CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2016

 

Schumann: Vioolsonate nr. 2 in d, op. 121

R. Strauss: Vioolsonate in Es, op. 18

Noé Inui (viool), Vassilis Varvaresos (piano)

Navis NC15004 • 63' •

Opname: Westvest 90, Schiedam

VPRO Vrije Geluiden

www.navisclassics.com

 

Ik vermoed dat menigeen er wel over wil twisten wie de eerste en de laatste romanticus was, maar volgens het Nederlandse label Navis was dat respectievelijk Robert Schumann en Richard Strauss, getuige de titel van deze cd: The First (Schumann) and the last Romantic (Strauss). Er is in ieder geval geen enkele twijfel aan dat beiden zich als componist in het romantische idioom hebben gemanifesteerd, al moet Strauss wel tot de laatromantici worden gerekend (wat overigens van zijn Vioolsonate niet kan worden gezegd). Hokjes, daar houden we van, maar interessanter is natuurlijk de muziek zelf die de beide heren hebben geschreven. Schumann schreef zijn meesterlijke Tweede vioolsonate in 1851, Richard Strauss de pendant daarvan in 1887. Zesendertig jaar zit er tussen, een lange periode, ook in onze muziekgeschiedenis. Maar wat beide werken met elkaar gemeen hebben is de bijna orkestrale uitstraling ervan, hoewel het om 'slechts' een viool en een piano gaat. Anders dan de Mozart- en Beethoven-sonates is er bij die van Schumann en nog minder bij die ene sonate van Strauss (terwijl het toch een uitgesproken zonnig jeugdwerk is) nooit sprake geweest van een echte uitvoeringstraditie, al is in het laatste decennium de belangstelling voor deze muziek, zowel van de musici (bij hen begint het meestal) als van het publiek (dat maar moet afwachten wie er zich over willen ontfermen) wel duidelijk stijgende. In de vele krochten van de fascinerende opnamegeschiedenis is er van de Strauss-sonate de fameuze opname uit 1954 met Jascha Heifetz ('God's fiddler') en Alfred Wallenstein (een uitstekende pianist die 'multifocaal' inzetbaar was). Nog verder terug, in 1934, was er de net zo geslaagde Schumann-opname van Yehudi Menuhin met zijn zus Hephzibah aan de vleugel. Wat al bij de Menuhins treft is de vrij 'moderne' aanpak, met weinig portamenti. Bij Heifetz, exact twintig jaar later, is duidelijk sprake van reeds vooruitziende 'vormgeving'. Hij zou in stilistisch opzicht zo in het rijtje grote violisten van deze tijd passen, al kent zijn spel een aantal elementen die specifiek zijn 'vingerafdruk' zijn. Maar dat is een ander hoofdstuk (men leze de interessante toelichting van Cor Molenbeek)

De violist in deze nieuwe Clavis-opname, Noé Inui, is de zoveelste musicus die met de blik van vandaag niet veel opheeft met welke uitvoeringstraditie dan ook, onder verwijzing naar de conservatoria die grossieren in lappendekens van stijlen, zonder enige nationale identiteit, dit in tegenstelling tot het spel van de musici uit het verre verleden dat wel een eigen karakter wel uitstraalde. We zitten nu eenmaal te midden van de alom voelbare globalisering die ook het domein van de muziek is 'binnengevallen' en zich al decennialang onafwendbaar aan het voltrekken is en mogelijk zo langzamerhand aan zijn eindpunt is gekomen. Is daar eigenlijk iets mis mee? Ik durf die vraag niet zomaar met ja of nee te beantwoorden. Een feit is wel - om twee voorbeelden te noemen - dat de musici en dirigenten van het Hongkong of Seoul Philharmonic of uit het Westen komen, of op die leest zijn geschoeid. Trouwens, wie in Seoul rondloopt ziet New York voor zich, met inbegrip van Park Avenue. Ons Concertgebouworkest kent de meest uiteenlopende nationaliteiten en is dus vanuit die optiek niet Nederlands; net zo min als Ajax dat is. Het klankkleurige onderscheid tussen orkesten en ensembles is door de jaren heen beduidend afgenomen, niet in de laatste plaats door het verder ontwikkelde instrumentarium. Het New York Philharmonic is net zo Amerikaans als het Orchestre de Paris Frans is. In New York komt straks Jaap van Zweden aan het roer. En wat is hij? Een Nederlandse dirigent, een rasechte Amsterdammer zelfs die de wereld als zijn werkterrein heeft gekozen (of de wereld hem)..
Het maakt daarbij niet uit of along the lines sprake is geweest van kleine of van grote stappen: het eindresultaat telt, want dat is bepalend. Alleen in Centraal-Europa lijkt die ontwikkeling nog niet op een eindpunt aangekomen, maar ook daar zal de globalisering zeker nog verder toenemen. Hoe meer gastdirigenten des te minder blijft er over van de eigen identiteit. Dat kan toch moeilijk anders uitpakken.

Maar nu terug naar twee jonge mensen met grote muzikale capaciteiten: de reeds genoemde violist Noé Inui en de pianist Vassilis Varvaresos. Ik denk niet dat we met dit jonge duo slechter uit zijn dan met - om maar eens twee namen te noemen - een Linus Roth en José Gallardo (Schumann). Of, om er nog twee namen aan toe te voegen, Isabelle van Keulen en Ronald Brautigam (Strauss). Niet slechter, wel anders; en gelukkig maar, want hoe saai zou het dan worden in muziekland.

Interessant is ook dat beiden in de Schumann-sonate niet gestruikeld zijn over de tempo-aanduidingen en dat ze hebben ingezien dat de metronoommarkeringen daar niet zo goed bij passen. Een andere constatering: Schumann schreef de sonate echt in de hitte van het moment en wat kan er fraaier en overtuigender zijn dan die indruk ook in de uitvoering ervan te bevestigen? Dat gebeurt hier, in vlekkeloze intonatie en qua samenwerking 'hautnah', met veel improvisatorisch elan. Wat een drama, passie en energie wordt hier uitgestraald! En wat mag de poëzie zingen, zoals in het 'Leise, einfach'! De obsessieve momenten, ze horen er gewoon bij, zoals ze bij de Schumann van 1851 horen, maar het verloopt zonder overdrijving, zonder uit de pas lopende agogiek en zonder de structuur ondergravende versnellingen en vertragingen.

De Strauss-sonate vraagt interpretatief minder, maar het is wel een jeugdwerk waarin de kiemen voor de latere Strauss al volop aanwezig zijn. In het Andante mag de poëzie van dit duo weer vrij stromen. De finale is bepaald niet kinderachtig en stelt alleen al in technisch opzicht aan zowel violist als pianist hoge eisen. Het begint met een tamelijk zwaarmoedige langzame inleiding, maar daarna gaan de remmen los en lijkt het eerst wel alsof een orkest van start gaat. Het is thematisch soms romantisch koorddansen, maar we horen al de kruidige harmonieën in de onderstroom, we zijn al getuige van bijzondere vergezichten. Inui en Varvaresos vechten als het ware voor een partituur die het waard is om voor te vechten. O zo!

Producer Daan van Aalst lijkt een gouden verbond met zijn musici en zijn pianostemmer te hebben gesloten. Zo klinkt het althans: aan deze opnamekwaliteit kunnen vele grote (ach, wat is nog groot tegenwoordig) labels een voorbeeld nemen. Het staat er magnifiek op.

__________________
Klik hier voor een fragment uit VPRO's Vrije Geluiden


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links