CD-recensie

 

© Maarten Brandt, februari 2020

Berliner Philharmoniker - Bruckner - Symfonieën 1-9

In live-opnamen vastgelegd in de Phiharmonie te Berlijn onder leiding van verschillende dirigenten

9 cd's, 1 Blu-ray audio met de negen symfonieën en 3 Blu-ray video's met de gefilmde concertregistraties + bonus van 37' van interviews met de dirigenten van deze vertolkingen

Berliner Phiharmoniker BPHR190281 CD / BD-A

Symfonie nr. 1 in c (Linzer, versie 1866, Nowak)
Seiji Ozawa
Opname: 29-31 januari 2009
• 49' •

Symfonie nr. 2 in c (versie 1877, Haas)
Paavo Järvi
Opname: 23-25 mei 2019
• 57' •

Symfonie nr. 3 in d (eerste versie 1873, Nowak)
Herbert Blomstedt
Opname: 8-10 december 2017
• 63' •

Symfonie nr. 4 in Es ‘Romantische' (versie 1879/80, Haas)
Bernard Haitink
Opname: 13-15 maart 2014
• 69' •

Symfonie nr. 5 in Bes (Nowak) Bernard Haitink
Opname: 10-12 maart 2011
• 75' •

Symfonie nr. 6 in A (Nowak) Mariss Jansons
Opname: 25-27 januari 2018
• 54' •

Symfonie nr. 7 in E (Nowak). Christian Thielemann
Opname: 15-17 december 2016
• 71' •

Symfonie nr. 8 in c (1890, Nowak)
Zubin Mehta
Opname: 15-17 maart 2012
• 81' •

Symfonie nr. 9 in d (Cohrs) met reconstructie finale door Samale-Philips-Cohrs-Mazzuca (1985-2008, revisie 2010-12)
Simon Rattle
Opname: 26 mei 2018
• 77' •

 

Anton Bruckner en de Berliner Philharmoniker zijn twee fenomenen die bij elkaar horen als ooit Van Gend bij Loos of Vroom bij Dreesmann in ons land. Er is geen componist, of het moeten Beethoven en Brahms zijn, die zo intens is verbonden met dit fameuze ensemble als de grote uit het pittoreske Oostenrijkse dorpje Ansfelden geboortige symfonicus, die met recht de erepalm – althans wanneer we het over de grootschalige symfonie na Beethoven hebben – mag wegdragen wanneer het om dit orkestrale genre gaat en waarin het in optima forma draait, zoals een van de belangrijke Duitse filosofen dat zo fraai verwoordde: “Tönend bewegte Formen.” Het is dan ook een schitterend idee van de Berliner geweest bovenstaande imposante doos uit te brengen met de Negen symfonieën van Bruckner onder supervisie van diverse en qua karakter sterk uiteenlopende dirigenten. Dirigenten die toch ieder voor zich enorm veel te zeggen hebben en waarbij de eerlijkheid gebiedt toe te geven dat men een orkest ter beschikking had dat zijns gelijke in deze materie ternauwernood kent. Een gezelschap dat door Bernard Haitink in een interview met ondergetekende (afgedrukt in het boek ‘Klinkende alchemie') een ‘turbo-orkest' wordt genoemd. Dit zou de indruk kunnen wekken dat de Berliner eerst en vooral op krachtpatserij uit zijn, maar niets is minder waar. Natuurlijk is er die enorm verzadigde en fiere klankcultuur waarin dit keurcorps zich van de collega-toporkesten onderscheidt, maar dit betekent allesbehalve dat de musici niet in staat zouden zijn tot het etaleren van een optimum aan dynamisch raffinement, alsmede de meest fijnmazige kleurschakeringen en timbres. Men zegt wel eens van ons Koninklijk Concertgebouworkest dat het zo opvalt door een enorme flexibiliteit, dit laatste gaat bepaald niet minder sterk op voor een orkest als de Berliner Philharmoniker dat zich moeiteloos schikt naar het klankideaal van de dirigent die er op een gegeven ogenblik voorstaat. Zo is de hegemonie van de Karajan-era al lang verleden tijd, maar gebleven is de enorme controle en een streven naar perfectie die alles met paardenlengtes slaat. Let wel: zonder dat dit tot ook maar een bij benadering steriel musiceren heeft geleid, integendeel!

‘Sternstunden'
Op gevaar af te worden ingedeeld bij hen die dit of dat orkest het beste ter wereld noemen zij opgemerkt dat zo'n ensemble niet bestaat. Met dien verstande dat tot op zekere hoogte elk orkest op een bepaald moment – en dat is dus niet een situatie die onafgebroken van kracht is – in die categorie kan vallen. ‘Sternstunden' komen in principe overal voor en deze riante verzameling Bruckners bevat daar een aanzienlijk aantal van. Het is daarbij bovendien een luxe dat de opnames in verschillende formats worden aangeboden: cd, Blu-ray audio en Blu-ray video, waarbij het gebodene zowel in de stereo- als de surround-modus kan worden beluisterd. Alsof dit alles nog niet genoeg is bevat het album ook nog een code om alles in hoge geluidsresolutie te kunnen downloaden, maar dat voegt niets noemenswaardigs toe aan de Blu-ray audio disc, die van formidabele kwaliteit is. Zeker, het is geen verzameling die voor een appel en een ei verkrijgbaar is, maar hoe dan ook is het geheel de prijs dubbel en dwars waard. En daarbij beschikt nu eenmaal niet iedereen over dezelfde apparatuur. Natuurlijk zijn er verschillen in klank tussen die formats bespeurbaar, om het even hoe marginaal ook. De cd's klinken al zonder meer voortreffelijk, maar als het om de ambiance en de sfeer gaat dan komt er tijdens het beluisteren van zowel de Blu-ray audio disc als de Blu-ray video's een dimensie bij – ook als men niet, zoals schrijver dezes, over surround-apparatuur beschikt. Ook de warmte van de klank (contrabassen, Wagnertuba's!) is via de Blu-rays duidelijker present en de resolutie van de beeldkwaliteit is om door een ringetje te halen. Waarbij het visuele aspect – met in dat geval de opkomst van de dirigent in kwestie en de ovatie daarna – natuurlijk mede van invloed is op de betrokkenheid van de luisteraar bij deze verklankingen (op de cd's horen we de muziek ‘pur sang'). De indruk bestaat bovendien dat in het geval van de cd's en de Blu-ray audio meer gebruik is gemaakt van materiaal uit diverse concerten, maar dit laatste is me geenszins in storende zin opgevallen. Compleet is deze verzameling natuurlijk niet, want zowel de studie-symfonie in f als de zogenaamde Nulde in d ontbreken. En Nul wordt door vele dirigenten in hun cycli tegenwoordig, en terecht (nota bene: het werk werd na de Eerste symfonie voltooid!), geheel voor vol aangezien. Men hoeft slechts naar de sublieme uitvoering onder Haitink (KCO – Philips) en, om een recenter voorbeeld te noemen, die onder Young (Philharmoniker Hamburg – Oehms) te luisteren om daarvan moeiteloos overtuigd te raken.

Nikisch, Furtwängler, Jochum en Karajan
Wat in het bijzonder opvalt wanneer men de programmering van de Berliner gedurende de afgelopen paar decennia onder de loep neemt (overigens als er een toporkest is dat een voorbeeldige dramaturgie kent, dan is het dat uit Berlijn wel, maar dit is weer een ander verhaal) is dat vele dirigenten de gelegenheid werd geboden hun visie op Bruckner te geven. Met andere woorden, het werk van deze componist was uiteindelijk bepaald niet het prerogatief van de chef-dirigent. Natuurlijk waren Arthur Nikisch – die Bruckner in Berlijn introduceerde, getuige een van de twee uiterst lezenswaardige essays in het fraaie in deze doos gevoegde boekwerk – en Wilhelm Furtwängler de onbetwiste voortrekkers, hoewel ze zich doorgaans beperkten tot de symfonieën vanaf de Vierde. Overigens is dit een beeld dat heel lang heeft bestaan. Ook Klemperer bijvoorbeeld begon Bruckner pas vanaf de ‘Romantische' serieus te nemen. En zelfs de grote reus onder de brucknerianen, Sergiu Celibidache, die tijdens zijn triomfantelijke rentree bij de Berliner een onvergetelijke Zevende leidde (door EuroArts op dvd uitgebracht - met een alle records brekende speelduur van ca. 85 minuten!), is met een wijde boog om de symfonieën 0, 1 en 2 heen gelopen. Een andere naam die in Berlijn niet onvermeld mag blijven is vanzelfsprekend die van Eugen Jochum, die Bruckner dankzij het ‘gele label' (Deutsche Grammophon) in den brede bekend heeft gemaakt en wiens cyclus – naast uitvoeringen met het Orchester des Bayerischen Rundfunks - baanbrekende vertolkingen van de Berliner bevat van met name de Achtste en de Negende symfonie (laatstgenoemd werk gekoppeld met het Te Deum als ‘finale'). Karajan was degene die alle negen symfonieen voor DG met ‘zijn' Berliner vastlegde, dit in tegenstelling tot zijn opvolger Claudio Abbado, die weliswaar de nodige Bruckners vereeuwigde, zij het niet in Berlijn, maar met de Wiener Philharmoniker en die zijn grootste hoogten op dit gebied bereikte in zijn onvergetelijke lezingen met het Lucerne Festival Orchestra van de symfonieën 1 en 9 (eerstgenoemd werk in de ‘Wiener Fassung').

Springlevende visie
Wie naar het lijstje dirigenten kijkt zal misschien enigszins de wenkbrauwen fronsen bij het zien van de naam van Seiji Ozawa, die echter (wat niet algemeen bekend is) de meeste van Bruckners symfonieën tijdens zijn chef-dirigentschap van het Boston Symphony Orchestra heeft uitgevoerd. Discografisch heeft de Japanse maestro zich daarentegen nauwelijks over Bruckner ontfermd, op een door Philips uitgebrachte, nogal gelikte en saaie uitvoering van Zevende symfonie met het Saito Kinen Orchestra na. Vandaar dat ik met enigszins gemengde gevoelens ben begonnen te luisteren naar Ozawa's vertolking van de Eerste symfonie. Maar mijn reserves verdwenen meteen gelijk sneeuw voor de zon, want de visie van deze dirigent op deze in het algemeen veel te weinig uitgevoerde partituur (een status die dit werk deelt met de Tweede symfonie) is springlevend, geladen en steekt vol vuur en een op en top veerkrachtig elan. Naast de totaal anders geaarde benaderingen onder Jochum en Karajan met hetzelfde orkest kan deze lezing zich volstrekt handhaven. De climaxen in de finale (een van Bruckners sterkere slotdelen overigens) werken ronduit overrompelend, terwijl ook de lyriek in het vlot maar zeker niet overhaast genomen adagio het volle pond krijgt. Zeker, zowel Jochum als Karajan tonen meer donkere tinten en grandeur, maar daar staat weer tegenover dat de opname van met name laatstgenoemde mank gaat aan een ijskoude en metalige strijkersklank. Hoe dan ook, met Ozawa is de eerste klap meteen een daalder waard en wordt men er nog weer eens aan herinnerd dat het luisteren zonder vooroordelen een absolute vereiste is om tot een eerlijk oordeel te komen.

Schubertiaanse accenten
Paavo Järvi is bepaald geen onbekende in Brucknerland. Met het HR Sinfonieorchester Frankfurt nam hij voor RCA tot op heden de symfonieën 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9 op. Daarmee bewees hij, in tegenstelling tot zijn vader die met het Residentieorkest karikaturaal snelle Vijfde Bruckner vastlegde (Chandos), een opmerkelijke affiniteit met diens toonkunst te bezitten. Het heeft er dus alle schijn van dat we binnen niet al te lange tijd een complete cyclus tegemoet kunnen zien, hopelijk met de Nulde (waarover Paavo Järvi in het interviewdeel gelukkig opmerkt dat Bruckners muzikale gestiek daar al helemaal aanwezig is). Hoe het ook zij, Järvi tekent in de Tweede symfonie, evenals Haitink (Philips), voor de Haas-versie uit 1877 en gaat de Berliner voor in een in de goede zin des woords slanke en lyrische benadering van dit werk, waardoor – nog sterker dan bij Haitink – met name de schubertiaanse accenten en kleurwerkingen aan de dag treden. En daar valt veel voor te zeggen, want Bruckner is minstens zoveel door Schubert beïnvloed als door Beethoven en Wagner (diens uitwerking op Bruckners nalatenschap is, vooral in het verleden, sterk overdreven, iets waartoe de apocriefe Schalk- en Löweversies van de symfonieën 3, 4 en 5 nogal wat hebben bijgedragen). In tegenstelling tot de Eerste symfonie is de finale niet overal even overtuigend, maar het is de verdienste van Järvi net te doen alsof dit niet zo is, als gevolg waarvan de muziek boven zichzelf wordt uitgetild. Dit natuurlijk ook dankzij het schitterende spel van de Berlijners, die – strijkers – speciaal in het vlot en toch weldadig ademende andante extra bekoren, dit met een door zijn tederheid ontroerende coda als subtiele bekroning.

‘Eroïca'
Er zijn amper dirigenten en orkesten uit het absolute topsegment die zich inzetten voor de oerversies van Bruckners symfonieën. Zo heeft het Koninklijk Concertgebouworkest er nooit ook maar één seconde over gedacht om een van die edities op de lessenaars te zetten. Niet alleen de Berliner, maar ook Herbert Blomstedt behoren wat dit betreft dus tot de witte raven. Blomstedt, die hier een pleidooi houdt voor de ‘Urfassung' van de Derde uit 1873 (en hij deed het al eerder in een voor deze site door collega Van der Wal besproken vertolking met ‘zijn' Leipziger Gewandhausorchester (op het label Querstand), gelooft met huid en haar in Bruckners oorspronkelijke intenties wat de Derde symfonie betreft. Een partituur die nog allerminst bij het vaste repertoire is ingelijfd, maar hier evenals in Leipzig op een wijze tot klinken komt die een ieder die niet beter weet doet geloven alsof het werk in deze editie al sedert jaar en dag overbekend is. Althans zo komt deze meesterlijk, en dramaturgisch voorbeeldig gedoseerde interpretatie over. Waarbij men zich weer eens realiseert dat de finale een van de meest revolutionaire stukken is die Bruckner ooit schreef en bepaald niet moet werken als mosterd na de maaltijd, zoals in de vermaledijde laatste revisie uit 1889 (inclusief de bedenkelijke ‘oplossingen' van de gebroeders Schalk die, vreemd genoeg, door Leopold Nowak in zijn tweede tekstkritische editie deels zijn overgenomen) wel degelijk het geval is. Wat men ook, en of dat terecht is laat ik graag in het midden, op deze eerste editie zou willen afdingen; één ding staat voor mij als een paal boven water en dat is dat er geen versie valt te bedenken waarin de delen zo perfect met elkaar in proportionele balans verkeren als deze. De credits hiervoor gaan niet in de laatste plaats naar Blomstedt uit, wiens somptueuze en tegelijkertijd uiterst transparante aanpak van deze soms weerbarstige muziek me voor de volle honderd procent definitief in de ban heeft geslagen en sterker nog: me heeft doen beseffen dat Bruckners Derde in haar oergedaante in diepste wezen zijn ‘Eroïca' is*.

Natuurlijke ademhaling
Opvallend is dat Bernard Haitink tweemaal is vertegenwoordigd in deze reeks en dat zegt niet alleen het nodige over zijn grandioze Bruckner-expertise maar minstens evenveel over zijn lange en onafgebroken uitstekende verstandhouding met de Berliner Philharmoniker. Was de relatie met Amsterdam, zacht uitgedrukt, dikwijls weinig ontspannen; hier is het tegenovergestelde het geval. Dat zoiets fenomenale resultaten afwerpt blijkt uit de als gegoten zitten vertolkingen van de Vierde en de Vijfde symfonie. Uit elke noot blijkt hoezeer Haitink kan lezen en schrijven met deze fenomenale musici en daarbij een volstrekt eigen klank meebrengt (Haitink in een gesprek met mij: “Hoe dat zit, het is een vreemd mysterie”). Iets van het geheim schuilt in de volstrekt organische wijze waarop Bruckners klanktaal zich onder de sobere gestiek van deze anti-maestro uit het domein van de topdirigenten ontvouwt: zonder opgelegd pandoer, volkomen uitgebalanceerd en van begin tot eind logisch en onafwendbaar. Climaxen staan nooit op zichzelf en maken onlosmakelijk deel uit van dit vloeiende verloop dat binnen totaal onopvallende tempi (noch extreem snel, noch dito langzaam) gestalte krijgt. Haitinks wijze van Bruckner dirigeren is een manier van natuurlijke ademhaling, waar een gemiddeld iemand enorm veel moeite voor zou moeten doen, maar dat bij hem volledig tot een tweede natuur is geworden. Zeker, het op het eerste gehoor vlotte begin van het tweede deel van de Vierde is opvallend, totdat men zich realiseert dat het hier om een andante gaat, terwijl veel dirigenten de neiging vertonen het als een adagio op te vatten. Is men daar eenmaal aan gewend, en dat gaat snel, dan is de uitwerking op de luisteraar er een die al het andere is dan die van gehaastheid. Zoiets is alleen mogelijk wanneer je volkomen boven de noten staat, en dat doet Haitink in wiens lezingen van deze symfonieën geen zwak moment valt te ontdekken. De sacraliteit van een Jochum (DG, Philips, Tahra) of de verheven en esthetiserende (en op zich zeer imposante, daar niet van) sonoriteit van een Karajan (DG) zal men hier vergeefs zoeken. En dat maakt deze uitvoeringen dan ook zo bijzonder, namelijk dat ook een orkest met een dermate eigen en bijkans onwrikbare identiteit – en de identiteit van orkesten is een onderwerp waarover Haitink zich overigens bij meer dan een gelegenheid heeft uitgesproken – een zodanige metamorfose ondergaat dat men meent naar het Koninklijk Concertgebouworkest op het toppunt van zijn kunnen te luisteren. Met andere woorden, het enorme respect dat Haitink voor de Berliner koestert wordt in gelijke munt terugbetaald en alleen al hierom is deze set verplichte kost voor elke Brucknerliefhebber.

Verschil
En over vlotte tempi – en vlot niet alleen in termen van snel, maar eerder in die van evenwichtig voortstromend – gesproken, die kenmerken tevens de visie van Mariss Jansons op Bruckners Zesde, een werk dat hij ook in Amsterdam tijdens zijn chef-dirigentschap vereeuwigde (RCO Live) en wel in een uitvoering die me, op de finale na, weinig tot niets deed (klik hier voor de bespreking). Maar wat horen we in Berlijn een andere wereld dan in Amsterdam! Net zoals Jansons verraste met een lezing van de Achtste met het Orchester des Bayerischen Rundfunks doet hij dat nu met deze Zesde en de Berliner. Dat tempi op zich niet veel zeggen blijkt eens te meer uit deze vertolking. Want die wijken marginaal af van die in Amsterdam. Maar nog veel belangrijker: qua sfeer en klankcultuur blijft het KCO in vergelijking met wat de Berlijners en Jansons in de Zesde laten horen behoorlijk ver achter. Luister alleen naar het weemoedige en gloedvolle strijkersthema uit het Adagio en het verschil is enorm: wat een intensiteit en bijkans aureale klank. Dit is Jansons in Bruckner op zijn best; van A tot Z toont hij een immense affiniteit met deze symfonie, waarbij ook de temporele verhoudingen tussen de delen veel meer in evenwicht zijn dan gedurende die oudere Amsterdamse verklanking met opnieuw een finale (die in zijn vertolking met het KCO nog het meest overtuigde) die tot de beste uit de catalogus behoort. Wat deze uitvoering ook leert is dat om het even onder welke dirigenten de Berliner Bruckner spelen, de kwaliteit onverkort hoog tot zeer hoog is en het is bijna of Jansons hierdoor veel verder heeft kunnen doordringen in het psychische klimaat van dit stuk dan voorheen. En nu permitteer ik me een gevaarlijke uitspraak: ga ik te ver door te beweren dat de Berliner Philharmoniker het beste Bruckner-orkest is? Men zou het bijna denken, wat niets ten nadele inhoud van bijvoorbeeld de Wiener Philharmoniker, Het KCO, de Staatskapelle Dresden of de Münchner Philharmoniker Maar toch... Hoe dan ook, heel bijzonder deze Zesde!

Legendarische Wagnertuba's
Christian Thielemann laat zijn licht schijnen over de Zevende symfonie, een werk dat hij tweemaal eerder op dvd heeft vastgelegd en wel achtereenvolgens met de Münchner Philharmoniker en de Staatskapelle Dresden (beiden verschenen op Unitel Classica). Thielemann was ooit de hoop van Deutsche Grammophon om als een ‘tweede Karajan' te dienen. Wat daar ook van zij, Karajan en Thielemann zijn onvergelijkbare grootheden. Hoewel beiden op hun onvervreemdbaar eigen wijze een klankideaal nastreven. Dat van Thielemann werd aanvankelijk voor behoorlijk ‘teutoons' en zwaar versleten, maar dat beeld klopt slechts zeer ten dele en is al helemaal niet van toepassing op zijn recente Wagners en Bruckners. Klankraffinement, dat zeker. Zijn op Blu-ray/dvd uitgebrachte Tristan uit Bayreuth (DG, in een nogal laakbare regie van Katharina Wagner, maar dat terzijde) getuigt daar in alle toonaarden van, maar ook deze Zevende van Bruckner, waarin Thielemann superieur weet te laveren tussen een verzadigde klank en een niet zelden kamermuzikaal overkomende intimiteit. Dit binnen tempi die weldadig rustig overkomen, maar zeker niet extreem langzaam zijn. Voor het eerst horen we hier uiteraard de Berlijnse Wagnertuba's waarvan de sonoriteit niet voor niets een legendarische status bezit. Opvallend is verder de lichtvoetigheid van het scherzo, iets waardoor Thielemanns aanpak mijlenver is verwijderd van om het even wat ook maar in de buurt van het Teutoonse komt. Opvallend – en dat is dan weer het voordeel van de video-registratie – is hoe Thielemann, wanneer iemand de zaal na een van de delen verlaat, rustig wacht met de inzet van het vervolg. Ervaart men de finale van de Zevende dikwijls als het zwakste onderdeel van het werk, door een magistrale realisatie van het overweldigende slot maakt dit deel met terugwerkende kracht een enorme indruk. En last but not least is Thielemann een meester in het voelbaar maken van de diverse harmonische transities en onder meer hieraan herkent men de Brucknerdirigent ‘par excellence'. Sommige van Thielemanns Bruckners mogen dan wat erg gepolijst tot leven komen, daarvan is hier geenszins sprake.

Eenzaam hoogtepunt
Ik herinner me nog als de dag van gisteren hoe ik als jongere onder de indruk was van Zubin Mehta's elpee-opname van Bruckners Negende met de Wiener Philharmoniker (Decca) die ik naast die onder Haitink (zijn eerste opname voor Philips van dit werk) en Jochum (DG) koesterde. Daarentegen stelde de op Sony uitgekomen vertolking van de Achste met het Israelisch Philharmonisch Orkest me danig teleur. Totdat Mehta vele jaren later dezelfde partituur tot leven wekte met het KCO (ook uitgebracht in The Radio Recordings van Radio Nederland Wereldomroep) en bleek hoezeer deze gigant onder Bruckners symfonieën tot zijn geestelijke erfenis is gaan behoren. Iets wat hij nog indringender bewijst met de in deze verzameling opgenomen vertolking. Mehta onverziet het kolossale parcours nu als weinig anderen van zijn generatie en bij de inzet van het Adagio moest ik automatisch aan de beste momenten van – hoe uiteenlopend deze dirigenten ook zijn – van Karajan en Celibidache denken. Wat een geheimzinnig en magisch pianissimo klinkt ons hier tegemoet. In één woord: ‘mesmerizing'! Aan alles valt te merken hoe Bruckners “Zenith des symphonischen Komponierens”(Celibidache) Mehta's eigendom is, ook in de andere delen. In welk kader Mehta tijdens het openingsdeel en het Scherzo voor een zekere ‘onderdruk' opteert en het Adagio echt ziet als een eenzaam hoogtepunt binnen het totaal (iets wat hij met zoveel woorden ook zegt in het interviewgedeelte van de Blu-rays). ‘Onderdruk' wil hier overigens al het andere zeggen dan onderbelicht, want ook in de andere delen wemelt het van intrigerende details en doorkijkjes, met als klap op de vuurpijl een finale waarin de spanning (in wezen opgebouwd tijdens het adagio) om te snijden is. Overigens is dit niet de enige maal dat Mehta zich met de Berliner voor Bruckners Achtste sterk maakte, vorig jaar brak hij opnieuw een lans voor de mammoet onder de symfonieën van de 19de eeuw (wie lid is van de Digital Concert Hall kan het concert in kwestie zien en horen en via deze uitgave krijgt men zeven dagen cadeau om met deze voortreffelijke instelling kennis te maken), maar die spraakmakende uitvoering uit 2012 is naar mijn bescheiden mening onovertroffen en terecht in deze collectie opgenomen.

Mythe
Inmiddels oud chef-dirigent Sir Simon Ratte en ‘zijn' toenmalige Berliner Philharmoniker zijn de enigen van de internationale top die het opnamen voor de integrale Negende, dus met inbegrip van de reconstructie van de finale door het viertal Samale-Philips-Cohrs-Mazzuca (1985-2008, revisie 2010-12). Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet om dezelfde uitvoering – vastgelegd in februari 2012 - als die welke op EMI is uitgebracht en door mij voor onze site is besproken (klik hier voor de recensie). Ik aarzel niet deze vertolking nog hoger aan te slaan dan die oudere die er ook al niet om loog. Maar als Rattle's kijk op deze symfonie, daarin nadrukkelijk gesteund door Benjamin Gunnar Cohrs cum suis, iets duidelijk maakt is het wel dat de geruime tijd lang manifeste mythe van de vrome en godsvertrouwende Bruckner dringend aan ontzenuwing toe is. Niet alleen de bijkans oorverdovende climax in het Adagio, ook de niet zelden extreem neurotische passages in de finale' maken onverbiddelijk duidelijk hoezeer dit beeld aan grondige herziening toe is. En wat die finale aangaat, men mag er van denken wat men wil, maar deze is voor bijna 100 procent van Bruckner zelf en van niemand anders zoals door Cohrs en zijn kompanen sluitend is bewezen. Ziehier een wetenschap waar het merendeel van de Brucknerdirigenten ook anno 2020 verbijsterend genoeg nog steeds geen boodschap aan heeft. Dit terwijl niemand er om maalt het Requiem van Mozart te vertolken waarvan veel minder van Mozart in voorhanden is dan van Bruckner in de finale van diens ‘Opus Ultimum'. Deze symfonie maakt in zijn integrale vorm duidelijk aan welke enorme, diep-inkervende en existentiële crisis de meester onderhevig was. Het resultaat is met deze kennis voor ogen dat nog veel meer dan voorheen Bruckners Negende niet alleen een afsluiting is van een ongekend indrukwekkend symfonische oeuvre, maar veel sterker nog: het voorspel tot een muzikale ontwikkeling die met de representanten van de Tweede Weense School een hoogst intrigerend vervolg zou krijgen. Er zijn momenten - niet alleen in het adagio, ook in de finale – waar Schönbergs monodrama ‘Erwartung' zich, stilistisch gesproken, nog slechts op een steenworp afstand bevindt. Met andere woorden, dankzij de monnikenarbeid van het befaamde viertal is Bruckners Negende in de receptie een ander stuk geworden dan voorheen (en we weten hoeveel de componist er aan was gelegen dit slotdeel tot een goed einde te brengen; hem stond van meet af aan een vierdelige symfonie voor ogen!). Rattle**, die veel affiniteit heeft met de muziek van de 20ste en 21ste eeuw, is de juiste man om de onontkoombare waarheid van deze feiten als geen ander te onderstrepen. En hoe! Dit is een koortsachtige uitvoering die nog net een fractie sneller is dan die welke door EMI is uitgebracht en, speciaal in het adagio en de finale, nog meer naar de keel grijpt en qua revolutionaire inslag hooguit een evenknie vindt in de finale uit de oerversie van de Derde symfonie. Een grandioze belevenis en een subliem en niet mis te verstaan uitroepteken achter een monumentaal project waarmee enorm veel recht wordt gedaan aan de betekenis van Bruckner en meer speciaal zijn plaats binnen de muziekgeschiedenis. In het bijzonder dus die voor het componeren na hem dat in zijn klinkende nalatenschap . ondubbelzinnig zijn onmiskenbare en soms zelf intimiderend dreigende schaduwen vooruitwerpt.

____________________

*) Een kleine omissie in het interview met Blomstedt dient te worden rechtgezet. Hij heeft het over de eerste uitvoering van de Derde symfonie met de Wiener Philharmoniker in 1874 waarbij het publiek tijdens de uitvoering de zaal grotendeels heeft verlaten en de musici na afloop Bruckner meteen alleen op het podium achterlieten. Maar bedoeld wordt hier uiteraard de tweede versie uit 1877, een wederwaardigheid waar boekdelen over zijn volgeschreven en die tot de meest tragische en mensonterende gebeurtenissen uit Bruckners leven behoort.

**) Met één ding verschil ik met Rattle fundamenteel van mening en dat is wanneer hij in een van de interviews zegt dat het Bruckner aan zelfvertrouwen zou ontbreken. Iemand bij wie dat het geval is zou geen muziek schrijven à la bijvoorbeeld de finale van de Derde symfonie in de oorspronkelijke versie. Wel wilde hij begrijpelijkerwijs dat zijn muziek zou worden gespeeld en vandaar dat hij zich niet altijd even diplomatiek opstelde en door al dan niet goed-bedoelende vrienden heeft laten beïnvloeden met de bekende gevolgen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links