Orchestra onder supervisie van Sir Simon Rattle (LSO Live) in de versie van Benjamin-Gunnar Cohrs, die met de derde Gesamtausgabe van Bruckners klinkende nalatenschap is belast. En dat brengt mij meteen op een belangwekkende omissie van onderhavige uitgave, namelijk dat in het boekje nergens staat vermeld welke editie er is gebruikt, maar met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal het om de Nowak-versie gaan.

Mijn relatie met Bruckners Zesde dateert uit mijn vroege middelbare schooltijd, toen op EMI de – nog steeds legendarisch te noemen – opname met het Londense New Philharmonia Orchestra onder Otto Klemperer verscheen, die zich van de Haas-editie bediende (tussen de Haas en de Nowak-versie zijn overigens geen noemenswaardige verschillen). Ook al mag hij naar de huidige maatstaven het adagio net een fractie te snel nemen, voor het overige is dit nog steeds een vertolking waar ik ook anno 2020 nog dikwijls naar teruggrijp. Al was het alleen maar om naar het openingsdeel te luisteren, dat onder deze ongenaakbare reus van een grandeur is doordesemd waarbij nog steeds alle Bruckner-vertolkers (in dit geval zelfs Celibidache niet uitgezonderd, en dat wil wat zeggen!) geducht het nakijken hebben.

Dat deel is dan ook echt een verhaal apart. Meer in het bijzonder door de soms al naar het impressionisme neigende kleurschakeringen, met als uitkomst een muziek die tot de meest on-Oostenrijkse mag worden gerekend die Bruckner ooit schreef. Niet voor niets verwondert het mij tot op de dag van vandaag waarom altijd maar weer werd (en soms zelfs nog: wordt) beweerd, dat dit werk als geheel in de schaduw van de Vijfde zou staan. Want zoveel is duidelijk, met zijn Zesde sloeg de meester uit Ansfelden wegen in die hij tot op dat moment nog niet had begaan. Niet zelden is sprake van een soort avant-gardisme ‘avant la lettre' dat men in de Vijfde niet aantreft. Toegegeven de finale van de Zesde behoort niet tot de absolute top van Bruckners componeren. Wat niet wegneemt dat deze een aantal passages bevat dat de luisteraar zonder meer ontroerd achterlaat, ook al hangt daarbij veel van de dirigent af om dit hoor- en vooral: voelbaar te maken.

“Mosterd na de maaltijd”
Een van de problemen daarbij is hoe de delen zich in termen van tempo en articulatie binnen een eenmaal gekozen opvatting tot elkaar verhouden. “Bewegt, doch nicht zu schnell” schrijft Bruckner boven het slotdeel van de Zesde en wanneer dat in de wind wordt geslagen ligt onherroepelijk het gevaar op de loer dat het geheel enigszins “als mosterd na de maaltijd” overkomt. Hoe het ook kan leren niet alleen Klemperer, maar ook Jansons (vooral zijn uitvoering met de Berliner Philharmoniker) en Rattle. Dirigenten die er totaal verschillende opvattingen en tempi op nahouden, maar waarbij eerder genoemde proporties kloppen. Vooral het feit dat in die finale op subtiele wijze aan het adagio – het lyrische zwaartepunt van de symfonie en als zodanig qua inhoud zonder enige reserve op een lijn staand met het totaal anders geaarde langzame deel van de Negende – wordt gerefereerd is al een voldoende aanleiding om Bruckners wens “nicht zu schnell” op en top te respecteren.

Met andere woorden, een echte Brucknerdirigent moet hoe dan ook de kunst beheersen van het tegelijkertijd in het landschap staan en het totaal vanuit het vogelperspectief kunnen overzien. En indien dit het geval is dan is het daarbij om het even welke tempi er aan de orde zijn. Snel en langzaam zijn binnen een context als de onderhavige namelijk slechts relatieve begrippen. Om twee uitersten te noemen: aan de ene kant van het spectrum bevindt zich Van Beinum (Philips/Eloquence) die binnen een vlot en perfect gestroomlijnd verloop de grootsheid van Bruckners muziek even voorbeeldig tot in de kern weet te raken als Celibidache (EMI, met ‘zijn' Münchner Philharmoniker) die aan gene zijde van dat spectrum in zijn extreem breed genomen en haast van sacraal werkende rituele gebaren vervulde uitvoeringen hetzelfde bereikt. En daartussen bevinden zich uiteraard tal van al dan niet geslaagde gradaties.

‘Gesloten hemelpoorten'
Het hoge woord moet er maar uit en dat is dat Thomas Dausgaard – die ook een uitvoering van Bruckners tweede symfonie voor het Bis-label vastlegde - niet tot de boven genoemde categorie Bruckner-interpreten behoort, onverschillig hoe hun vertolkingen ook uiteenlopen. En dat ligt bepaald niet aan het Bergen Philharmonic Orchestra dat allerminst voor een kleintje vervaard is. Ook niet aan de opnametechnici trouwens die een kraakhelder klankbeeld realiseren waarin alle details hoorbaar zijn. Maar, zo luidt de vraag, is dit ook Bruckner? Formeel wel, met dien verstande dat de bijzondere tongval waar deze muziek het van moet hebben nogal eens ontbreekt en de toon veelal te uiterlijk is, te letterlijk en te zeer gespeend van die bijzondere onderhuidse spanning waar deze unieke muziek het zo nadrukkelijk van moet hebben. En dat brengt me opnieuw bij de tijdsduren: Rattle heeft voor het eerste deel 15'10 nodig en Dausgaard 14'54. Een te verwaarlozen verschil dus. Althans dat zou men veronderstellen. Want dit neemt niet weg dat deze interpretaties werkelijk mijlen ver van elkaar zijn verwijderd. Een voorbeeld: de episode uit het openingsdeel (Nowak maat 95 e.v.) die bij Rattle door een bloedstollende suspense wordt geschraagd, maar in de aanpak van Dausgaard culmineert in een blafferige climax. Nog een ander voorbeeld: de coda van datzelfde deel, waarin je bij Rattle, zij het weliswaar binnen een strak gehouden kader, de vereiste riante koperfanfares in al hun glans hoort, maar bij Dausgaard de begeleidingsfiguren teveel domineren en het uitzicht op die gulden sonoriteit het spijtig genoeg nogal moet ontgelden. Een opnametechnische kwestie? Ik vrees van niet en dat dit helaas duidelijk als een weerspiegeling van de opvatting van de dirigent moet worden beschouwd. Met als onvermijdelijk gevolg dat de ‘hemelpoorten' bij Dausgaard grotendeels gesloten blijven. Natuurlijk moet zelfs Rattle daar in Klemperer zijn meerdere erkennen. Niettemin weet ook Sir Simon hier aan de blazers van het orkest een sonoriteit te ontlokken die met recht monumentaal mag worden genoemd. In het adagio is sprake van (ruim) 1 minuut verschil, waarbij Rattle voor het breedste tempo opteert en voor een frasering zorgt waar Dausgaard alleen maar van kan dromen. Ik verwijs slechts naar de schitterende ‘marcia funèbre'-episode. Op één punt scoort laatstgenoemde echter wel hoog, en dat is in het scherzo met een trio (met die beroemde terugverwijzing naar de Vijfde) waarin ik de hoorns zelden zo schitterend heb horen excelleren. Maar in de finale wordt er weer teveel over de zaken heen gespeeld, is een soort nuchterheid troef waardoor het beeld van Bruckner als niet-kampioen in het schrijven van finale's ten onrechte te zeer wordt aangescherpt. Opnieuw is Dausgaard hier geen partij voor Rattle, die ruim twee minuten langer nodig heeft dan zijn Deense collega, de muziek juist ook in dit gedeelte ver boven haar eigen niveau uittilt en daardoor mede aan de fraaie lyrische ‘doorkijkjes' het volle pond geeft. Conclusie: Bruckner dirigeren is en blijft een vak apart. En dat is nu eenmaal niet iedereen gegeven.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links