CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2017

 

Vaughan Williams: Symfonie nr. 3 in A (A Pastoral Symphony) - nr. 4 in f

Royal liverpool Philharmonic Orchestra o.l.v. Andrew Manze m.m.v. Andrew Staples (tenor) en Rhys Owens (natuurtrompet)

Onyx Classics 4161 • 69' •

Opname: mei 2016, Liverpool Philharmonic Hall, Liverpool (VK)

   

Een paar weken geleden hoorde ik in de Doelen een verpletterende uitvoering van de Vierde symfonie. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest speelde toen onder zijn gastdirigent Sir Mark Elder alsof het eigen leven er vanaf hing. Een bloedstollende ervaring. Alvorens de opmaat werd gegeven hield Elder een kort praatje dat er kort samengevat op neerkwam dat het werk uiterlijk dan misschien wel de kenmerken had van een 'oorlogssymfonie', maar dat Vaughan Williams dat tijdens het componeren echt niet op zijn netvlies had. Maar dat desondanks toch dat aureool rond het werk is blijven hangen. Misschien ten overvloede: de ontstaansdatum wijst ook niet in die richting: de eerste schetsen dateren immers van 1931, maar liefst dertien jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, met de nog verwoestender Tweede nog acht jaar daarvan verwijderd. Hoogstens zou kunnen worden beweerd dat er ‘onrustige' sporen uit het interbellum in de symfonie zijn ingeslopen, maar dit verklaart dan nog niet het karakter van deze Vierde symfonie als regelrechte en bijna onbedwingbare ‘pressure cooker'. Elder kreeg de lachers duidelijk op zijn hand met zijn afsluitende “So fasten your seat belts!”

Natuurlijk, in een oogwenk wordt duidelijk dat dit sterk ‘combative music' is, een concept dat ook in Vaughan Williams' grote collega en tijdgenoot William Walton in de beste handen was. Diens Eerste symfonie (1934) getuigt ervan, zij het veel minder scherp langs de afgrond dan die Vierde van Vaughan Williams. En om het beeld dan helemaal compleet te maken: er zijn ook nog de 'vechtlustige' Zesde van Arnold Bax (1935) en de Eerste van Edmund Rubbra (1937), maar dat maakt ze nog niet tot 'oorlogssymfonieën'. Hoewel het, wat die Vierde betreft, wel treffend is dat de luisteraar zich herhaaldelijk in de ‘wereld' van Dmitri Sjostakovitsj meent te wanen. Zij het vluchtig; en gelukkig maar, want we waarderen als muziekminnaars de oorspronkelijkheid van onze toondichters. Minder vluchtig zijn de gemakkelijk te herkennen verwijzingen naar Beethovens Vijfde, waarvan de spanningsgeladen transitie in het scherzo met attacca de exploderende jubelfinale als inspiratiebron heeft gediend.

Een groter contrast tussen de Vierde en de Derde symfonie is ondenkbaar. Waar in de Vierde een smeulende veenbrand in no time aanwakkert tot een alles verzengend vuur en rondpompende syncopische ritmes en luidkeels briesende koperfanfares het einde van de wereld lijken te voorspellen (‘Mars' van Gustav Holst is er soms niets bij), staat in de Derde de pastorale idylle in het middelpunt; en dat terwijl het werk direct na de Eerste Wereldoorlog werd gecomponeerd. Alsof de componist daarmee wilde uitdrukken: weg van het verschrikkelijke oorlogsgeweld, weg van de slachtvelden, weg van de ophitsende oorlogsretoriek, maar terug naar de schoonheid, naar het pittoreske beeld van een nog in dromen verkerend platteland. Het is ook een beeld dat tot in de finale wordt volgehouden. Zo bezien lijkt de door Onyx gebruikte hoesfoto misplaatst: een regelrecht oorlogstafereel, een gewonde die wordt weggedragen.
Maar in tegenstelling tot de Vierde is de in 1914 begonnen Derde wel degelijk een oorlogssymfonie, al is er dan geen sprake van ook maar enig wapengekletter. Vaughan Williams zei er zelf over: “It's really wartime music, a great deal of it incubated when I used to go up night after night with the ambulance wagon at Écoives and we went up a steep hill and there was a wonderful Corot-like landscape with sunset—it's not really lambkins frisking at all as most people take for granted." Hier weer een sprekend voorbeeld van ‘dat het niet is wat het lijkt'.

Men mag zeggen dat – volmaakt ingebed in een rijke uitvoeringstraditie – de muziek van Vaughan Williams veel en graag in Engeland wordt uitgevoerd en dat er – hoe kan het anders – veel geslaagde opnamen van bestaan. Buiten Engeland liggen Engelse componisten 'wat lastiger', maar ik besprak nog vorige maand een erg geslaagde 'Job' in combinatie met de Negende symfonie, uit het Noorse Bergen met dirigent Andrew Davis (klik hier voor de bespreking).

De uitvoeringen onder ‘newcomer' Andrew Manze (ook Mark Elder heeft met het Hallé Orchestra alle negen symfonieën alsmede een aantal losse orkestwerken op het oog, zo werd mij bericht) kunnen het zeker opnemen tegen de ‘gesettelde' uitvoeringen onder Adrian Boult, André Previn, Roger Norrington, Vernon Handley en Richard Hickox, naast de geweldig uitpakkende Bernard Haitink en de helaas wat in de luwte gebleven uitvoeringen van het Bournemouth Symphony onder Kees Bakels. Een keus zou ik niet zo gemakkelijk kunnen maken, zelfs niet met het spreekwoordelijke pistool op de borst (al vind ik die onder Norrington en Previn eigenlijk nog de minste van het stel). Of het zou het voordeel van de modernste opname moeten zijn, al moet het effect daarvan niet worden overdreven. Sinds de jaren zeventig is het slechts marginaal beter geworden en door al dat overdreven multitrack soms zelfs slechter. Dat Manze in de Derde koos voor de tenor is niet ‘volgens het boekje' (dat is de sopraan), maar Andrew Stapels weet er uitstekend raad mee. Wat overigens ook geldt voor Rhys Owens die de natuurtrompet in het tweede deel met groot expressief gezag bespeelt. Terwijl ze in Liverpool deksels goed weten hoe Vaughan Williams' orkestwerken moeten klinken. Kortom, een bijzonder aantrekkelijke uitgave. De cd met de Tweede en Achtste symfonie is onderweg en zal dus ook worden besproken. Wie niet langer kan wachten en ze alle negen in absolute topuitvoeringen en uitstekende opnamen wil hebben, verwijs ik graag naar de Warner-uitgave met Bernard Haitink als de volmaakte pleitbezorger. Ze staan overigens op Spotify.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links