CD-recensie

 

© Maarten Brandt, juli 2016

 

Bach: Mis in b, BWV 232 (Hohe Messe)

Maria Keohane (sopraan 1/ concertino), Joanne Lunn (sopraan 2/ concertino), Alex Potter (altus/ concertino), Jan Kobow (tenor/ concertino), Peter Harvey (bas/ concertino), Else Torp (sopraan 1/ ripieno), Hanna Kappelin (sopraan 2/ ripieno), Valdamar Villadsen (altus/ ripieno), Christopher Watson (tenor/ ripieno), Jakob Bloch Jaspersen (bas/ ripieno), Concerto Copenhagen o.l.v. Lars Ulrik Mortensen.

CPO 777 851-2 • 1.54' • (2 sacd's)

Opname: mei 2015, Garnisons Kirke, Kopenhagen

   

Wanneer wordt gesproken over 'knip- en plakwerk' dan is dat doorgaans niet als een, om het mild uit te drukken, onverhulde aanbeveling op te vatten, integendeel. Toch is laatstgenoemde kwalificatie zonder enige reserve van toepassing op een van de grootste meesterwerken uit de muziekgeschiedenis, om niet te zeggen een Opus Magnum dat met recht tot de acht wereldwonderen zou mogen worden gerekend, te weten de Mis in b - beter bekend als de 'Hohe Messe' - van Johann Sebastian Bach. Zoals Karl Aage Rasmussen in zijn bondige maar uitstekende toelichting bij bovenstaande uitgave terecht schrijft berust de meerderheid van de riante inhoud van Bachs Hoogmis op eerder gebruikt materiaal dat uit een periode van ongeveer 35 jaar stamt. Wie echter zonder deze voorkennis naar het werk luistert, zal menen dat hier sprake is van een van A tot Z en tot in de kleinste details van meet af aan gefixeerd geheel in de vorm van een naadloos concept waar zelfs met de beste wil van de wereld geen speld tussen te krijgen valt. Want geen seconde ontstaat de indruk van iets wat er ' met de haren is bijgesleept'. De 'Hohe Messe' komt van begin tot eind op de toehoorder over als een op en top hecht, groots en perfect gesloten klankuniversum dat toen zonder precedent was. Een universum waarbinnen de meest uitgekiende om niet te zeggen strenge architectuur en optimale bezieling in een optimaal evenwicht verkeren en waarin, ongeacht de mate van complexiteit (en die is veelal zeer hoog), een tot op de kleinste vierkante millimeter manifeste transparantie het beoogde doel is. Met andere woorden, voor onverschillig welk gezelschap, groot of klein, is een uitvoering van deze geniale compositie, altijd een uitdaging van jewelste.

Tien leden
Dirigenten en ensembles van diverse pluimage en komaf en zich al dan niet bedienend van groot- dan wel kleinschalige formaties hebben de afgelopen decennia bewezen deze partituur op overtuigende tot meesterlijke wijze tot leven te kunnen wekken. Het zijn er te veel om op te noemen. Maar voor mij persoonlijk springen er, om ons tot de historisch geïnformeerde vertolkingen te beperken, een vijftal uit: Gustav Leonhardt (BMG), Jos van Veldhoven (Channel Classics), Thomas Hengelbrock (DHM), Maasaki Suzuki (Bis) en Jonathan Cohen (Hyperion). En nu is er dan deze nieuwe CPO-uitgave met Concerto Copenhagen onder supervisie van Lars Ulrik Mortensen die, evenals bijvoorbeeld Andrew Parrott (EMI/Virgin), Van Veldhoven en Sigiswald Kuyken (Challenge) opteert voor een ultiem kleinschalige bezetting. De vocale formatie daarvan is samengesteld uit tien leden, waarvan er vijf ripienisten zijn die op gezette momenten de totaalklank dienen te versterken. Mortensen is ook in ons land geen onbekende, want op 1 februari 2015 was hij met 'zijn' Concerto Copenhagen in Amsterdam (Muziekgebouw aan het IJ) te gast waarbij eveneens de 'Hohe Messe' op de lessenaars prijkte. De cast was bij die gelegenheid grotendeels gelijk aan die van de in diezelfde tijd tot stand gekomen cd-opname voor CPO (de tweede sopraanpartij kwam toen bijvoorbeeld voor rekening van Johannette Zomer).

Eenheid in verscheidenheid
Over de ins en outs van de solistische en op grond van de theorieën van Joshua Rifkin cum suis samengestelde solistische bezetting van Bachs koorwerken, kunt u elders op onze site veel wederwaardigs lezen. Hoe het ook zij, er zijn twee soorten gelijk. Namelijk het historische (en daar zijn zonder meer de nodige kanttekeningen bij te plaatsen) en het artistieke. Zo heeft Kuyken mij met alle respect, niet van zijn artistieke gelijk kunnen overtuigen, gehoord zijn buitengewoon kale en iele, ja haast naar het hyper-calvinistische neigende interpretatie. Ten eerste was Bach geen calvinist, want de Lutheraanse geloofsbeleving is daar honderden lichtjaren ver van verwijderd, en ten tweede wordt Bachs onvolprezen 'missa tota' eerst en vooral gekenmerkt door een onmiskenbare grandeur, monumentaliteit en glans. En dat laatste hoor je bijvoorbeeld heel duidelijk bij Van Veldhoven, die - net als Kuyken - voor die kleinschalige solistische formatie opteert. En ook bij Mortensen, wiens weergave op en top natuurlijk en vloeiend overkomt en waarbij een ronde en toch - indien nodig - weldadig scherpe sonoriteit onafgebroken troef is. Het feit dat in het begeleidende boekje niet alleen alle vocalisten maar tevens instrumentalisten staan vermeld is geen toeval, want Concerto Copenhagen bestaat uit louter solisten, met als uitkomst: een benijdenswaardig geslaagde eenheid in verscheidenheid.

Echte koorklank
Bovendien bewijst deze prachtig vastgelegde uitvoering dat intimiteit per definitie niet hetzelfde is als kaal- en ielheid. Verre van dat zelfs, want als er een woord is om het klankgemiddelde van deze productie mee te omschrijven, dan wellicht het Duitse 'vollschlank'. Want wat zo typerend is voor wat we hier horen is dat de individuele lijnen dan soms wel scherp zijn gearticuleerd, maar tegelijkertijd zijn omgeven door een wijds aura, waardoor dus die indruk van een zekere - en mijns inziens onontbeerlijke - volheid in het leven wordt geroepen. Dit geldt meer in het bijzonder voor het vocale aandeel, waarbij binnen de strikt polyfone en 'stile antico' georiënteerde secties de solistische aanpak domineert en tijdens de flitsende homofone en door instrumentale tutti (pauken en trompetten!) omlijste episodes een echte koorklank ontstaat, mede door de versterking van de vijf ripieno-stemmen. Als Mortensens benadering me ergens aan doet denken, is het wel de schitterende en eveneens solistisch bezette grandioze Matthäus-uitvoering van de Nieuwe Philharmonie Utrecht onder leiding van Johannes Leertouwer van dit jaar (klik hier voor de recensie).

Wonder
En dan de leden van het vocale team die de crème de la crème uitmaken van de barokke- en oude muziek-uitvoeringspraktijk, want niet alleen de 'concertisten', ook de 'repienisten' zijn van de bovenste plank, waarbij sommige van laatstgenoemde groep bovendien ook deel uitmaken van Paul Hilliers 'Theatre of voices' en de Tallis Scholars. Goede wijn behoeft dus geen krans! Neem het 'Christe Eleison' dat door Maria Keohane (bekend van menige spraakmakende opname onder Philippe Pierlot, waaronder een van de beste Johannes-opnames ooit!) en Joanne Lunn uitmuntend wordt gezongen; wat een wonder van souplesse en uitgebalanceerdheid passeert hier de revue . Of neem het tot het bot doorleefde 'Agnus Dei' met een glansrol voor Alex Potter, dan wel het nobele ' Et in spiritum sanctum' waarin Peter Harvey met een schitterend 'sotto voce' excelleert. Een verhaal apart in deze opname is het 'Laudamus te' van Joanne Lunn, mede ook vanwege de schitterende instrumentale ambiance. Wat de aria's in hun algemeenheid betreft, wordt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, wanneer er strijkers opereren, van een enkelvoudige bezetting gebruik gemaakt. Het feit dat dit mogelijk is, bewijst nog eens het exemplarische hoge niveau van de instrumentalisten van het Concerto Copenhagen. Rest nog te melden dat Mortensen het geheel vanachter het door hemzelf bespeelde continuo-orgel aanvuurt, dus op een vergelijkbare wijze zoals we dit van Ton Koopman gewend zijn. Een geduchte aanrader dus, deze schitterend klinkende dubbelaar!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links