CD-recensie

 

© Maarten Brandt, februari 2023

Eduard van Beinum - Complete Recordings on Decca & Philips

Concertgebouworkest, London Philharmonic Orchestra, Kamermuziekvereniging Amsterdam m.m.v. diverse solisten

Klik hier voor de inhoudsopgave

Decca Limited Edition 485 1387 (44 cd's mono/stereo)

 

Het geval wil dat de eerste plaat met muziek van Mozart die ik thuis hoorde uitgerekend de vertolking van het Concert voor fluit en harp was, gespeeld door Hubert Barwahser en Phia Berghout met het Concertgebouworkest onder supervisie van…Eduard van Beinum! Ik moet nog heel jong zijn geweest, zo'n jaar of vijf à zes. Dus ging het om mijn eerste concrete muzikale herinneringen. Wat ik daarbij onderging? Een gevoel van zorgeloosheid dat ik daarna nooit meer heb gekend. De impressie van licht- en rankheid, van een uiterst behaaglijk, warm en zonovergoten landschap. Tijdloos en universeel. Kortom, perfecte harmonie. Het leven kon niet beter zijn en is dat nadien dan ook nooit meer geweest. Muziek als DE ideale zijnstoestand. Nu moet men met dat soort beelden en gebeurtenissen uit het verleden altijd voorzichtig zijn, want maar al te snel wordt de zaak zodanig geïdealiseerd dat het eenmaal ervarene op geen stukken na meer strookt met de realiteit.

Watermerk
Hoe dan ook, toen de lijvige box met al Van Beinums voor Philips, Decca en nog enkele andere platenmaatschappijen vastgelegde commerciële opnames op mijn bureau belandde was de eerste cd waar ik naar greep die welke onder meer Mozarts grandioze dubbelconcert bevat, in de groeven gevangen in het voorjaar van 1957. En wat bleek? Die bewuste uitvoering had voor mij nog niets aan magie ingeboet, integendeel. Temeer al niet omdat het geheel dankzij de meesterlijke remastering door het team van Australian Eloquence nog aanzienlijk beter klonk dan destijds op die behoorlijk krakende lp. En wat méér is: we horen hier een verklanking die ook anno 2023 nog allesbehalve gedateerd overkomt. Een weergave gekenmerkt door een enorme sierlijkheid in de lijnvoering plus een frasering gepaard aan een al even grote ritmische scherpte en vanzelfsprekende wendbaarheid. Stuk voor stuk eigenschappen die niet alleen het spel van Barwahser en Berghout, maar mede en vooral ook de musiceerwijze van Van Beinum typeren, om niet te zeggen dat deze bij uitstek ook het watermerk waren van de aanpak van laatstgenoemde. En dit om het even of het Mozart, Beethoven, Schubert, Haydn, Brahms, Bruckner, Berlioz, Debussy en wie al niet betrof, zoals de 44 riant gevulde cd's (met dikwijls meer dan tachtig minuten muziek per disc!) klinkend en tot in het kleinste detail bewijzen.

De dirigent als bemiddelaar
“Dien een partituur, maar bedien je er niet van” is een in dirigentenkringen nogal eens geciteerde uitspraak van Carl Schuricht die tevens bij uitstek van toepassing was op Van Beinum, die alleen al daardoor hemelsbreed verschilde van zijn voorganger Willem Mengelberg. Opgelegd pandoer, pathos en alles wat ook maar bij benadering zweemde naar een teveel in onverschillig welk opzicht; Van Beinum had daar hoegenaamd niets mee. De partituur en nog eens de partituur was heilig en het ego van de kunstenaar moest daaraan volledig dienstbaar zijn. Met als enig doel - maar wat voor doel! – het laten spreken van de muziek voor zich, waarbij de dirigent per definitie geen sta-in-de-weg is, maar een doorgeefluik of, wat minder zakelijk uitgedrukt: een medium, dus een bemiddelaar. Niet meer en niet minder. Dat houdt mede en vooral ook het wegcijferen van jezelf in ten gunste van iets dat groter en verhevener is dan dat. De dirigent mag dan in de orkestgemeenschap de hoogst ingewijde zijn, tegelijkertijd moet hij – en juist hij – de nederigste onder allen zijn. Nederigheid niet in de zin van slaafse onderworpenheid, maar in die van een ultiem respect voor een inhoud die het kleine dagelijkse ik in verregaande mate ontstijgt. En voor de musici in samenwerking met wie de klus dient te worden geklaard. Van Beinum behoorde tot die kleine schare van orkestleiders die van dit hoogstaande ideaal de belichaming was. Net als onder anderen Hans Rosbaud of om een ander voorbeeld uit Nederland te noemen, de nog niet zo lang geleden heengegane Jan Stulen. En als ik aan levende dirigenten in ons land denk en mij tot één voorbeeld beperk: Ed Spanjaard. Deze heeft er trouwens nooit een geheim van gemaakt dat Van Beinum zijn grote voorbeeld was. Trouwens – toeval of niet – net zoals deze tijdens zijn leven tot de meest grandioze interpreten van de klinkende nalatenschap van Debussy en Ravel mag worden gerekend, is dit nog steeds het geval met Spanjaard, hoe weinig kansen hij schandalig genoeg ook krijgt geboden om dit te laten horen.

Met de violist Bronislaw Huberman (r.)

Intrigerende mix
Hoezeer men ook onder de indruk van Mengelberg kan zijn, veel van zijn uitvoeringen hebben toch iets, om het even hoe intimiderend soms ook, ouderwets, terwijl – en dat is de eindindruk die resteert naar het beluisteren van deze cd-verzameling – Van Beinum zijn tijd niet zelden zeer ver vooruit was. Of om het nog eens anders te verwoorden en zonder daar nu meteen een waardeoordeel aan te verbinden, het verschil tussen Mengelberg en Van Beinum was minstens zo groot als dat tussen bijvoorbeeld Furtwängler en Toscanini. Heel goed valt dit af te horen aan de Brahms-vertolkingen in deze doos, waarbij de luxe bestaat uit een aantal werken in meerdere uitvoeringen te kunnen kiezen. Want men heeft dan de beschikking over maar liefst drie verschillende opnamen van de Eerste symfonie (met het London Philharmonic Orchestra en het Concertgebouworkest, de laatste daterend uit de herfst van 1958 en vereeuwigd in stereo) en maar liefst vier vastleggingen van de Haydn-variaties, waarvan ook een met het Londense orkest (waarvan Van Beinum drie seizoenen vaste dirigent was). Wie niet beter weet en naar zijn Brahms-opvatting luistert zal weliswaar horen dat er iemand met een conventioneel lees: een duidelijk niet historisch geïnformeerd orkest aan het werk is, maar tegelijkertijd er het gevoel is dat de dirigent wel degelijk wat die uitvoeringspraktijk betreft goed van wanten wist. Maar het tegendeel is natuurlijk waar, want Harnoncourt en de zijnen waren toen Van Beinum in Amsterdam de scepter zwaaide nog amper droog achter de oren. Als men deze Brahms-benadering zou willen karakteriseren, dan in termen van een uiterst slank en tegelijkertijd kernachtig klankgemiddelde. Dit in de zin van een intrigerende mix van bijvoorbeeld Carlos Kleiber en de genoemde Harnoncourt, maar dan zonder de af en toe optredende manierismen waarvan deze fascinerende Duits- Oostenrijkse musicus niet altijd helemaal viel vrij te pleiten. Hoe het ook zij, Brahms behoorde zonder ook maar de geringste twijfel tot het kernrepertoire van Van Beinum, waar hij dan ook telkens opnieuw op terug kwam. Zijn greep op deze materie was uiterst ferm, wat toch het natuurlijke verloop van de muziek geen milliseconde in de weg heeft gestaan, integendeel. Zij het dat ditzelfde natuurlijke verloop het gevolg is van een door en door structuralistische omgang met het notenbeeld, waarbij niets aan het toeval is overgelaten. Dat blijkt ook uit de timings van de drie lezingen van de Eerste symfonie waarvan de verschillen verwaarloosbaar gering zijn, maar men toch het idee heeft dat de tijd onmeetbaar is en zich tussen de maatstrepen afspeelt. Rubato op de kortst denkbare afstand dus. Een verhaal apart is vanzelfsprekend de cd met ondermeer het Eerste pianoconcert (opname: voorjaar 1953), waarin de vermaarde Clifford Curzon soleert en welke vertolking echt tot de categorie van het onbewoonde eiland behoort. Hoe jammer dat we nooit zullen weten hoe Brahms' Tweede pianoconcert onder Van Beinum zal hebben geklonken (door hem met verschillende pianisten uitgevoerd, maar niet met Curzon).

Partituurstudie

Sterk variërend repertoire
Dan de tijdspanne waarbinnen deze opnamen werden gemaakt, een feit wat deze box extra bijzonder maakt: 1941-1959. Dat betreft dus een periode van slechts 18 jaar; en dit bovendien gekoppeld aan een ongekende hoeveelheid en sterk variërend repertoire. Van Beinum was nagenoeg van alle markten thuis, ook al zij toegegeven dat de erfenis van de Tweede Weense School in deze verzameling ontbreekt. De klinkende nalatenschap van Schönberg, Webern en Berg was nu eenmaal niet echt zijn ‘cup of tea', waarbij niettemin mag worden aangetekend dat een van Bergs ook tegenwoordig nog minst gespeelde en meest complexe composities, zijn Kammerkonzert voor viool, piano en dertien blazers, door het Concertgebouworkest onder Van Beinum en met als solisten Francis Koene (viool) en Henriëtte Bosmans (piano) voor het eerst in ons land is uitgevoerd. Om precies te zijn op 18 januari 1934! Bovendien bevat de aflevering met The Radio Recordings van Radio Nederland Wereldomroep een op 21 oktober 1951 gemaakte live-opname van Schönbergs Fünf Orchesterstücke. Maar, zoveel is zeker, de muziek van zijn tijd vond in Van Beinum een fervent pleitbezorger en ook radicale componisten mochten zich in zijn belangstelling verheugen, zoals onder andere Matthijs Vermeulen, wiens Tweede en Vijfde symfonie (n.b: de vuurdoop) met het Concertgebouworkest onder Van Beinum tot klinken kwamen.

En dat brengt ons weer bij deze grandioze box waarin ook de 20ste eeuw goed is vertegenwoordigd, waaronder spraakmakende vertolkingen van Stravinsky's Le Sacre du Printemps en Bartóks Concert voor orkest, achtereenvolgens vastgelegd in september 1946 en september 1948. En dan hebben we het over twee werken waarvoor een gemiddeld conservatoriumorkest tegenwoordig zijn hand nauwelijks meer omdraait en sterker nog; die zo dikwijls zijn uitgevoerd dat de scherpe randjes er inmiddels wel af zijn, zo gepolijst en geölied komen ze doorgaans tot klinken. Maar toen Van Beinum zich over deze stukken ontfermde – wel te verstaan pal na de Tweede Wereldoorlog, toen er dus amper een referentiekader voor deze partituren bestond – waren de noten nog bijkans geheel maagdelijk en dit laatste zeker voor het toenmalige concertpubliek voor wie dergelijke kost wel extreem gedurfd moet zijn geweest. Met andere woorden, voor de moed om deze muziek commercieel op te nemen past alleen maar het hoogste respect! En dan heb ik het nog niet over het feit dat het Concertgebouworkest onder Van Beinum tekende voor de wereldpremière van Brittens Spring Symphony, met als vocale coryfeeën Kathleen Ferrier, Jo Vincent en Peter Pears (live vastgelegd op 16 juni 1949). Dit in helaas een matige geluidskwaliteit, maar het historisch belang hiervan kan uiteraard moeilijk worden onderschat.

Ontspanning, met poedel David

Vitaliteit en meeslependheid
Beide uitvoeringen (Stravinsky, Bartók) worden getypeerd door een in de meest positieve zin van het woord ‘no nonsense' benadering, wars van ook maar het geringste effectbejag. En juist daardoor komt de zaak zo ongekend indrukwekkend en springlevend tot ons. Met een weldadige ritmische ‘drive' en ‘suspense', en het ten enenmale ontbreken van onverschillig welke logheid of zwaarte. Natuurlijk, de opnamen hebben de tand des tijds niet helemaal kunnen doorstaan, maar wat wil men? We hebben het immers over de jaren veertig van de vorige eeuw! Niettemin komen Van Beinums bedoelingen haarscherp over en geen detail blijft onderbelicht. Opvallend is ook de enorme mate van doorzichtigheid die de dirigent weet te bereiken en dit, nogmaals, in een tijd dat beide stukken nog geenszins tot het repertoire behoorden, waarbij bovendien te bedenken valt dat Bartók ten tijde van de Amsterdamse registratie van zijn orkestconcert (let wel: de eerste Europese opname!) amper drie jaar eerder was overleden! En nogmaals over Bartók gesproken, wat Van Beinum in diens in oktober 1955 opgetekende Muziek voor snaren, slagwerk en celesta vermocht te realiseren is al even ongelooflijk. Wat een vitaliteit en meeslependheid klinken ons hier tegemoet, maar ook wat een ritmische souplesse en veerkracht! En dan te bedenken dat niet alleen Reiner in Chicago nog zijn spraakmakende vertolking van dit werk moest vastleggen (RCA) en het nog tot 1965 zou duren alvorens Solti dat in Londen (Decca) zou doen in een al even indrukwekkende lezing. Zoveel is echter onomstotelijk duidelijk: dat Van Beinums vertolking zich naast die onder de zojuist genoemde twee dirigenten moeiteloos kan handhaven. Over zijn tijd ver vooruit zijn gesproken!

Repetitie met het Concertgebouworkest

Nederlandse muziek
Net zoals onder Mengelberg, maar dan met andere accenten, maakte in de era Van Beinum de Nederlandse muziek een vanzelfsprekend en vitaal onderdeel van het repertoire uit. Daar werd niet moeilijk over gedaan, want de toonkunst van eigen bodem was – in tegenstelling tot tegenwoordig – binnen het symfonisch aanbod nog allesbehalve ‘gemedicaliseerd', om het zo maar eens uit te drukken. En wat méér is: het werd door labels als Decca en Philips serieus genoeg genomen om commercieel uit te brengen, getuige fantastisch – zeker de tijd van hun ontstaan in aanmerking genomen – uit de luidsprekers komende opnamen en dito verklankingen van werk van Pijper, Diepenbrock (het tweede deel uit de toneelmuziek bij Marsyas) en Henkemans (diens Vioolconcert, grandioos verklankt door Theo Olof) uit het voorjaar van respectievelijk 1953 en 1954, alsmede de live-opname van Diepenbrocks Te Deum uit december 1956 (die we al uit verschillende eerdere afzonderlijke releases kennen.) Maar neem alleen al die prachtvertolkingen van Pijpers Pianoconcert (met Hans Henkemans in een glanzende hoofdrol), de Zes symfonische epigrammen en de Derde symfonie, werken die zich kunnen meten met het componeren uit de hoogtijdagen van zowel het Franse impressionisme als de Stravinsky van de Sacre. Composities die vroeger ook nogal eens onder Eduard Flipse en Willem van Otterloo werden gespeeld, maar thans voor de huidige generatie muziekliefhebbers bijkans geheel terra incognita zijn geworden. Hoe terloops en dansant Pijpers Derde symfonie ook begint, het betoog culmineert uiteindelijk in een klankonweer dat – zeker in de Nederlandse muziek of het moet die van Vermeulen zijn – amper zijn gelijke kent. Niet voor niets voorzag de componist de symfonie (met in deze uitvoering een dankbare rol voor de piano bespeeld door niemand minder dan Clifford Curzon!) van het volgende motto van Virgilius: “Flectere si neqeuo superos Acheronta movebo”, ofwel “Als ik de hemel niet kan vermurwen, zal ik de hel in beweging brengen”. En dat is precies wat Van Beinum en zijn superieur spelende Concertgebouworkest hier laten horen: ongerept, ongenaakbaar en daardoor niet minder dan verpletterend. Ongelooflijk gewoon dat een werk als dit niet allang bij het grote repertoire is ingelijfd!

Diep-inkervende catharsis
Het zijn trouwens ook deze eigenschappen die de beide achtereenvolgens in september 1946 en in september 1951 van Berlioz' Symphonie fantastique gemaakte opnamen op en top karakteriseren. Met als gevolg een aanpak die als objectief en meedogenloos kan worden getypeerd, als expressionistisch ook. Metaforisch gesproken vergelijkbaar met de wijze waarop zijn Duitse geestverwant Hans Rosbaud later bijvoorbeeld Bergs Drei Orchesterstücke tot leven zou wekken en waarbij iedere vorm van valse romantiek en zoetgevooisdheid in geen velden of wegen is te bekennen. Vertolkingen die je van A tot Z het gevoel geven van het “Zo en niet anders”, en die van een ijzeren consequentie zijn, doordesemd van een kracht die zich haaks verhoudt tot om het even welke sentimentaliteit en waar geen ontkomen aan is. Aan die indruk doet de ouderdom van de opnames geen haarbreed afbreuk. Hetzelfde geldt voor Mahlers Das Lied von der Erde met de tenor Ernst Haefliger en de mezzosopraan Nan Merriman, waartegen de latere stereoregistratie met hetzelfde duo en het Concertgebouworkest onder Eugen Jochum (DG) ten enenmale verbleekt. Ik kan me met de beste wil van de wereld niet herinneren ooit het slot van Das Trinklied von Jammer der Erde huiveringwekkender te hebben gehoord dan in deze ontstellende vastlegging. Angstaanjagend en verontrustend zijn de trefwoorden die nog het dichtst in de buurt komen om het karakter van het musiceren mee te omschrijven. De hemelse coda van Der Abschied – door Merriman fabuleus mooi gezongen – komt dan werkelijk als een verlossing over. En dit opnieuw omdat de in deze episode nogal eens opgeld doende sentimentaliteit plaats heeft gemaakt voor waarachtigheid, met als gevolg een diep inkervende catharsis, die met recht exemplarisch mag worden genoemd. En let wel, dit alles binnen zeer normale tempi waarbinnen de muziek zich geheel organisch ontwikkelt en volop weldadig ademt. Als ergens de betekenis van belevingstijd duidelijk wordt, dan hier.

Op tournee. David mag mee...

Perfect sluitende symbiose
En nu we het toch over tempi hebben, wijlen Cornelis van Zwol wees er in een bespreking van een van Van Beinums Bruckner-opnamen terecht op dat die wel aan de vlotte kant zijn, maar de muziek nooit van haar waardigheid beroven. Deze set bevat twee registraties van de Zevende symfonie, waarvan een uit de herfst van 1947 en een uit het voorjaar van 1953, die elkaar qua tijdsduur – respectievelijk ruim 59 en dito 58 minuten – nauwelijks ontlopen. Maar alles ademt tot in de kleinste poriën van de partituur en voortdurend is er die onderhuidse geladenheid die je door dit grootse landschap meevoert en waarin de spanningsbogen geen enkele knik vertonen. Aan een apocriefe hoorninzet tijdens de expositie van het eerste thema in het openingsdeel en het pauken-crescendo dat voert tot het hoogtepunt in het Adagio (met bekkenslag) valt af te leiden dat we hier met de Gutmann-editie van doen hebben, wat Van Beinum niet valt aan te rekenen want dat was toen het meest gangbare materiaal. Ook de Achtste onder deze dirigent behoort tot de vlotst verlopende uitvoeringen in onze discografische geschiedenis, ook al wordt hij in deze nog overtroffen door Hartmut Haenchen (Genuin Classics). Maar geen seconde gaat dit ten koste van het ook bij Van Beinum heersende besef dat dit monumentale werk – hier klinkend in de Haas-versie en opgenomen in juni 1955 – om Sergiu Celibidache te parafraseren als het ‘zenith van het symfonische componeren' dient te worden opgevat. We hebben hier te maken met een langdurig gerijpte visie op dit werk, want de eerste Bruckner-symfonie die hij, zij het als tweede dirigent, bij het Concertgebouworkest leidde – op 6 september 1931 - was uitgerekende de Achtste! Zoveel is onomstotelijk duidelijk, Van Beinum geeft deze symfonie gestalte als een perfect sluitende symbiose van een schubertiaanse lyriek en een heroïek à la de late Beethoven. Dit met minutieus gedoseerde en, waar nodig, witheet aanlopende climaxen. En wie de inzet van het Adagio met die prachtige diepe sonoriteit van de contrabassen eenmaal heeft gehoord, vergeet dat zijn of haar leven lang niet meer.

Continuïteit van de traditie
Met de Negende – opgenomen in september 1956 – lijkt een kantelpunt in Van Beinums Bruckner-interpretaties te zijn aangebroken, blijkens het, zeker voor die tijd, behoorlijk brede tempo van het Adagio (26'28 versus 24'52 in de eerste Haitink-opname op Philips). Een ander opvallend fenomeen is het optreden van extra paukenslagen in de coda van het eerste deel. Deze staan namelijk niet in de partituur van de toen gebruikte Orel-versie. Ze zijn echter toe te schrijven, zoals Cornelis van Zwol mij destijds wist te berichten, aan een ingrijpen door Van Beinum zelf. Hij vond de basnoten van de tuba te zwak doorkomen en vroeg daarom de toen nog jonge eerste paukenist, de befaamde Jan Labordus, deze met de pauk te accentueren. De dirigent was over het effect dermate te spreken dat hij zei: ”Zo, dit houden we erin.” Met als resultaat dat Labordus die slagen in zijn partij heeft bijgeschreven en er een traditie ontstond die nog geruime tijd heeft standgehouden. Maar belangrijker nog is het feit dat Van Beinum door zijn Bruckner-opnamen, waarbij we ook nog de in deze box aanwezige en in stereo vastgelegde radioregistratie van de Vijfde symfonie moeten noemen – daterend uit maart 1959, dus pal voor Van Beinums heengaan – enorm veel heeft bijgedragen aan de bijzondere klank die het Concertgebouworkest in deze muziek aan de dag legt. Iets waar Haitink even later dankbaar op zou voortbouwen en in wiens eerste Bruckner-cyclus voor Philips de sporen van zijn voorganger onmiskenbaar duidelijk zijn terug te vinden. Was er na Mengelberg een niet te loochenen breuk wat de interpretatiegeschiedenis en sonoriteit van het Concertgebouworkest betrof, met de komst van de jonge Bernard Haitink was de continuïteit van de traditie zoals gevestigd door zijn voorganger, een ondubbelzinnig feit. Dat blijkt alleen al uit hun beider interpretaties met het Concertgebouworkest van die Vijfde symfonie waarin alle associaties met sacraliteit en wierrook hebben plaatsgemaakt voor een aperte nadruk op de uitgekiende polyfone structuur van dit grandioze – en volgens sommige liefhebbers uit dien hoofde meest geslaagde – opus van de meester uit Ansfelden.

In de trein met echtgenote

Natuur als beste leermeester
Over de Debussy-opnamen onder Van Beinum is al menigmaal door vriend en vijand de loftrompet gestoken. Net als in Brahms was hij dan ook wat deze 'musicien français' betreft ronduit – wel te verstaan in tijdloze zin en dus allesbehalve in modieus opzicht – modern. Van vaag impressionisme moest hij niets hebben. Debussy's uitgekiende en dikwijls mozaïekachtige texturen waren in zijn opvatting, net als later bij Boulez, het resultaat van uitgekiende manipulaties van zowel toonhoogteverhoudingen als ritmische procedés. De uitkomst laat zich dan beluisteren op een manier waarbij het is alsof men het geheel ondergaat als een beurtelings markant en soepel bewegende architectuur waarbinnen alles een volstrekt logische plaats heeft. Debussy heeft ooit met zoveel woorden beweert dat de natuur de beste leermeester is voor de kunst en het is juist die natuur die aan strenge wetten beantwoordt. Alleen wanneer een uitvoering overtuigt, en dat doen de in 1954 en 1957 (in dit geval stereofonisch opgetekende) vertolkingen van La mer, de Trois nocturnes en de Trois images op een manier die toen bijna volstrekt zonder precedent was, dan hoeft de luisteraar daar geen last van te hebben. Als er iemand is geweest die, naast de gastoptredens van Pierre Monteux, in zijn periode hoogst substantieel heeft bijgedragen aan de vorming van het Concertgebouworkest met een enorme reputatie op het gebied van de Franse toonkunst dan was het zonder twijfel Van Beinum. En structuralistisch of niet, de enorme flexibiliteit waarmee het vlechtwerk van motivische betrekkingen onder van Beinums handen gestalte krijgt grenst aan het onvoorstelbare en maakt nog eens ten overvloede duidelijk hoe belangrijk het is om naast het klassieke erfgoed van de zogenaamde Eerste Weense School de Franse muziek met de grootst denkbare zorg te koesteren teneinde de topkwaliteit van een orkest te handhaven en verder te kunnen consolideren en uitbouwen. Tussen haakjes, wat zou het een sensatie zijn geweest als we Debussy's Pelléas et Mélisande hadden kunnen horen, een werk dat Van Beinum wel op het lijf moet zijn geschreven. Maar, wat niet is, is niet.

Deze doos is en blijft een ‘Fundgrube' voor eenieder die deze dirigent (beter) wil leren kennen. Een zeer veelzijdige musicus, wat ook blijkt uit een aantal nu voor het eerst uitgebrachte transfers van 78-toeren platen met deels repertoire dat men nu niet in de eerste plaats met Van Beinum associeert, maar waarin hij evenzeer zijn mannetje staat. En hoe! Zoals in het voorspel tot het derde bedrijf van Wagners Lohengrin of een tegelijkertijd fijnzinnige en spetterende Don Juan van Strauss. Of denk, om weer terug te keren naar de latere opnamen, aan de cd's met werk van Elgar en Sibelius, deels met stukken die ook anno tegenwoordig amper op de lessenaars prijken. Zoals van onder meer de beide The wander of youth suites van Elgar en En Saga van Sibelius. Zeker, men kan de muziek van deze Fin als een soort noordelijke Bruckner tegemoet treden, maar Van Beinum doet het eerder met Debussy in zijn achterhoofd door het stuk op te vatten als een intrigerend geheel van elkaar soms simultaan overlappende en op zich bijna ‘minimalistisch' opgezette gebeurtenissen als gevolg waarvan dit intrigerende brok muziek opeens onmiskenbaar 20ste-eeuws op de toehoorder overkomt. Dus opnieuw: een structuralistische benadering.

In de opnamestudio met Decca-producer Victor Olof

Sensatie
Over Van Beinums Mozart en Haydn (vertegenwoordigd met onder meer twee verschillende uitvoeringen van de Miracle-symfonie uit achtereenvolgens 1947 en 1952) vallen boekdelen te vullen. Zo bevat het geheel een van de meest fraaie Haffner-symfonieën ooit aan de openbaarheid prijsgegeven, hetgeen mutatis mutandis geldt voor de – ook heden ten dage – sporadisch te horen Posthoorn-serenade. Ook de symfonieën 3 t/m 6 en de Unvollendete van Schubert behoren tot het absolute topklassement en of ik de hier te beluisteren twee delen uit diens Rosamunde ooit met meer charme, sierlijk- en tederheid heb horen verklanken, betwijfel ik sterk. Over de prachtige reeks Beethoven-ouvertures en een vitale uitvoering van diens Tweede symfonie kan in eensluidende zin worden bericht. En wie ooit een meer sprankelende weergave van Mendelssohns Italiaanse symfonie heeft gehoord, mag het zeggen! Dat geldt trouwens in niet mindere mate voor Regers Mozart-variaties. Natuurlijk moet men bij Bach (de complete orkestsuites) en Händel (o.a. de Water music) geen ‘authentiek' geluid verwachten, maar wat een verschil met zijn voorganger Mengelberg! Als de huidige symfonieorkesten dit repertoire aldus tot klinken zouden brengen: prima! Nog afgezien van het feit dat dit een enorme verrijking van het aanbod zou betekenen. Maar ook de niemendalletjes werden door Van Beinum allerminst stiefmoederlijk behandeld. Wat heet! Als er na een opnamesessie nog wat tijd over was, werd er nog wel eens iets 'kleins' vastgelegd. Bij een van die gelegenheden viel de keus op Sousa's mars The Stars and Stripes forever. Het is een hoogst energieke uitvoering geworden die zodanig aanstekelijk uit de speakers knalt dat het lijkt alsof men er live bij is. “Zo, dat is pas een plaat,” moet Van Beinum naar aanleiding hiervan hebben gezegd. Misschien schuilt in de omstandigheid van het spontane wel een van de geheimen van Van Beinums dirigeerkunst. Niet voor niets wilde hij dan ook tijdens het registreren van grote symfonische werken middels lange takes opnemen en zo min mogelijk worden onderbroken om niet te zeggen – en daarin schuilt een zekere verwantschap met Furtwängler – dat hij in diepste wezen niet erg hield van het werken in de studio. Waarom? Omdat hij dat als ervoer als een aanslag op de levende kwaliteit in het musiceren. Wat hij namelijk het liefst wilde was dat een plaatopname de sensatie van het bijwonen van een concert zo dicht mogelijk benaderde.

Dirigeerkunst
Een aantal van de in deze collectie opgenomen uitvoeringen is op onze site al elders gesignaleerd door mijn gewaardeerde collega's Siebe Riedstra en Emanuel Overbeeke. Ook treft men er een fraai artikel aan van Henk de By over de betekenis van Van Beinum, dit naar aanleiding van diens heengaan in 1959 tijdens een repetitie van het tweede deel uit Brahms' Eerste symfonie. Niettemin valt er nog veel, ja onnoembaar veel over deze schitterende en van uitstekende essays van de hand van collega Niek Nelissen en Jan Tolansky voorziene uitgave te zeggen, waarbij ik u met klem aanraad alvorens het gebodene tot u te nemen vooral te luisteren naar de cd met de audio-documentaire die door Tolansky is samengesteld en aan de hand waarvan men niet alleen veel aan de weet komt over Van Beinums persoonlijkheid en manier van werken, maar ook waarom vele musici hem – die uit Engeland meer dan uit Amsterdam – zo in hun hart sloten. Dit alles verlucht met de nodige muziekfragmenten die het unieke van Van Beinums dirigeerkunst bij uitstek verduidelijken. Rest voorts nog te melden dat achter op elke cd de opnamedata en –technici staan afgedrukt. Daaronder ook regelmatig de naam van Jaap van Ginneken, evenals Van Beinum een kunstenaar in zijn vak! En voor wie er nog aan mocht twijfelen, de constant hoge tot exemplarisch hoge kwaliteit van het via deze superfraaie doos gebodene bewijst het in alle toonsoorten: Eduard van Beinum behoorde tot de grootste dirigenten ter wereld, maar jammer en helaas ook tot een categorie musici waar diegenen die het in het huidige tijdsgewricht muzikaal-organisatorisch voor het zeggen hebben weinig tot niets meer mee ophebben. Voor iedereen die de muziek een warm hart toedraagt, maar niet in de laatste plaats ook voor hen die in de concertwereld de dienst uitmaken is deze sublieme – en door Cyrus Meher-Homji voorbeeldig verzorgde - productie een absolute must.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links