CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2021

Georg Philipp Telemann - Viola Concertos

Klik hier voor de inhoudsopgave

Antoine Tamestit en Sabine Fehlandt (altviool), Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. Bernhard Forck
Harmonia Mundi HMM 902342 • 69' •
Opname: juli 2020, Teldex Studio, Berlijn

Vanaf 7 januari beschikbaar

 

Menige altviolist wordt er wat kriegelig van als hem wordt voorgehouden dat zijn instrument in het grote orkest vaak ondergesneeuwd raakt (wat overigens menigmaal de dirigent valt te verwijten!|), maar ook als solo-instrument geen al te grote populariteit geniet. Dat zelfs Berlioz' Harold en Italie daar niets aan kon veranderen. Terwijl - al is het niet meer dan een pleister op de nog steeds schrijnende wond - de bronzen klank van de altviool alleen al ronduit schitterend is en het instrument in de hogere regionen vrij dicht tegen de klank van de viool aan mag schurken.

Dat het ‘lot' van de altviool ten tijde van de Barok niet veel anders is geweest blijkt uit wat daarover in de 'historiën' aan ons is overgeleverd, waardoor het des te meer te prijzen valt dat Georg Philipp Telemann (1681-1767) met een aantal soloconcerten, sonates en fantasieën dit instrument wel degelijk in het zonnetje heeft gezet.

Bedenk daarbij voorts dat aan het begin van de achttiende eeuw voor de altviool zelfs nog niet eens het standaardformaat was bedacht en er nauwelijks repertoire voorhanden was. Dat alleen al stimuleerde musici bepaald niet om de altviool tot hun lijfinstrument te kiezen. Die arme altviool werd slechts te hooi en te gras door violisten ter hand genomen om er in een of ander instrumentaal ensemble ‘harmonische invulling' mee te geven. Geen wonder dus dat de viool wel en de altviool niet tot de kern van het repertoire behoorde, een ontwikkeling die al vroeg in Italië handen en voeten had gekregen en die uiteraard na verloop van tijd overwaaide naar andere Europese landen. Zo componeerde de Venetiaan Antonio Vivaldi honderden vioolconcerten, maar niet meer dan zeven voor de viola d'amore. Zelfs de cello bracht het er met in totaal 27 concerten nog aanzienlijk beter vanaf. Terwijl er ook in de triosonate niet od nauwelijks plaats was voor de altviool.

Dat dit geen fabeltje is blijkt onder meer uit wat Francesco Algarotti in 1755 optekende in zijn opera-essay Saggio sopra l'opera in musica: het schrikbarende tekort aan altisten in het operaorkest. Maar ook in Duitsland was het niet beter, getuige Johann Joachim Quantz, die in 1752 in een van zijn bekende fluitleerboeken opmerkte dat het niet bepaald voor de hand lag dat bespelers van de ‘violette' (altviool) zich hun leven lang tot dit instrument beperkten.

Dat er toch een kentering kwam was vooral te danken aan de verdere ontwikkeling van de instrumentale polyfonie, met een navenant groter belang voor de middenstem(men); en dan met name in de Duitstalige landen. Oostenrijkse componisten van naam als Johann Heinrich Schmelzer en Heinrich Biber gaven de altviool in hun werken een geleidelijk aan meer actieve rol, terwijl in het verre Hamburg niemand minder dan Reinhard Keiser het instrument een belangrijke plek gaf in een aantal van zijn opera's. Daaruit ontwikkelde zich een trend die langs Johann Sebastian Bach voerde (hij bespeelde het instrument zelf), onder meer in diens cantates BWV 5, 18, 199 en 213. In het Brandenburgs Concert nr. 6 bestond hij het zelfs om als het ware een ‘dubbelconcert' voor twee altviolen in te lassen (ze namen de belangrijke partijen over die anders aan de violen waren toebedeeld), met de viola da gamba in niet meer dan een zeer bescheiden, uitsluitend begeleidende rol.

En dan was er Telemann die de altviool voor het eerst als solo-instrument inzette in het concerto. Het zal ongetwijfeld met zijn karakter te maken hebben gehad, want hij mag dan te boek staan als veelschrijver, zijn onuitputtelijke inventie en ongelooflijke energie waren er niet minder om, terwijl hij bovendien over nog andere belangrijke eigenschappen beschikte. Zo was hij wars van vooroordelen, experimenteerde graag en veel, en had enorme kennis van de klankkleuren en speltechnische mogelijkheden van de meeste, wel of niet gangbare, instrumenten (wat menige componist in die tijd zeker niet kon zeggen). Daarnaast wist hij feilloos de weg in tal van stijlen, terwijl hij als uitvoerend musicus vrijwel dagelijks in contact stond met de ‘levende' klank. Onder meer in Frankfurt, waar hij van 1716 tot 1721 wekelijks concerten (volgens het Corelli-model) organiseerde met een uit 23 leden bestaande Collegium Musicum. In die concerten was ook een belangrijke plaats ingeruimd voor de midden- en lage stemmen, wat het majesteitelijke karakter in menig langzaam deel nog verder onderstreepte. Maar ook in de snelle, meer virtuoze (hoek)delen mocht de altviool worden gehoord!

De op dit album verzamelde dubbel- en soloconcerten, sonates, fantasieën en ouvertures staan – de albumtitel verklapt het al – in het teken van de altviool waarvan de toon letterlijk wordt gezet door de twee uitmuntende solisten: Antonio Tamestit en Sabine Fehlandt, met in hun kielzog het in de historiserende uitvoeringspraktijk gepokte en gemazelde ensemble Akademie für Alte Musik Berlin onder leiding van concertmeester Bernhard Forck. Tamestit speelt op een in bruikleen verstrekte Stradivarius (1672). Het door Fehlandt (ze maakt vast deel uit van het ensemble) bespeelde instrument bleef helaas onvermeld, maar het zal ongetwijfeld eveneens een barokaltviool zijn. De bezetting bestaat verder uit acht violen, twee altviolen, twee celli, contrabas, klavecimbel, theorbe en (bescheiden) slagwerk. De opname is net zo prachtig als de uitvoeringen dat zijn.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links