CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2019

Bruckner: Symfonie nr. 6 in A (Urtext-editie Benjamin-Gunnar Cohrs)

London Symphony Orchestra o.l.v. Simon Rattle
LSO Live LS00842 • 56' •
Live-opname: 13 en 20 januari 2019, Barbican, Londen

   

Het zal menige bruckneriaan zwaar zijn gevallen: de voortdurende verwarring zoals die in eerste aanleg door Bruckner zelf is gecreëerd en die inmiddels al meer dan een halve eeuw, sinds de verschijning van de eerste 'Gesamtausgabe', nog steeds voortduurt. Alsof het maar niet wil lukken om het lek (en dat zijn er vele) voor eens en altijd boven te krijgen. Wat ook sterk bijdraagt aan de verwarring zijn de verschillende partijen die zich - afzonderlijk van elkaar - met de publicatie van Bruckners muzikale nalatenschap hebben beziggehouden of dat nog steeds doen.

Alweer!
In 2010 was het Benjamin-Gunnar Cohrs, van huis uit dirigent, maar zich later ontwikkelend tot een voorstaanstaande muziekwetenschapper en een groot kenner van het oeuvre van Bruckner, die werd benaderd door het Weense uitgevershuis van Alexander Hermann met het verzoek om (alweer!) een geheel nieuw te concipiëren editie. Hermann had zich al eerder bewezen met een eminente Johann Strauss-editie die zelfs door de Wiener Philharmoniker (en dat wil toch wel wat zeggen) al jarenlang standaard wordt gebruikt.

'Fundamental problems'
Cohrs twijfelde, loyaal als hij al vanaf 1995 was geweest aan het eveneens in Wenen gevestigde Musikwissenschaftlicher Verlag (MWV). Hermanns aanbod was echter zeer aanlokkelijk: een nieuwe 'Anton Bruckner Urtext Gesamtausgabe' in het kader van de 'Bruckner Edition Wien' met uitsluitend Cohrs in de bestuurdersstoel. Dus niet zoals bij MWV deel uitmakend van een redactieteam (waarin Cohrs overigens een dominante rol vervulde), maar ditmaal in de rol van de spreekwoordelijke heer en meester. Waar nog bijkwam dat Cohrs bij MWV in de loop der jaren was geconfronteerd met wat hij als 'editorial problems' typeerde. Het had zijn loyaliteit weliswaar niet in de weg gestaan, maar toch, nu zich deze nieuwe mogelijkheid aandiende... Al blijft het wat merkwaardig dat Cohrs tijdens de periode dat hij - en bovendien intensief - bij het MWV-project betrokken was er naar eigen zeggen met 'fundamental problems' werd geconfronteerd, maar dat het hem niet had doen besluiten op te stappen. Maar mogelijk heeft hij toen zijn redactiewerk voortgezet bij gebrek aan een beter alternatief. Hoe dan ook, ik heb er mijn vinger niet achter kunnen krijgen.

Lot uit de loterij
Hermanns aanbod betekende naast Cohrs heerschappij over de geheel nieuwe Bruckner-editie dat hij de beschikking kreeg over alle 'editorial know-how' die hij noodzakelijk achtte (hij kon het team zelf samenstellen). Ook kwamen er van de zijde van Hermann 'new ideas' ter tafel. Het is zo'n geschiedenis die zich als een lot uit de loterij laat lezen. Het rechtstreekse gevolg van de gedane toezeggingen laat zich raden: de eerste stappen op weg naar de complete Anton Bruckner Urtext Gesamtausgabe'. Met de nadruk op 'Urtext', ofwel een (noten)tekst geheel ontdaan van welke vreemde invloed ook. Vreemd in de betekenis van toevoegingen, weglatingen of correcties die of niet van Bruckners hand zelf stamden of waarvoor hij nooit - althans nawijsbaar - permissie had gegeven of waarvan hij zelfs nooit iets heeft geweten. Alles (en dat in de meest letterlijke zin) moest zijn gestoeld op 'appropiately evaluated and (re)considered principal sources'. Maar ook dat ieder na veel wikken en wegen genomen redactioneel besluit in volkomen open- en helderheid in de gedrukte uitgave zou worden opgenomen, opdat de lezer (en dat gold uiteraard met name voor de professionele gebruiker) zelf het onderscheid tussen het een en het ander als op een presenteerblad kreeg aangereikt. Het verschil tussen 'oertekst' en redactionele interpretatie zou in voorkomende gevallen niet (meer) achter een mistige haag verborgen blijven, maar in afwijkende kleur worden aangegeven, wanneer nodig voorzien van gedetailleerde annotaties.

Publicatie en uitvoering
Wat betekent dit voor de doorsnee bruckneriaan? In eerste instantie betrekkelijk weinig. Want muziekwetenschap en muziek beluisteren zijn twee verschillende zaken. Wat moet hij met een spiksplinternieuwe 'Urtext'-uitgave als de daarbij behorende uitvoering ontbreekt? Cohrs heeft dat uiteraard ook ingezien en zich al vanaf het begin van het project voorgenomen om iedere nieuwe uitgave in de (ongetwijfeld alsmaar groeiende) reeks zo spoedig mogelijk vergezeld te laten gaan van de 'bijbehorende' uitvoering (het spits werd al in 2016 afgebeten door het Orchestra of the Age of Enlightenment, toen eveneens onder leiding van Simon Rattle, op 22 april in het Londense Barbican). Mogelijk leidt de 'Urtext'-editie binnen afzienbare termijn tot een nieuwe standaard, al blijft het uiteindelijk toch de keus van de individuele dirigent. Neem bijvoorbeeld de Haas-editie die decennialang Bruckners Achtste heeft omgeven en die decennialang door de meest vooraanstaande dirigenten is gebruikt. Een editie die echter op meerdere fronten ernstig is gemankeerd, maar die zelfs nog tot 2007 door Bernard Haitink als 'de' editie werd gebruikt. Onbegrijpelijk misschien, maar wel waar. Het was onze grote Bruckner-kenner Cornelis van Zwol die Haitink ten slotte wist te overtuigen dat hij met Haas op een volkomen verkeerd spoor zat.

Niet minder onbegrijpelijk is het dat Andris Nelsons met zijn verklanking van de Zesde voor de Nowak-editie koos (de door Maarten Brandt hier besproken uitvoering dateert van december 2018). Waarom niet voor Cohrs 'Urtext'? Het was een uitgelezen gelegenheid geweest. Geen idee eigenlijk. Maar hij was al niet toeschietelijk toen ik hem vroeg de Negende in de vierdelige versie op te nemen. De conventie wint het - en al helemaal op de kortere termijn - nu eenmaal vaak van het betere alternatief.

De uitvoering op het podium of in de studio van een symfonie in de 'Urtext'-versie kan in termen van evaluatie veel, maar ook relatief weinig betekenen. Wie de partituur er niet bij neemt zal menig verschil met een of meerdere andere versies misschien zelfs wel volledig ontgaan. Gewoon, omdat het niet meer dan (niet of nauwelijk waarneembare) verschillen in de marge zijn. Dat het dan eerder gaat om absolute 'correctheid' vanuit historisch perspectief dan om het wezenlijk hoorbare effect ervan. Er liggen in dit opzicht nog talloze partituren van andere componisten te wachten...

Langdurig project
Cohrs liet me onlangs weten dat hij momenteel werkt aan de postcorrecties van de reeds als dirigeerpartituur verschenen delen. In het komende jaar komen dan 'eindelijk' ook de eerste studiepartituren (van de symfonieën nr. 5, 6 en 7, alsmede de Missa Solemnis en het Requiem) uit. Aansluitend wordt begonnen aan wat de 'Urtext' uitgave moet worden van de Vierde symfonie. En zo verder, tot uiteindelijk het gehele oeuvre zal zijn ontsloten, een project dat volgens Cohr in totaal een kwarteeuw zal vergen en waarin het begrip 'monnikenarbeid' slechts een flauwe afspiegeling vormt van de werkelijkheid.

Sterke binding
Met de verschijning van de 'Urtext'-uitgave van de Zesde symfonie is er inmiddels ook een cd beschikbaar van de live-uitvoering door het London Symphony Orchestra onder leiding van zijn huidige chef-dirigent Sir Simon Rattle. Het enige dat daarvan teleurstelt is het boekje met daarin meerdere storende fouten. Zeker gelet het belang van deze release had aan de kwaliteit van de toelichting best wel meer aandacht mogen worden geschonken. Toen ik Cohrs ernaar vroeg was zijn reactie kort en bondig: dat hij nu eenmaal niet de 'house writer' van het LSO was.

Dat brengt me gelijk op de sterke binding tussen Sir Simon en Cohrs: ik stond er letterlijk bij en keek ernaar. Die ontstond in de periode toen Cohrs zich intensief met de onvoltooide finale van Bruckners Negende bezighield (klik hier), wat er uiteindelijk toe leidde dat Rattle, toen nog chef-dirigent van de Berliner Philharmoniker en tot in zijn vezels overtuigd van de kwaliteit van Cohrs' musicologische werk (zoals ik dat van Sir Simon zelf mocht vernemen) het aldus voltooide, nu vierdelige werk voor het eerst uitvoerde in de Berlijnse Philharmonie. Ook wij hebben onze site daaraan aandacht besteed: u vindt hier de recensie van collega Maarten Brandt en hier mijn vraaggesprek met Sir Simon.

Beschermheer
Gelet op deze geschiedenis zal het Cohrs weinig moeite hebben gekost om Rattle na de dood van Nikolaus Harnoncourt over te halen om het beschermheerschap van deze nieuwe 'Urtext Gesamtausgabe' op zich te nemen. De directe aanleiding was evenwel toch iets anders: de nieuwste, door Cohrs geredigeerde en in de nieuwe 'Urtext'-editie opgenomen Zesde en de Zevende symfonie die onder leiding van een - zo vertelde Cohrs mij - zeer enthousiaste Rattle voor het eerst op 22 april 2016 in Londen werd uitgevoerd. De Zevende beleefde in de 'Urtext'-editie haar première op 2 mei 2015 in de Milanese Scala, eveneens door de Berliner Philharmoniker onder Rattle.

De Zesde opnieuw onder de loep
Nu dan dus de Zesde in de zogenaamde 'Urtext', zoals gezegd deel uitmakend van de nieuwe complete editie onder redactie van Cohrs.

Van de Zesde symfonie, gecomponeerd tussen september 1879 en augustus 1881, was al algemeen bekend dat Bruckner het werk niet in een later stadium aan enigerlei revisiearbeid heeft onderworpen. Tenminste, daarvan is niets overgeleverd. Dat verklaart mogelijk dat na de verschijning van de eerste druk in 1899 (dus zo'n drie jaar na Bruckners dood) er niet meer dan twee kritische edities zijn verschenen die bovendien in essentie slechts in bescheiden mate van elkaar afwijken: die van Haas in 1938 en van Nowak in 1952.

Was er nu, na de kritische edities van eerst Haas en vervolgens Nowak, nog wel zo'n behoefte aan een nieuwe - uiteraard eveneens kritische - editie? De beide heren hadden hun veldwerk ongetwijfeld toch goed verricht? Maar stel dat dit bevestigend wordt beantwoord, dan betekent dit tevens dat aan die beide vorige edities in ieder geval de nodige bezwaren kleven. Maar ook dat decennialang de Zesde dan is uitgevoerd op basis van twijfelachtige muziekwetenschappelijke uitgangspunten. Ondanks de overgeleverde oerbron, het manuscript, en de veelvuldig aangebrachte wijzigingen in de eerste editie van 1899. Cohrs licht dat ook toe, waarvan hieronder enige voorbeelden:

The critical edition by Robert Haas (1935) gives the impression of the highest scholarly precision extending to an almost absurd attention to detail. On the other hand, one finds carelessness: Haas decided wherever possible to eliminate unused staves in order to save space; however, the flutes and clarinet parts are each laid out on two staves despite the fact that in general Bruckner notated the winds with two instruments per stave. In separating the flute and clarinet parts Haas repeatedly made mistakes (especially overlooking performance directives for the second instrument).
Then, while Haas was not afraid of adding performance directives that cannot be identified in any source, there are many places where he did not add any articulation, even where, based on parallel passages or earlier versions (rejected score bifolios), it is very likely that Bruckner simply overlooked it (cf. for instance Haas/Nowak, Finale, mm. 53-64). Hence, in 1952 Leopold Nowak brought out a revised new edition of the Haas score and in several respects arrived at different conclusions, however, leaving fundamental issues of it unchanged - not the least of these being that, for reasons of cost, the symphony was not re-engraved and Nowak made corrections by hand in the galley proofs.

Repeated comparison with the manuscript brought numerous improvements in precision with regard to playing directives and articulation, as well as corrections and conjectures in the notation. Bruckner only rarely wrote wrong notes, as he notated and corrected the actual music notation far more thoroughly than playing directives, the addition of which represented for him the last step, and which he referred to as »nuancing« or »adding performance directives«. A number of oversights by Bruckner or Haas respectively were already corrected by Nowak (for instance, the clarinets in the 2nd movement, m. 95, where Bruckner in the autograph score accidentally wrote the intended sounding F loco and not transposed to B flat, for which reason a wrong-sounding E flat is found in the Haas edition that can be heard on various recordings of the work). However, some discrepancies requiring correction have remain undiscovered till now - including the sounding g', corrected to sounding e', by Bruckner himself in the 3rd horn in the 4th mvt., mm. 121-4, and a wrong note in the 1st violins at m. 6 of the 3rd mvt. (third to last note b'', not e'''). At certain points conjectures were required, especially where Bruckner had lapses: at page breaks in the autograph (1st mvt., m. 73, 1st flute and oboes; 1st mvt., m. 305, basses; 4th mvt., bassoons, m. 23), where doubling parts subsequently underwent corrections in only one of them (1st mvt., m. 352, 1st horn; Scherzo, m. 92, 3rd horn) as well as an apparent minor mistake that required correction (4th mvt., m. 284, 1st trumpet). A surprising find was an »arco« (see below), strongly notated in ink in violoncello as well as double bass at m. 337 of the 1st mvt. True, a »pizz.« is missing in m. 309, but the double »arco« makes it apparent that Bruckner wanted to have the basses plucked at the beginning of the coda. Accordingly, a »(pizz.)« had to be added at m. 309.

Bruckner intended the principal movement to have two tempi - a faster, enclosing tempo for the exposition and reprise of the principal theme and last 17 measures of the movement as well as a »bedeutend langsamer« (significantly slower) for the greater part of the movement. Fundamental to a complete understanding is the choice of the correct opening tempo - »Majestoso«. A similar, solemn riding topos is otherwise found in Bruckner only in the Finale of the Eighth; there he wrote over the beginning »Feierlich, nicht schnell (Metron. 􀁉 = 69)«. The tempo of the principal movement of the Sixth may well occupy a similar world. This is confirmed by a metronome marking that Cyrill Hynais added in pencil and, remarkably, in Bruckner's own autograph score, which furthermore was initially intended as the engraver's copy: »M.M. 􀁉 = 72«. One can scarcely imagine that Hynais, who was entrusted by Bruckner with the symphony's publication, would have taken it upon himself to insert this without having spoken to Bruckner about it. It is admittedly curious that Hynais then subsequently did not copy the metronome marking into the engraver's copy. Up to the present day most conductors can't conceive of such a fluid tempo; usually the movement is taken between 􀁉 = ca 54 and 63. The new urtext edition therefore reproduces the metronome marking as an editorial addition, since it is a significant key to a comprehensive understanding of the symphony's tempi that cannot be dismissed out of hand, as the marking in the ASc was inserted at least with Bruckner's approval if not at his bidding. Taken at this tempo the movement's character becomes animated, similar, for instance, to the beginning of Mendelssohn's Italian Symphony (in the same tonality), but at the same time powerfully spirited and truly festive.

A particular problem is caused by one of Bruckner's notational habits: repeated notes notated under slurs are often not additionally marked with dots or tenuti. In the VIth Symphony especially there are many passages at which portato is only marked with a slur. Sometimes it is difficult, sometimes impossible, to ascertain whether a portato, tie or slur is intended. So one could assume at mm. 9f of the Adagio that Bruckner forgot ties in the viola part that can be found in 1st and 2nd horn, but the continuation of this syncopated motive makes it apparent that the slurs in the horn (and also in the oboes, m. 12) are intended as portato, as the ensuing note would otherwise remain unheard. Bruckner appears to have been cognisant of the problem himself at some points, as can be seen e.g. in mm. 117ff of the 1st mvt., where beside the directive »portato« slurs and dots are included. This is especially problematic in passages where the player could question whether ties have perhaps been forgotten where one finds numerous repeated notes under a slur (e.g. 2nd mvt., 1st clarinet, mm. 106f).

Unique to the VIth Symphony is Bruckner's use of five-string double basses, which he otherwise sidestepped, in particular in the Adagio (mm. 50-52). One could assume an error here. However, underneath can be found, in Bruckner's hand, indications that they be played an octave higher (not taken into consideration by previous editions). Also there are furthermore passages in the Finale that go below E (mm. 309, 310 und 313), but these were corrected only after initially having been notated an octave higher. Bruckner thus intentionally opted for the use of five-string instruments, although not consistently, for there are other passages where the double basses, as is usual for him, are notated in a higher octave when they double the cellos and exceed the range of four-string instruments (e.g. Finale, mm. 103/4). It may be that Bruckner did not conclude a work process here, one in which he examined the orchestral parts for extremes of range and added simplifications as an alternative. This probably also included the bracketing of the highest notes of the 1st trumpet in the Finale (mm. 281ff), which could only be produced with effort on the large F trumpet and were risky for lesser players (in this case the high F, sounding b flat'', for which Bruckner offered the lower sixth, sounding d flat'', as alternative), an ad libitum octave transposition for the bass trombone (Finale, mm. 348ff) as well as, especially, the notation of the lower pair of horns in the Gesangsperiode (2nd subject) of the Adagio (mm. 25-34 and 113-122). All corresponding passages are notated as ossia in the new edition; editorial additions are made apparent by the use of colour.

Dit nogal uitvoerige exposé zegt iets over het vele veldwerk dat vanuit in het domein van de muziekwetenschap wordt verricht en hoezeer de kwaliteit ervan kan verschillen. Maar ook dat dit in de perceptie ervan - ook in vakkringen - onvoldoende is (h)erkend. Er moet blijkbaar weer eens iemand opstaan die aantoont dat een of meerdere vorige edities gewoon niet deugen. Wat al jarenlang onweersproken voorligt kan de actuele toets der kritiek dus niet eens voldoende doorstaan. Wát kritische editie?

De Zesde onder Rattle
Zo uitvoerig de voorgeschiedenis in kaart is gebracht, zo kort kan ik zijn over deze uitvoering die een en al autoriteit uitstraalt. Hij staat er in sommige kringen misschien wat minder om bekend, maar Simon Rattle is een uitstekende Bruckner-dirigent. Dat bewees hij al eerder, onder meer in door Maarten Brandt besproken, al eerder aangehaalde vierdelige versie van de Negende.

Waar draait het om in de vertolking van de Zesde? Feitelijk zoals in vrijwel alle symfonieën: om structurele integriteit en daarmee tevens de beheersing van het transitiemodel, de daaraan inherente spanningsopbouw (lastiger te realiseren, zeker met de door de componist 'íngebouwde' cesuren, dan de volupteuze klankexplosies), de sterke puls (die ook tijdens en na de vele tempowisselingen behouden blijft), het zicht op dat ongrijpbare apocalyptische aspect (maar zonder in overdrijving te vervallen) en een volmaakt gevoel voor tempo, dosering en lineariteit (die echter weer niet ten koste mag gaan van de tegenstellingen waaraan ook deze Zesde zo rijk is).

Dit is geen muziek van een zich in idealen wentelende dagdromer, maar van een groot symfonicus die een oeuvre van bijna kosmische proporties heeft achtergelaten. Ook dat vinden we ruimschoots terug in deze vertolking, waarin symfonische grandeur en lyrisch getinte intimiteit in het fraai opgezette discours een onafscheidelijk tweespan mogen vormen.

Afstandelijke objectiviteit is ook een sterk meewegende, belangrijke factor. We merken dat - anders dan bij bijvoorbeeld Eugen Jochum - in een strak in de hand gehouden tempomodel dat desondanks de zo noodzakelijke fluctuaties niet in de weg staat. De doorwerking, de ontwikkeling van het in al vroeg in de sonatevorm voorgestelde thematisch materiaal, wordt niet ontsierd door eigenzinnigheid, maar kent eveneens een strak gehouden patroon dat - het lijkt slechts en passant - het structurele inzicht van de componist in deze materie uitdrukkelijk bevestigt. Er is van tevoren goed nagedacht over het te volgen parcours en dat betaalt zich uit, zo blijkt maar weer eens. Het is slechts een van de manieren om postuum respect te bewijzen. En wie zou denken dat de door Rattle volgehouden strakheid juist in het Adagio ('sehr feierlich'!) het beeld nadelig doet verschuiven komt bedrogen uit. Nee, hier is geen Celibidache aan het woord, de geleidelijke gang naar een panorama van bijna metafysische afmetingen is afwezig, maar dat maakt deze nieuwe lezing van dat Adagio niet minder indrukwekkend. Celibidache blijft Celibidache tenslotte...

Dan mag het London Symphony geen Bruckner-orkest avant la lettre zijn, de strijkersgroep klinkt schitterend en het koper zeer homogeen. Het bloeit en gloeit ook bij de houtblazers, de bassen grommen naar hartenlust en de tutti komen met imposante sonoriteit uit de luidsprekers. Een nieuwe 'Urtext' en een grandioze verklanking ervan, zowel in surround als in stereo: wat willen we nog meer?


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links