CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2013

 

Verdi: Messa da Requiem

Anja Harteros (sopraan), Elina Garanca (mezzosopraan), Jonas Kaufmann (tenor), René Pape (bas), Coro ed Orchestra del Teatro alla Scala o.l.v. Daniel Barenboim

Decca 478 5245 • 86' • (2 cd's)

Live-opname: 27 en 28 augustus 2012, Teatro alla Scala, Milaan

(Ook verkrijgbaar op dvd en Blu-ray)

   

Wie had kunnen denken dat Daniel Barenboim, een formidabele pianist maar slechts zelden als dirigent mijn eerste keus, met een uitvoering komt die zich met de beste in de catalogus kan meten? We kennen weliswaar zijn bepaald niet matige live-uitvoering in 1993 met het Chicago Symphony Orchestra en Alessandra Marc, Waltraud Meier, Plácido Domingo en Ferruccio Furlanetto, maar dat hij die nog dusdanig zou weten te overtreffen? Waar nog bijkomt dat de opnametechnici van Decca in de Scala een meesterstuk hebben geleverd: dit is een opname die demonstratiekwaliteit uitstraalt en veel audio-apparatuur behoorlijk in verlegenheid kan brengen. De droge, op goede verstaanbaarheid gerichte akoestiek van de Scala kennende zal er ongetwijfeld wel een portie galm over de oorspronkelijke opname zijn gezet. Tegenover deze duidelijke pre een kleine kanttekening: de tekst van de mezzo is misschien daardoor iets minder goed te volgen.

Of het er iets mee te maken heeft weet ik niet, maar het is wel treffend dat het koor en orkest van de Scala in deze uitvoering als het ware uit een 'natuurlijke bron' lijkt te putten. Alsof een lange traditie wordt doorgetrokken die begon op 25 mei 1874, toen het werk in de Scala zijn eerste uitvoering beleefde, drie dagen na de première in de vlakbij gelegen San Marco. Het is uiteraard een gevoel en geen zekerheid, want terugluisteren kunnen we het niet.

Treffend is dat Barenboim de piano- en pianissimo-passages (en dat zijn er in dit werk heel wat) uiterst genuanceerd heeft uitgewerkt, de grote spanningslijnen daarbij echter niet uit het oog verliezend. Het pakt bijzonder goed uit, de differentiatie is optimaal en daar waar het aankomt op klankvolume blijft het klankbeeld tot in detail overeind. Luid spelen levert bij menig ensemble vaak geen nobele toon (meer) op, maar dat is hier gelukkig anders. Het Dies irae, zowel muzikaal als opnametechnisch altijd weer een toetssteen, staat van begin tot eind als een huis. Zelfs in de complexe polyfonie blijft de textuur transparant, wat het spectaculaire karakter nog eens ondubbelzinnig onderstreept. Het scherp gestoken koper doet er qua spelcultuur in het Tuba mirum nog een schepje bovenop. Het algemene beeld is dat van een topensemble dat ons in de meest letterlijke zin alle hoeken van de partituur laat zien.

Het lag voor de hand dat Barenboim orkestraal dezelfde koers zou volgen als in Chicago in 1993, maar de orkestklank is wel degelijk leniger geworden, de houtblazers staan mooier in de ruimte en klinken desondanks toch pregnanter, de tutti zijn meer geciseleerd en de instrumentale soli bezitten een warmte die weldadig aandoet. Indrukwekkend hoe goed de orkestrale balans is geslaagd en hoe goed die is ingebed in het geheel. Menigmaal doemt de klank op uit de met muziek geladen stilte. Dat Barenboim niet de dirigent is van het 'onmerkbare rubato', vergeef ik hem graag bij zo'n sterkte ritmische puls. Het is een en al kinetische energie die het gehele ensemble in zijn greep heeft. Zozeer zelfs dat de essentiële samenhang tussen solisten, koor en orkest een enkele maal bijna uit de hand dreigt te lopen. Het is duidelijk dat Barenboim dan doorpakt, de de spanningen stevig laat oplopen, daarbij opterend voor de hoogste graad van polyfone expressie, met overweldigend effect.
Over sommige van zijn tempi zullen de meningen ongetwijfeld verschillen, maar ik vind ze ideaal, met als schoolvoorbeelden van perfecte timing het Lacrimosa, Hostias, Agnus Dei en Libera me, dat in een onaardse sfeer van kalmte en vrede uitklinkt. Het is een kwestie van de tijd werkelijke de tijd te laten, in alle rust op te bouwen en de aldus eenmaal gevonden lijn vaste houden en uiteindelijk te ontspannen. Een ander punt zijn de versnellingen en vertragingen die op door Barenboim als zodanig bestempelde kernpunten hun dramatisch-expressieve uitwerking hebben. Wie zich de vraag wil stellen of hier effect of affect wordt nagestreefd: ik kies voor het laatste, al zijn een aantal van die momenten in de partituur niet terug te vinden. De eerlijkheid gebiedt echter dat bijvoorbeeld Papano en Karajan, maar ook Toscanini, Serafin en De Sabata expressieve flexibiliteit in het werk invlochten.

De sopraan Anja Harteros en de bas René Pape kennen we al van een eerder opname onder Antonio Pappano voor EMI en eveneens met een Italiaans koor en orkest, op deze site besproken door Paul Korenhof, (klik hier). Ook in deze nieuwe Decca-opname bevestigen ze nog eens dat ze tot de allergrootsten behoren. Harteros en Elina Garanca vormen een droomteam. Kaufmanns soms overdreven expressie is niet geheel mijn cup of tea: het is ten slotte een dodenmis en geen opera, maar het valt niet mee om de ogen droog te houden na zijn Quid sum miser.

De slotconclusie kan helder zijn; expressief tot de bodem gaande, met vier operasterren uit het topsegment, een fabuleus zingend koor en een al even fenomenaal spelend orkest met aan het roer een uiterst bezielde Barenboim en we krijgen wat we daarvan mogen verwachten: een van de allermooiste Verdi-Requiems van de laatste jaren. Wie deze uitvoering met die onder Papano op Spotify wil vergelijken hoeft slechts hier te klikken. Daar straalt ook de schoonheid en de noblesse vanaf, maar ik houd een lichte voorkeur voor Barenboim en zijn team.

Barenboim heeft met dit Verdi-Requiem een visitekaartje afgegeven dat er zijn mag. Inmiddels zeventig jaar heeft hij te kennen gegeven dat hj de tijd gekomen acht om de leiding van de Scala begin 2015 - twee jaar eerder dan contractueel was overeengekomen - uit handen te geven. Het besluit wordt in Milaan gezien als het 'einde van een tijdperk'.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links