CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2017

 

(R.) Strauss: Also sprach Zarathustra op. 30

Mahler: Totenfeier - Sinfonisches Präludium (reconstr. Albrecht Gürsching)

Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin o.l.v. Vladimir Jurowski
Pentatone PTC 5186597 • 65' • (sacd)
Opname: juni 2016, Haus des Rundfunks, RBB, Berlin (Seifert-orgel: St. Matthias-Kirche, Berlin-Schönberg)

   

In zijn bespreking van onder meer Strauss' ‘Also sprach Zarathustra' door Gustavo Dudamel en de Berliner Philharmoniker gaf collega Siebe Riedstra de lezer enige wijze woorden mee (klik hier voor de volledige recensie). Ik citeer: […] ‘Iedere tijd hunkert naar idolen, en het publiek maakt zijn keuze. De successen van Herbert [von Karajan], Bernard [Haitink] en Gustavo [Dudamel] zijn heus niet zo verschillend, maar er is heel veel veranderd. De 'muziekindustrie' verdiende ooit aan klassieke muziek, dank zij idolen als Herbert von Karajan en Bernard Haitink. Die tijd is voorbij - het Berlijnse orkest [Berliner Philharmoniker] is een van de laatste orkesten van wereldfaam dat nog verbindingen onderhoudt met de grote labels van weleer, DG en EMI (nu Warner)'. En: ‘We zijn bezig met een vergissing. Het publiek ziet een leuke krullebol en de “muziekindustrie” denkt dat de hoogtijdagen van Bernard Haitink en Herbert von Karajan voor herhaling vatbaar zijn. En dus wordt Gustavo Dudamel uitgenodigd om "Also sprach Zarathustra" te dirigeren in de Berliner Philharmonie. Succes verzekerd'.

Het Nederlandse label PentaTone (strak verbonden met de opnametechnici van Polyhymnia: de kantoren en montagestudio's zijn gevestigd op dezelfde locatie in Baarn) zorgde wel voor een studio-opname, een fonkelnieuwe zelfs, maar er is in de loop van de decennia inderdaad niet veel of eigenlijk niets veranderd. Vladimir Jurowski (Moskou, 1972), de kleinzoon van de filmcomponist Vladimir Jurowski, trad in de voetsporen van zijn vader Mikhail en groeide in vrij korte tijd uit tot een veelgevraagd dirigent. Hij heeft absoluut talent, is charismatisch, gemakkelijk toegankelijk en beschikt (mede daardoor) over een uitgebreid artistiek netwerk. In die zin verschilt hij niet of nauwelijks van veel andere dirigenten van zijn generatie (waaronder de Canadees Yannick Nézet-Séguin en de Spanjaard Pablo Héras-Cassado). Dat hij in tegenstelling tot menige andere jonge collega niet zit vastgeroest in het ijzeren repertoire siert hem bovendien: Jurowski ‘durft' ook de ‘modernen' onder zijn hoede te nemen, al is ook hij afhankelijk van degenen die voor en met hem programmeren. Het is zeker niet zo dat een dirigent maar wat kan roepen en dat dan prompt Vivier of Ligeti op de lessenaars staat (als iedere tijd hunkert naar idolen, en het publiek zijn keuze maakt, zitten die twee componisten er sowieso niet bij).

Hoewel ik geen warme voorstander ben van min of meer stati(sti)sch getinte vergelijkingen tussen de verschillende uitvoeringen, is het toch minstens merkwaardig dat menige nieuwe cd-productie wordt verwelkomd alsof er geen talloze andere aan zijn voorafgegaan. Of dat die zijn weggezakt in de dichte mist van het collectieve geheugen dat discografische geschiedenis heet. Maar één ding staat zo vast als een huis: dat Karajans opname met de Berlijners uit 1973 (de ‘remake' van tien jaar later is sterk gecosmetiseerd en valt daardoor af) tot de beste in de catalogus behoort en dat niets ter wereld dit nog zal kunnen veranderen, op de voet gevolgd door Haitink met het Concertgebouworkest. Beide opnamen verschenen - wel of niet toevallig - vrijwel tegelijkertijd op lp. En dat alles wat daarna kwam zich op zijn best op hetzelfde niveau bewoog of juist net of ver daaronder bleef. Zij het met de bescheiden kanttekening dat ik ze niet allemaal heb beluisterd (wat door de jaren heen een onbegonnen zaak is geworden). Terwijl er ongetwijfeld historische opnamen onder zullen zitten die zich ook met de beste kunnen meten, al zal dat zeker niet voor de geluidskwaliteit gelden.

Laten we vooral niet al te ‘filosofisch' tegen ‘Zarathustra' aankijken. Of hij nu wel of niet zo heeft gesproken… Strauss' eigen visie op het werk als dirigent kunnen we - ondanks de opnametechnische beperkingen van toen - meebeleven in zijn opname met de Wiener Philharmoniker in het donkere oorlogsjaar 1944. Wat zei hij zelf over het stuk, kort na de Berlijnse première in 1896?: dat hij geenszins de bedoeling had om in de muziek op de filosofische tour te gaan of om het gelijknamige werk van Nietzsche daarin te portretteren. Het ging hem er slechts om een beeld te schetsen van de verschillende stadia in de ontwikkeling van het menselijk geslacht, zowel vanuit religieus als wetenschappelijk oogpunt, met als epicentrum Nietzsches gedachtegang over de ‘supermens'. Strauss' vertolking is precies in overeenstemming met zijn dirigeerkunst: nuchter, ‘objectief', spaarzaam, zonder toegevoegde toeters en bellen (die in het werk zelf al in voldoende mate present zijn). Een zekere lichte toets ook, wat zoveel wil zeggen dat het stuk niet bezwijkt onder zijn eigen gewicht. Een visie trouwens die Jurowski althans wat dit betreft bijna letterlijk overneemt, niet in de laatste plaats door de vooruitstrevende tempi en het afzien van een gekunstelde zoektocht naar nog meer lagen in dit van nature toch al stevig gelaagde epos van symfonische proporties. Maar eigenlijk kan niemand meer verwachten dat er nog enig nieuws is onder de zon van Jurowski. Hij levert met zijn orkest een goede prestatie, het zit uiterlijk allemaal als geramd, met heldere houtblazers, doorklievend koper en een strijkersklank die dicht in de buurt komt van die van de collega's uit Amsterdam, Dresden, Leipzig en Wenen. Maar veel impact krijgt het werk onder zijn handen toch niet. Wie alleen al de eerste vijftig maten vergelijkt met die onder Haitink en Karajan weet dan eigenlijk al genoeg. Maar ook in lyrisch opzicht ('Von den Hinterweltlern') blijft Jurowski helaas te veel aan de oppervlakte (ook hier is het weer Karajan die ongelooflijke klankpatronen aan zijn Berlijnse orkest weet te ontfutselen). Je zou ook simpel kunnen zeggen dat Karajan, maar ook Haitink, hier gewoon de betere dirigent is.

Mahlers 'Sinfonisches Präludium' is en blijft een lastige kwestie. De ene musicoloog meent dat het stuk absoluut van Mahler stamt, terwijl de andere er gehakt van maakt. Weer anderen verwijzen naar Anton Bruckner als de componist, maar ook de naam van diens leerling Rudolf Krzyzanowski duikt in dit verband op. In de Oostenrijkse Nationalbibliothek bevindt zich een afschrift van een particel (ontstaansdatum onbekend) dat ondanks uitvoerig musicologisch onderzoek over de werkelijke componist helaas onvoldoende uitsluitsel biedt. Het is in ieder geval een aardig curiosum (en niet meer dan dat) in c-klein dat door de componist Albrecht Gürsching is voltooid.

En Mahlers ‘Totenfeier'? Dat is in ieder geval wel 'origineel' Mahler. Het losse stuk heeft alles te maken met de moeizame ontstaansgeschiedenis van de Tweede symfonie, die werd ingeluid met het eerste deel dat ontstond rond de voltooiing van de Eerste symfonie, in 1888. Mahler begon wel welgemoed aan het schetsen van het tweede deel, maar het werk wilde maar niet opschieten, wat uiteindelijk leidde tot een creatieve crisis die hem belette om de symfonie af te maken. In 1891 gaf hij verdere pogingen zelfs geheel op, streepte de titel 'Symfonie' door en maakte er 'Totenfeier' van, waarmee hij in feite aangaf dat dit deel afzonderlijk, op zichzelf staand, kon worden uitgevoerd. Toen hij het op de piano voorspeelde aan de beroemde dirigent Hans von Bülow kreeg Mahlers toen toch al wankele zelfvertrouwen een wel heel gevoelige knauw: Von Bülow zag er helemaal niets in en hield zelfs zijn beide handen tegen de oren. Nee, dit was volgens hem geen muziek!
'To(d)tenfeier', de oorspronkelijke titel, wijst uiteraard naar een begrafenis, maar van wie? Mahler heeft de verscheidene 'programma' later weliswaar ingetrokken (datzelfde overkwam de Eerste symfonie, die oorspronkelijk de titel  Symfonisch gedicht in twee afdelingen of in het Hongaars  Symphoniai költemény két részben  had meegekregen en als zodanig onder leiding van de componist zijn première beleefde in Boedapest op 20 november 1889), maar vaststaat wel dat Mahler in 'Totenfeier' de held uit zijn Eerste symfonie ten grave droeg, al ligt het voor de hand te veronderstellen dat die held niemand minder dan Mahler zelf was, in zekere zin vergelijkbaar met de held in Richard Strauss'  Ein Heldenleben.
Maar hoe het ook zij, de scheppingsblokkade bracht hem uiteindelijk wel tot een herbezinning die hem naar de dichtbundel Des Knaben Wunderhorn leidde, die hij in 1887 had ontdekt in de bibliotheek van Carl Maria von Weber in Leipzig.

Maar goed, deze recensie gaat niet over de Tweede symfonie, maar over ‘Totenfeier', waarin Jurowski zo ongeveer hetzelfde pad volgt als in ‘Zarathustra'. Maar hier had het ‘soortelijk gewicht' wat mij betreft wel wat zwaarder mogen zijn. Het wordt gelijk al aan het begin duidelijk, in de grommende contrabassen die snel van start gaan zonder de diep inkervende articulatie die door merg en been zou moeten gaan. Daar komt dan nog de nuchtere opbouw van de climaxen bij, terwijl de nogal vlakke opname evenmin bijdraagt aan een imposant klankbeeld. Dat is in ‘Zarathustra' trouwens niet anders: het doorgaans zeer indrukwekkende begin klinkt hier (zowel in stereo als in surround) nogal flets, met het orgel dat duidelijk in een andere ruimte staat. Met verder nog als kanttekening dat – raadselachtig genoeg - Pentatone heeft afgezien van een passende trackindeling. En het zijn er normaal gesproken toch echt negen! Kortom, geen uitgave om echt warm voor te lopen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links