CD-recensie

 

© Maarten Brandt, augustus 2013

 

Pierre Boulez und das Klavier

Boulez: Douze Notations Première SonateDeuxième Sonate – Troisième Sonate – Incises (2e versie 2001) – Une page d’éphéméride
+ Mirjam Wiesemann in gesprek met Pierre Boulez en Dimitri Vassilakis

Dimitri Vassilakis (piano)

Cybele KiG 004 • 2.58’ • (3 sacd's)

 

Opnieuw komt Cybele voor de dag met een imposante aflevering in haar spraakmakende serie ‘Künstler im Gespräch’ (KiG), waarbij ditmaal de schijnwerpers staan gericht op een van de weinige overlevende nestors van de West-Europese avant-garde, de inmiddels 88 jarige Franse kosmopoliet Pierre Boulez. Van hem komt op deze fenomenaal klinkende super audio-uitgave het volledige oeuvre voor pianosolo tot klinken in al even fenomenale vertolkingen door de uit Griekenland geboortige pianist Dimitri Vassilakis (1967). Dezelfde Vassilakis die ook deel uitmaakt van Ensemble Intercontemporain, het gezelschap dat in 1976 door Boulez werd opgericht en waarover hij geruime tijd de scepter heeft gezwaaid en in nauwe samenwerking waarmee hij enkele van zijn meest ambitieus opgezette composities heeft gerealiseerd en voor het nageslacht opgetekend.

Pierre Boulez, die ooit niet alleen bekend stond als een muzikale iconoclast zonder gelijke maar ook een muziekvinder, theoreticus en filosoof (want zo mogen we hem toch wel noemen) die ook anno 2013 nog steeds doorgaat voor een ondoorgrondelijke hermeticus en een schepper van een toonkunst waaraan de meerderheid van de huidige muziekliefhebber geen boodschap zou hebben. Waarom? Omdat zij geen rekening zou houden – althans hoor psychologisch gesproken – met de capaciteiten van de luisteraar vanwege haar ten gevolge van het ontbreken van tonale referentiepunten en de door gestructureerde parameters dissociatieve opzet. Afgezien van het feit dat dit slechts opgaat voor de kortste periode binnen Boulez’ creatieve ontwikkeling, de seriële fase waarin hij zijn ‘Structures I’ voor twee piano’s (1952) schreef, is dit een onjuiste voorstelling van zaken. Wie de muziek op deze cd’s onbevooroordeeld op zich laat inwerken, zal namelijk tot geen andere conclusie kunnen komen dat zich binnen genoemde ontwikkeling een duidelijk waarneembare verschuiving heeft voorgedaan van een puntsgewijs en lineair naar een steeds nadrukkelijker op de voorgrond tredend harmonisch idioom. Daarin is weliswaar geen sprake van functionele tonaliteit maar wel degelijk van al dan niet gearpegieerde en zeer herkenbare akkoorden, die op hun beurt als vertrekpunt dienen voor een rijke waaier van muzikale en, dat zij toegegeven, gelaagde gebeurtenissen.

Orkestrale allure
Kenmerkend voor Boulez is de dankbare rol die is weggelegd voor het fenomeen resonantie, iets wat bijvoorbeeld al heel duidelijk in de Derde Pianosonate (1955-1957/1963) aan de dag treedt, maar ook al in sommige van de prille Douze Notations (1945), waarin reeds tal van voorafschaduwingen van de rijpe Boulez zijn te signaleren, en die – vanwege de aan het instrument in engere zin ontstijgende – kleurstellingen al orkestraal ‘avant la lettre’ op de toehoorder overkomen. Niet voor niets bleken deze miniaturen met terugwerkende kracht de aanzet tot grootse orkeststukken, waarvan nu een aantal is voltooid, maar waarbij het de vraag is of de meester nog genoeg tijd rest ze alle twaalf af te krijgen. Net zoals de Notations zijn ook Incises (we horen hier niet de oerversie uit 1994 maar de uitgebreidere redactie van 2001 die ook is opgenomen in de DG-box met Boulez’ ‘The Complete Works’ – klik hier voor de bespreking) en Une page d’éphéméride (2005) orkestraal van allure en net als bij Incises, dat later werd uitgebreid tot het grootschalige ensemblestuk Sur Incises, zou men zich dit bij Une page... kunnen voorstellen. De uitvoering door Vassilakis van laatstgenoemde compositie is de fonografische primeur en is ongeveer 1 minuut sneller dan de vertolking van Hidéki/Nagano (van de DG-set), maar een gehaaste indruk maakt Vassilakis’ verklanking nergens. En, over hermetisch en ontoegankelijk gesproken; als Boulez ergens zijn ongeveinsde bewondering voor Ravel tot uitdrukking brengt, overigens zonder ook maar één noot uit diens muziek te citeren, is het wel in dit korte, briljante en tegelijkertijd ultiem geraffineerde pianostuk.

Misverstanden
Om het even hoe men ook kan genieten van Vassilakis’ grandioze interpretaties van deze nog steeds niet tot het vaste repertoire behorende composities – maar hij brengt ze ten gehore of zij dat al sedert jaar en dag zijn! – de belangrijke toegevoegde waarde zit ‘m natuurlijk in de interviews met componist en uitvoerende. Het grandioze van de aanpak van Wiesemann schuilt vooral in de hoge mate van toegankelijkheid en de wijze waarop zij een licht weet te werpen op een aantal nog steeds hardnekkige misverstanden. Zoals bijvoorbeeld het feit dat Boulez, getuige dat roemruchte interview in het Duitse opinieblad ‘Der Spiegel’ uit 1967 , gezegd zou hebben dat hij alle operahuizen zou willen opblazen, terwijl hij dat louter en alleen als een metafoor had bedoeld om aan te geven dat er een einde moest komen aan de alles dodende voorspelbaarheid waar sleetse routine toe kan leiden. Een ander regelmatig geciteerd verhaal is dat van de wereldpremière in Donaueschingen – naast Darmstadt en München het belangrijkste centrum voor eigentijdse muziek van die dagen - van Nachtstücke und Arien (1957) van Boulez’ Duitse en recentelijk overleden confrater Hans Werner Henze. Bij die gelegenheid was Boulez, evenals Nono en Stockhausen, aanwezig en het drietal zou tijdens de uitvoering uit protest de zaal hebben verlaten. Niets blijkt minder waar te zijn, ook al blijft het feit dat men toen niet veel ophad met de in hun ogen te neoromantische klanktaal van Henze.

Besef
Het meest sterke van de door Wiesemann c.s. gehanteerde formule is het besef van waaruit haar interview-concept is ontstaan, namelijk dat de kunst zelf autonoom en bij de gratie daarvan ondemocratisch is. De luisteraar heeft immers het kunstwerk sui generis – en daar hebben we het bij Boulez over - als gegeven maar te accepteren en kan niet bepalen wat de inhoud ervan is en, laat staan: enige invloed uitoefenen op de moeilijkheidsgraad. Wel is duidelijk dat de wegen om het te kunnen benaderen juist bij uitstek democratisch moeten zijn. Maar, en nu komt het, wie het verschil tussen het karakter van het kunstwerk en de wegen die erheen leiden niet onderkent, maakt een fundamentele fout en nivelleert uit dien hoofde daarvan de waarde van de kunst en gaat, sterker nog: aan de wetenschap voorbij dat die waarde alleen dan productief kan worden als de mens – de luisteraar, de lezer dan wel de beschouwer – bereid is zijn comfortzone te verlaten om op avontuur uit te gaan. Wat is daar voor nodig? Een open en onbevooroordeelde grondhouding en vooral: nieuwsgierigheid. Het zijn regelmatig terugkerende thema’s in de gesprekken met beide heren. Aan de hand hiervan wordt op een niet mis te verstane wijze de steeds groter wordende kloof zicht- en voelbaar tussen de geaccepteerde canon en het leeuwedeel van de vernieuwende muziek uit de inmiddels ruimschoots voorbij zijnde twintigste eeuw en niet alleen dat. Ook wordt hierdoor pijnlijk duidelijk waarom – indien men dus de ideale Kunst als een door de waan van de dag gedicteerd democratisch verschijnsel ziet – niet Boulez, Schönberg, Nono, Webern en Berio, maar de Pärts, Jenkinsen en Einaudies door het muzikale establishment van tegenwoordig voor de crème de la crème van het eigentijdse componeren wordt beschouwd. Boulez heeft het – overigens zonder namen van componisten te noemen – meer dan eens over wat hem het meest tegenstaat: leugen en artistieke luiheid (waarbij hij vooral doelt op het merendeel in het huidige muziekleven werkzame functionarissen) terwijl Vassilakis er geen geheim van maakt niets met die componisten op te hebben in wier werk geen verrassingen en nieuwe vergezichten zijn te bespeuren. Het zal daarom niemand verbazen dat juist deze fenomenen, die verrassingen en nieuwe vergezichten dus, hem zo fascineren en uitdagen in Boulez.

En Boulez, een dogmaticus, een priester die de mensheid wil bekeren? Allesbehalve. Alleen wil hij wel een voorbeeld stellen. Niet zozeer door het serialisme als alleenzaligmakend te verklaren als wel door het in de praktijk van zijn activiteiten als componist, dirigent, pedagoog, filosoof en auteur belijden van de hoogst denkbare artistieke moraal. En daarvoor is elke componist, rijp of groen, zelf verantwoordelijk of althans, zou dat moeten zijn.

Rest nog te melden dat de documentatie van deze set weer van de bovenste plank is en dat het boekje, naast uiterst waardevolle informatie, is verluchtigd door deels weinig tot geheel onbekende foto’s.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links