CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, oktober 2020

Hans Rosbaud conducts Mahler

Mahler: Symfonie nr. 1 in D - nr. 4 in G (met Eva-Maria Rogner) - nr. 5 in cis - nr. 6 in a - nr. 7 in e - nr. 9 in D - Das Lied von der Erde (met Ernst Haefliger, Grace Hoffman)

Kölner Rundfunk Sinfonie-Orchester (Symfonie nr. 5) en Südwestfunk-Orchester Baden-Baden (overige werken) o.l.v. Hans Rosbaud
SWR 19099 (8 cd's)
Opname: 1951-1961, Keulen en Baden-Baden (Studio 5 des SWF – Hans Rosbaud Studio SWF)

Zie ook: Hans Rosbaud als Mahler-dirigent

   

Hans Rosbaud (1895-1962) zou zijn reputatie hebben verafschuwd. Hij stond te boek als een moderne muziekspecialist (begrijpelijk, want hij dirigeerde dit repertoire graag, vaak, goed en als een der weinigen in zijn tijd), maar voelde zich een generalist die even vaak, graag en goed de klassieken en romantici dirigeerde als velen in zijn tijd. Daarnaast hield hij niet van hokjesgeest en programmeerde hij het moderne en het oudere repertoire ook op één programma – en in elk goed programma leidt een zinvolle combinatie van beide soorten muziek op één programma tot nieuwe inzichten in beide en geldt de regel 1 + 1 = 3. Dergelijke programma's waren een tijdlang (zo tussen 1990 en 2020) moeilijker denkbaar omdat moderne muziek moeilijker denkbaar was in de concertzaal. Gelukkig trekken jonge musici zich meer en meer van die hokjesgeest weinig aan en een welkome eerste stap richting een boeiende ontmoeting van stijlen is kijken naar voorbeelden uit de oude doos, zoals het beleid van het Concertgebouworkest en het Residentie Orkest uit de jaren zestig. Rosbaud (hoewel hij van dit beleid slechts korte tijd meemaakte) was in deze cultuurpolitiek een sleutelfiguur en daarom is het zeer toe te juichen dat van Rosbaud op SWR opnamen van hem verschijnen in muziek van voor 1900. De afgelopen jaren kwamen boxen en enkele cd's uit gewijd aan Haydn, Mozart, Beethoven, Chopin, Mendelssohn, Schumann, Wagner, Bruckner en Tsjaikovski (diverse zijn op deze site besproken), die een prachtige aanvulling zijn op eerdere cd's met Strauss, Schönberg, Sibelius, Debussy, Ravel (Rosbaud was in zijn tijd een van de weinige Duitse musici die overweg kon met Franse muziek) en recentere componisten.

De nieuwe SWR-box in deze serie met ditmaal Mahler is bovendien de moeite waard omdat Mahler, in de jaren dat deze opnamen ontstonden, nog lang niet de populariteit had die zijn muziek nu heeft. Rosbaud hoorde tot het type dat trouw aan de partituur moeiteloos kon verenigen met een sterk karakter en was geen man voor bijzondere en extra aangezette dramatische momenten. Zijn grootste troeven waren transparantie, greep op de lange lijn, gevoel voor proportie, besef van de plaats van een detail in het geheel, energie door continuïteit in de puls en klank als onderdeel van de structuur. In het geval van Mahler betekent dat, dat hij Mahler niet zag als hyperromanticus maar als een componist die met soms klassieke middelen een soms modern effect wist te bereiken. Ook op de meest uitgelaten momenten, zoals in de finale van de Zesde en Zevende en het Rondo-Burleske uit de Negende, heeft hij vaak aan kleine dynamische accenten voldoende om een sterk dramatisch effect te bereiken. Zijn klank is wel groots en expansief, veel meer dan bij Wagner en Brahms, maar hij stelt die nooit voorop. De confrontatie tussen dramatische kracht en ritmische continuïteit maakt zijn uitvoeringen zo sterk. Naar verluidt wist hij Pierre Boulez, die in de jaren vijftig nog maar weinig kende van Mahler, tot deze componist te brengen door Boulez te laten kennismaken met Mahlers Negende symfonie, een van Mahlers meest expressionistische werken (expressionisme is ook cruciaal voor muziek van de componisten van de Tweede Weense School, met wie Boulez veel had). Rosbaud had succes en in de jaren daarop dirigeerde Boulez van Mahler vooral de Negende en de instrumentale symfonieën uit Mahlers ‘middenperiode' (de Vijfde, Zesde en Zevende) en minder de Tweede, Derde en Achtste waarin een extravert en sentimenteel pathos zeer dominant is. Dat pathos is ook bij Rosbaud afwezig. Het Adagietto uit de Vijfde doet hij tamelijk vlot (8.53), als ware het een lied zonder tekst, en het Abschied van Das Lied von der Erde is zowel bewogen als zeer doorzichtig van contrapunt en kamermuzikaal van klank. Omdat Rosbaud een meester was van een vloeibare puls staat gevoel voor tempo bij hem los van tempo. Hij heeft een voorkeur voor redelijk vlotte tempo, bijvoorbeeld in de hoekdelen van de Negende, en er is altijd overzicht en beweging. Zijn expressie lijkt eerder geobjectiveerd wat in de box goed merkbaar is in zijn opname van Das Lied von der Erde. Bij die objectivering past ook de keuze van de solisten: geen podiumdieren die graag de aandacht naar zichzelf trekken. Ze zingen absoluut niet ingehouden, maar hun kracht ligt net als bij Rosbaud in de strijd of beter balans tussen dramatiek en precisie. Net als de dirigent zoeken ze de expressie niet in theatrale gebaren zoals Mengelberg en Bernstein soms deden maar in klank en ritmische gedrevenheid zoals in zijn tijd Szell en Van Beinum en in de latere jaren vooral Haitink en Boulez.

Deze box bevat voor zover ik weet vrijwel alle opnamen van Rosbaud met Mahler. Van de Zevende bestaan twee uitvoeringen onder Rosbaud en de samenstellers van de box kozen gelukkig voor de tweede die veel beter is dan de eerste. Van zijn uitvoeringen van de Tweede en de Derde, direct na de oorlog met Duitse orkesten, bestaan helaas geen opnamen, evenmin als van Das Klagende Lied dat hij in januari 1961 dirigeerde bij het Concertgebouworkest (met op hetzelfde programma voor de pauze Schuberts Vierde symfonie en Bergs Drie orkeststukken, over boeiend programmeren gesproken). De Achtste, Tiende en de korte liederencycli heeft hij niet uitgevoerd.

Aantrekkelijk naast het bijna-complete is dat de geluidsweergave veel beter is dan in eerdere verdoekingen, zeker dan mijn oude lp met Das Lied von der Erde. De klank is in deze weergave weliswaar directer, maar Rosbauds omgang met het orkest blijft dezelfde. Ook al verandert in Mahlers muziek het klankbeeld om de paar maten, voor Rosbaud staan de continuïteit en architectuur voorop. Hij was geen man voor de hedendaagse praktijk (zeker bij dvd's) om de symfonieën zowat te behandelen als concerti grossi waarbij de symfonie ontaardt tot een vertoon van fragmenten voor de leden van het orkest. Rosbauds kracht lag in het geheel waarvan hij het moderne en klassieke perfect in balans wist te brengen. Zoiets doet je wensen dat in archieven opnamen van Rosbaud zitten die we nog niet kennen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links