CD-recensie

 

© Maarten Brandt, januari 2010

 

 

Berg: Drei Orchesterstücke op. 6 (1914) - Altenberg-Lieder op. 4 (1912) - Sieben frühe Lieder (1907).

J,Strauss/Berg: Wein, Weib und Gesang.

Christiane Iven (sopraan), Orchestre Philharmonique de Strasbourg o.l.v. Marc Albrecht.

PentaTone Classics PTC 5186 363 • 60' • (sacd)


Marc Albrecht, die in september 2008 een zeer grote indruk maakte met zijn directie van (Richard) Strauss' Die Frau ohne Schatten bij De Nederlandse Opera (klik hier voor de bespreking) en met ingang van seizoen 2011-2012 aldaar de scepter zal gaan zwaaien, alsmede over het Nederlands Philharmonisch/Nederlands Kamerorkest, komt hier met een Alban Berg-cd van formaat voor de dag. Hopelijk zal hij dit repertoire binnen afzienbare tijd ook bij het NedPho gaan dirigeren, want het gebodene op deze PentaTone uitgave smaakt beslist naar meer.

Of er van de heidens complexe Drei Orchesterstücke ooit een in alle opzichten definitieve opname zal verschijnen, is en blijft de vraag: het werk is niet alleen ultiem gelaagd van structuur, maar ook van expressie. Met andere woorden, deze compositie kan op meerdere manieren heel overtuigend worden gerealiseerd. Zoals destijds door de Berliner Philharmoniker onder Von Karajan (DG), die een Wagneriaanse grandeur moeiteloos samen wist te laten gaan met een - zeker de tijd van vastlegging (jaren zeventig van de vorige eeuw) in aanmerking genomen - benijdenswaardige transparantie. Of conform de ongenaakbare strakheid en scherpte waarmee Boulez deze partituur eind jaren zestig van de vorige eeuw met het BBC Symphony Orchestra (Sony, inmiddels opnieuw heruitgegeven) tot leven wekte, dan wel Abbado met het London Symphony Orchestra (DG) uit diezelfde tijd die een geëtst klankbeeld deed versmelten met een haast Kurt Weill-achtige allure (vooral in de Marsch: koper!). Alle drie vertolkingen die inmiddels terecht een historische status genieten en in geen enkele serieuze Berg-verzameling mogen ontbreken.

Natuurlijk stereofonisch perspectief

De vergelijking met bovenstaande orkesten is in zoverre niet helemaal eerlijk omdat het gezelschap uit Straatsburg niet in dat topklassement thuishoort. Daar staat tegenover dat niemand minder dan de door Berg zozeer bewonderde Mahler (aan wie deze orkeststukken als een superieure hommage kunnen worden opgevat) heeft beweerd dat er in wezen geen slechte orkesten bestaan, maar hooguit slechte dirigenten. En Marc Albrecht is een fenomenale dirigent. Hij maakt heel bewuste keuzes en weet precies wat hij met een partituur wil. Ook met deze Berg, waaraan naadloos valt af te horen dat hij niet alleen het notenbeeld beheerst maar zich tevens realiseert hoe de trajecten dienen te verlopen met als resultaat de impressie van het midden in het landschap staan en het beleven van het helikoptereffect ineen. Bovendien is deze verklanking van Bergs op. 6 de eerste in superaudio-formaat die me bevalt. Waarom? Welnu, omdat een natuurlijk stereofonisch perspectief niet ondergeschikt is verklaard aan de meerkanaligheid, een omstandigheid die bijvoorbeeld de uitvoering van het Koninklijk Concertgebouworkest onder Gatti (RCO live, klik hiervoor de recensie) bij vlagen tot een vermoeiende aangelegenheid maakt. Nee, de definitie van de instrumenten is schitterend gelukt, met speciaal ook een fraaie dieptewerking (grote trom, laag koper), ook al had de presence van het hoge slagwerk (bekkens) nog een graadje hoger kunnen zijn.

Affiniteit

Ligt de uitdaging bij de Orchesterstücke in het hecht markeren van de - veelal ongemeen hevig contrasterende - klankblokken, in de Altenberg-Lieder, die een even grote bezetting vergen, gaat het om het bereiken van een - enkele uitzonderingen daargelaten - wijdvertakte en gedifferentieerde vorm van grootschalige kamermuziek. Ook deze vuurproef doorstaat Albrecht met glans, getuige een voortreffelijke balans met de zangstem. Christiane Iven, die een grootse carrière doormaakt en bijvoorbeeld tevens te horen is op de nieuwe opname van Schumanns Szenen aus Goethes Faust onder Harnoncourt (RCO live), voelt zich ook in dit repertoire als een vis in het water. Haar stemgemiddelde is in de goede zin tamelijk strak met zowel een mooie dimensie het laag als in het hoog, blijkens onder meer die sensationele topnoot in het slot van het derde lied op 'hinaus'. Opvallend is het betrekkelijk breed genomen tempo in het afsluitende lied Hier ist Friede, waarin Ivens presentatie van een ongekende dramatische profilering is zonder over de schreef te gaan.

De titel Sieben frühe Lieder is enigszins misleidend, want Berg voltooide het origineel voor zang en piano in 1907, terwijl de orkestversie uit 1928 dateert. De Franse invloeden - heletoonstoonladder en afgeleide akkoorden - komen in deze adaptatie veel sterker naar voren. Iven bewijst opnieuw een eclatante affiniteit met Bergs halverwege Wenen en Parijs balancerende idioom te hebben, juist ook met die donkere melancholieke ondertoon van deze muziek. Ze wordt daarbij op een natuurlijk ademende wijze gesecondeerd door Albrecht en de Straatsburgers, waarbij dirigent en zangeres elkaar geheel verstaan in het overbrengen van het onmeetbare Bergiaanse rubato. Als uitsmijter een subtiel neergezette bewerking van Berg van Johann Strauss' Wein, Weib und Gesang, al evenzeer een kolfje naar de hand van deze dirigent. Zeer aanbevolen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links