CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2017

 

Vaughan Williams: Job - Symfonie nr. 9

Bergen Philharmonic Orchestra o.l.v. Andrew Davis

Chandos CHSA 5180 • 78' • (sacd)

Opname: mei 2016, Grieghallen & Domkirken (Rieger-orgel), Bergen (Noorwegen)

https://nl.pinterest.com/jo5541/book-of-job-william-blake/

   

Ralph Vaughan Williams (1872-1958) kende uiteraard het bijbelboek Job, waarin de beproeving centraal staat. Maar het is slechts een aspect van het verhaal, waaraan doorgaans allerlei theosofische overwegingen aan vast worden geknoopt. Een ervan behelst de vraag (en het mogelijke antwoord daarop) waarom God het menselijk lijden heeft toegelaten, en waarom we ons in een wereld bevinden waarin zoveel onrecht over degenen wordt uitgestrooid die in onschuld leven, terwijl zij die de meest gruwelijke wandaden op hun conto hebben geen haar wordt gekrenkt.

Job ging door een hel op aarde. Hij verloor zijn vee en zijn tien zonen en dochters in een vreselijke storm. Tot overmaat van ramp werd Job ook nog eens zwaar ziek. Zijn vrouw riep Job op om God te vervloeken. Vervolgens maakten drie vrienden van Job hun opwachting. Zij schreven Jobs ellende toe aan diens slechtheid. Dat Job onder de meest barre omstandigheden uiteindelijk toch standvastig bleef in zijn geloof jegens en vertrouwen in God bracht ten slotte weldaad: God zegende Job, genas hem en voorzag hem niet alleen van tien 'nieuwe' kinderen, maar ook nog van een veestapel die veel groter was dan de vorige. Zo ongeveer eind goed al goed.

Zoals in veel bijbelverhalen ontkomen we ook in het boek van Job niet aan verschillende uitleg. Zo is er de exegese dat de satan die Job het leven zo zuur maakt niet dezelfde is als de satan uit het Tweede Testament. Waar alle geleerden het wel over eens zijn is de herkomst van het woord ‘satan': uit het Hebreeuwse ‘ha-satan' ofwel tegenstander. Dit is een belangrijk element in het bijbelverhaal, maar het begrip ‘tegenstander' dekt de lading toch niet. De pogingen om Jobs ondergang teweeg te brengen vormen geen doel op zich, maar slechts een ‘middel' om Jobs vertrouwen in God te doen verliezen. Als de ellende maar groot genoeg is (gemaakt) gebeurt dat vanzelf wel, zo is de achterliggende gedachte. Daarmee fungeert het verhaal tevens als een metafoor die duidelijk moet maken dat de mens God alleen uit eigen belang met zijn liefde bedekt. En dat God door ondervinding zelf moet inzien dat het zo is. Daarmee staat het kwaad niet op zichzelf, maar ten dienste van iets anders, van iets dat groter is dan dat.

 
 
William Blake 1757-1827)

Scenario
Vaughan Williams kreeg in 1927 het verzoek om balletmuziek te componeren. Het werd ‘Job, a Masque for Dancing' (de componist had een hekel aan het woord ‘ballet', maar of het begrip ‘masque' wel of niet van toepassing is wordt nog steeds getwist), met als belangrijkste inspiratiebron William Blake's ‘Illustrations of the Book of Job' uit 1825, een uitgave waarin eenentwintig gravures zijn opgenomen waarin het verhaal van Job wordt uitgebeeld. Het scenario voor het ballet (want dat was het) werd uitgewerkt door de bedenker ervan, de chirurg en Blake-expert Geoffrey Keynes (1887-1982). Maar er was nog een andere bijzondere inspiratiebron: ‘Blake's Vision on the Book of Job' van de hand van Joseph Wicksteed, gepubliceerd in 1910, met daarin de oorspronkelijke prenten.

In 1978 schreef Keynes:

During the 1920s, it seemed to me that the pictures were asking for the chance to be put into motion. In all the engravings Blake's attitude was so characteristic and so striking, they seemed to want to move from the page onto the stage. The difficulty was to reduce them to a form which would work on the stage – they were ready for the stage but they had to be re-thought.

 
 
Geoffrey Keynes in 1953

Voor de toneelbeelden betrok Keynes zijn schoonzus, Gwen Raverat, bij het project. In de loop van 1927 kreeg het geleidelijk aan vastere vorm. Vaughan Williams leek de ideale kandidaat voor de muziek. Niet alleen was hij een neef van Raverat, maar samen met Gustav Holst had Vaughan Williams al eerder naar een scenario gezocht dat geschikt was voor een ballet in typisch Engelse stijl. Hij had een broertje dood had aan de zozeer in zwang zijnde, klassieke ‘en pointe' balletstijl. In die tijd zocht hij juist naar een stijl die was gestoeld op de typisch Engelse folkloristische tradities, daarin vooral gestimuleerd door Cecil Sharpe's choreografie voor een ‘Mid Summer Night's Dream' uit 1914, maar ook door ‘The two sisters', een opera van Cyrill Rootham, voor het eerst uitgevoerd in Cambridge in 1922, met daarin ondermeer een uitgebreide balletscène op Engelse volksdansen.

Engelse folklore
Toen Vaughan Williams voor ‘Job' werd benaderd, had hij al balletmuziek op basis van Engelse volksmuziek geschreven: ‘King Cole' in 1923 en ‘On Christmas Night' in 1926. Hij kwam voor ‘Job' dus welbeslagen ten ijs, maar wilde ditmaal aansluiten bij de ‘masque' traditie zoals die in de Tudor-periode was ontstaan. Daarbij lag de nadruk op tableauachtige scènes, dansen en mime. Om de muzikale band met dat verre verleden verder nog te versterken nam hij in het werk een aantal zeventiende-eeuwse hofdansen op, waaronder een heuse sarabande, pavane en galliard.

 
 
Ralph en Adeline Vaughan Williams

Dat Vaughan Williams in zijn opzet was geslaagd bleek al spoedig en kwam uit onverwachte hoek. Keynes had voor het ballet Diaghilev benaderd, maar die zag er niets in. Zijn kwalificatie liet niets aan onduidelijkheid over: te Engels en te ouderwets. Vaughan Williams toonde zich … opgelucht. Het waren de dames Ninette de Valois en Lillian Baylis die de nobele taak op zich namen om de gehele choreografie verder uit te werken en toneelrijp te maken. Met steun van niemand minder dan de beroemde econoom John Maynard Keynes, de broer van Geoffrey, was het de Camargo Society die voor de eerste balletuitvoering tekende, in 1931 in het Londense Cambridge Theatre. Maar niet nadat Constant Lambert in Vaughan Williams' oorspronkelijke partituur voor de gelegenheid had aangepast. De volledige partituurversie had echter op 23 oktober 1930 al geklonken tijdens het Norwich Festival, door het Queen's Hall Orchestra, dat bij die gelegenheid werd geleid door de componist. Het werk werd opgedragen aan een van Vaughan Williams' naaste vrienden, de dirigent Adrian Boult. In 1931 vervaardigde Vally Lasker een pianoversie.

Negende symfonie
Vaughan Williams componeerde zijn Negende en daarmee tevens laatste symfonie tussen begin 1956 en november 1957. Daarmee gaf ook hij voedsel aan wat Arnold Schönberg in 1913 had opgemerkt naar aanleiding van Mahlers Tiende symfonie:

Es scheint, die Neunte ist eine Grenze. Wer darüber hinaus will, muß fort. Es sieht so aus, als ob uns in der Zehnten etwas gesagt werden könnte, was wir noch nicht wissen sollen, wofür wir noch nicht reif sind.

We kennen de voorbeelden die een eventueel bijgeloof een grote dienst bewijzen: Beethovens, Dvoráks, Schuberts, Bruckners, Vaughan Williams' Negende. Maar misschien is het het toeval dat in dit geval de grootste dienst bewijst. Vaughan Williams droeg het werk op aan de Royal Philharmonic Society, het instituut wiens voornaamste doel het was ‘to promote the performance, in the most perfect manner possible of the best and most approved instrumental music'. Het was deze ‘Society' die Beethoven de opdracht had gegeven voor een nieuwe symfonie. Dat werd de … Negende. Zou toeval toch niet bestaan?

Toen Vaughan Williams de symfonie voltooide was hij al 85. Het opus werd voor het eerst uitgevoerd op 2 april 1958, onder leiding van Sir Malcolm Sargent. In de Negende vinden we terug wat de Achtste al zo bijzonder had gemaakt: de ongebruikelijke instrumentatie, met in dit geval een uiterst kleurrijke rol voor drie saxofoons en een flugelhorn. Een belangrijke inspiratiebron voor Vaughan Williams was het landschap van Wessex (het openingsdeel stond oorspronkelijk als ‘Wessex Prelude' te boek, de finale als ‘Landscape') en een roman van Thomas Hardy, ‘Tess of d'Urbervilles'.

Uitvoering
Met deze nieuwe verklankingen door het filharmonisch orkest van Bergen onder Sir Andrew Davis zijn we prompt in de topklasse beland. Voor alle duidelijkheid: dat geldt zowel voor ‘Job' als voor de Negende symfonie. Maar 'surround' wil ook wat. De angstwekkende exploraties in ‘Job', ondersteund door het diepe orgel (men proeve de ‘Dance of Job's Comforters'), heb ik nog niet eerder zo realistisch uit de luidsprekers horen komen. De Negende heeft ondanks het overwegend pastorale karakter wel degelijk een diep ernstige ondertoon die zich zowel uit in puur explosieve kracht als in tedere lyriek (zoals de weke klank van de flugelhorn in het langzame deel). Het verhaal rond die flugelhorn is overigens best bijzonder. Vaughan Williams maakte in 1957 een vakantietrip naar Duitsland en Oostenrijk. In een boot op de Königsee stopte de booteigenaar plotsklaps de motor en haalde een flugelhorn tevoorschijn. Hij begon te spelen en de melodie weerkaatste tegen de bergen. Vaughan Williams zou toen hebben gezegd: “I shall put that in my symphony.”

Hoewel Andrew Davis al medio jaren negentig voor Warner de Negende opnam, samen met de overige acht, zijn er ondanks de inmiddels verlopen twee decennia weinig interpretatieve verschillen aan te wijzen. Het grote winstpunt is echter de veel betere Chandos-opname die zelfs demonstratiekwaliteit bezit. Dat geldt in het bijzonder voor de schitterende registratie van ‘Job'. De 'overloop' van het in de Domkirken in Bergen gepositioneerde orgel naar het orkest in de Grieghallen is meesterlijk gelukt. Keurig is ook dat in het cd-boekje alle registers van het Rieger-orgel (1997) zijn opgenomen. Kortom, een zeer geslaagde uitgave!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links