CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2019

Tsjaikovski: Pianotrio in a, op. 50

Dvorák: Pianotrio nr. 3 in f, op. 65

Lahav Shani (piano), Renaud Capuçon (viool), Kian Soltani (cello)
Warner 0190295525415 • 79' •
Live-opname: 5 april 2018, Conservatoire Darius Milhaud, Aix-en-Provence (F)

   

Deze recensie gaat dan wel over een van de puurste vormen van de kamermuziek, het pianotrio, maar eerst iets over een bijzonder fenomeen dat zich in ruimte mate heeft aangediend: een jonge dirigentengeneratie die – en wie hoopt dat niet? – nieuwe impulsen kan geven aan het al lang en breed ingedommelde klassieke-muziekbedrijf, dat weliswaar nog steeds veel te bieden heeft, maar dat hopeloos tekortschiet in de zo noodzakelijke vernieuwingsdrang. Sommige orkestdirecteuren en hun programmeurs denken dat ze dat probleem kunnen oplossen door oude wijn in nieuwe zakken te doen, maar de dag is niet ver meer dat ook zij zullen inzien dat er veel meer voor nodig is om het concertleven ook in de toekomst een volwaardige plaats in onze samenleving te blijven geven. Op basis van de huidige, alom gekoesterde, maar volstrekt achterhaalde museale functie zal dat zeker niet lukken.

De jonge generatie dirigenten kan in dat vernieuwingsproces een belangrijke zo niet doorslaggevende rol vervullen, al moet worden gezegd dat het er vooralsnog alle schijn van heeft dat deze ‘new kids on the block' hun tijd en energie voorlopig nog steken in het diepgaand verkennen van dat traditionele repertoire. Menigeen zal daarbij misschien de gedachte koesteren dat daarmee twee vliegen in een klap worden geslagen, maar dat staat nog te bezien, want ook een jonge, zeer talentvolle dirigent is niet per definitie in staat om op die manier jong en nieuw publiek aan te trekken.

Wanneer gaat het beeld van dat traditionele programmeren echt kantelen? Pas als het publiek het geleidelijk aan meer en meer laat afweten. Dan zal het besef doordringen dat het anders moet en dat het anders kan (wie de moeite neemt om Klinkende Alchemie van Maarten Brandt te lezen, zo ongeveer het standaardwerk op het gebied van vooruitstrevend programmeren, ziet alras de vele fascinerende wegen die naar dit klinkende doel leiden). Misschien vormt die jonge dirigentengeneratie daarbij wel het belangrijkste opstappunt, of anders wel de eerste belangrijke halte op de weg naar een zich vernieuwend en dus boeiend en vooral ook bruisend concertleven.

Gisteren werd de benoeming bekend van de pas 29-jarige Zwitser Lorenzo Viotti tot chefdirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest en De Nationale Opera (klik hier). Hij volgt met ingang van het seizoen 2021-22 in die functie Marc Albrecht op. Interessant is ook dat Viotti slechts eenmaal eerder het NedPho heeft gedirigeerd en zelfs nog nooit bij DNO is aangetreden! Niet dat dit op zich uniek is, want ook Lahav Shani was pas 29 toen de benoeming tot chef van het Rotterdams Philharmonisch hem – vrijwel net zo supersnel - in de schoot viel. Een al te grote gok zal het niet zijn geweest, want de benoemingscommissie kent natuurlijk de wapenfeiten van de kandidaten en men weet natuurlijk heus wel welk vlees men in de kuip heeft. Maar al snelde hun reputatie hen dan ongetwijfeld deels vooruit, de teneur is toch wel dat een jonge chef nieuwe mogelijkheden biedt. Een ander sprekend voorbeeld van de oprukkende jonge garde is de 28-jarige Brit Benjamin Goodson, die volgend jaar aantreedt als nieuwe chef van het Groot Omroepkoor. Maar laat ik ook de Amerikaanse Karina Canellakis niet vergeten. Zij is weliswaar 'al' 37, maar wel de eerste vrouwelijke chefdirigent die in ons land haar opwachting maakt, en niet bepaald bij het minste orkest: het Radio Filharmonisch.

Verjonging betekent ongetwijfeld tevens het afscheid van de net zo traditioneel ingeburgerde maestrodictatuur, waarvoor in de huidige tijd feitelijk geen plaats meer is. Van de nieuwe dirigentengeneratie wordt verwacht dat in letterlijke zin wordt samengewerkt en opgetrokken met de orkestmusici, hen tot in hun vezels inspireert en daarbij voortdurend naar nieuwe wegen zoekt, zowel vanuit het perspectief van de interpretatie als van de programmering. Dat vooral dat laatste niet zonder slag of stoot zal gaan mag dan helder zijn, de noodzaak ervan wordt niet meer heftig bestreden of domweg ontkend.

Het werkt ook in beide richtingen. De Canadees Yannick Nézet-Séguin is dankzij het Rotterdams Philharmonisch en zijn eigen talent uitgegroeid tot een dirigent van wereldklasse die met gelijke munt is terugbetaald: hij behoort inmiddels tot de best betaalde en meest gevraagde orkestleiders. Het heeft er alle schijn van dat zijn opvolger, Lahav Shani, diezelfde weg opgaat. Waarbij Shani op eén punt zelfs nog meer te bieden heeft: hij is niet alleen een uitmuntende dirigent, maar ook een groot (concert)pianist. Want vergist u zich niet: het speelt in zijn uppie net zo goed Moesorgski's Schilderijententoonstelling of een sonate van Prokofjev als met ‘zijn' orkest een Mahler-symfonie. Wat tevens betekent dat hij op het podium, als de gelegenheid zich voordoet, een dubbelrol kan vervullen: die van dirigent én pianist. Wat we tot heden daarvan hebben gezien en gehoord is op zijn minst opzienbarend, zo niet spectaculair gebleken. Wat dit betreft is de overeenkomst met zijn vroegere leermeester Daniel Barenboim bijzonder treffend. Maar er is, wat Shani betreft, zelfs nog meer: hij kan ook op de contrabas uitstekend overweg (in die rol is de Israëlïer bij Barenboims West-Eastern Divan Orchestra een graag geziene gast) en hij kan ook componeren. Zijn grote veelzijdigheid is dus een uitgesproken pre, wat ook in dit nieuwe album met glans wordt weerspiegeld, want samen met de Franse topviolist Renaud Capuçon en de Oostenrijkse topcellist Kian Soltani (net als Shani met zijn slechts 26 levensjaren nog een ‘jonge god') worden deze beide pianotrio's van Tsjaikovski en Dvorák met ware meesterhand vertolkt, live vanaf het podium van het bekende paasfestival in het Franse Aix-en-Provence. Een gelegenheidstrio, maar wat voor een! Of er achteraf vanachter de montagetafel nog is ingegrepen weet ik niet ('mixing and editing' worden wel in het boekje vermeld), maar het lijkt er gelukkig niet op, want er wordt gloedvol en met volle overgave gemusiceerd, de spanningsbogen staan werkelijk als een huis en de indruk die overheerst is die van de hitte van het muzikale moment, waardoor beide werken in een oorverblindend licht worden gezet. Florent Ollivier heeft het allemaal natuurgetrouw vastgelegd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links