CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juni 2019

Franz Schubert - The Complete Symphonies Vol. 1

Schubert: Symfonie nr. 2 in Bes, D 125 - nr. 4 in c, D 417 (Tragische)

Residentie Orkest o.l.v. Jan Willem de Vriend
Challenge Classics CC72739 • 57' •
Opname: 30 augustus en 1 september 2017, Atrium, Meppelweg, Den Haag

Franz Schubert - The Complete Symphonies Vol. 2

Schubert: Symfonie nr. 1 in D, D 82 - nr. 3 in D, D 200 - nr. 8 in b, D 759 (Onvoltooide)

Residentie Orkest o.l.v. Jan Willem de Vriend
Challenge Classics CC72802 • 74' •
Opname: 21-23 juni 2016 (nr. 1) en 5-8 juni 2018 Atrium, Meppelweg, Den Haag

   

 


Er is geen solide ‘recept' voor de uitvoering van Schuberts acht symfonieën (een complete zevende is nooit boven water gekomen). Het was Philips dat in 1967 een weinig aanlokkelijk ogende, donkerbruine lp-box uitbracht met die acht symfonieën, aangevuld met de twee ouvertures ‘Im italienischen Stil' door de Staatskapelle Dresden onder leiding van Wolfgang Sawallisch. In het begeleidende boekwerk de volgende tekst:

For the performance of these recordings much of the research which has gone into the preparation of the new complete Bärenreiter edition of Schubert's works by the International Schubert Society (Tübingen) has been available to Wolfgang Sawallisch and put to practical use in his interpretations. The recent close examination of the composer's hastily written manuscripts and his methods of writing has done much to dispel the long-held view that, apart from the 'Unfinished' and the 'Great' C major, the Schubert symphonies lack depth and power. An important example is the interpretation of dynamic markings. It has now become apparent that what were for long regarded as decrescendo marks were, in fact, intended by Schubert to be sforzandi or strongly accented notes or phrases. The interpretation of these markings as diminuendi makes, of course, considerable difference to a performance and this practice in the past has done much to rob the symphonies of their true power and vitality - particularly in the slow introductions where they occur.

Precies een kwarteeuw later, in 1992, verscheen, uiteraad ditmaal op cd, de integrale cyclus met het Concertgebouworkest, geleid door Nikolaus Harnoncourt, een album dat al bij zijn verschijning hoge ogen gooide en later zelfs legendarische proporties aannam (wat in sommige kringen sterk overdreven werd gevonden). Maar het lag voor de hand: een toporkest en een topdirigent die al in de jaren zestig met zijn Concentus Musicus Wien zich als een van de voortrekkers van de ‘authentieke' muziekpraktijk had ontpopt, maar ook bij meer traditionele orkesten - waaronder het Concertgebouworkest - voor menige memorabele uitvoering van de muziek van de grote klassieken en zelfs de romantici had gezorgd. Een dirigent ook die er geen enkele moeite mee had zijn (sterke!) wil op het orkest over te brengen. Zozeer zelfs dat Bernard Haitink eens verzuchtte dat Harnoncourt de klank van 'zijn' orkest dusdanig had veranderd dat hij die niet meer herkende. Maar ook een musicus die niet ophield zijn eigen verrichtingen steeds weer opnieuw op de weegschaal te leggen, te herijken en daarbij de meetlat zeer hoog te leggen. Harnoncourt ook als een van de zeer weinige van zijn vakgenoten die manuscripten diepgaand bestudeerde, wantrouwend als hij al bij voorbaat stond tegenover vrijwel iedere gedrukte uitgave. Harnoncourt als het grote voorbeeld van de orkestleider die ook buiten het podium muzikaal zeer actief was (en dat tot op hoge leeftijd ook bleef).

Hij schreef over zijn Schubert-project bij het CO:

Schubert's symphonies were not published until around half a century after his death, when the first collected edition was taken in hand under Brahms' supervision. Even today this edition remains the most widely used source in performing Schubert's symphonies.
A comparison between this edition and Schubert's autograph scores reveals an incalculable number of changes: changes to the dynamics, tempi, articulation markings and instrumentation, and even to the music itself. In some cases whole bars have been deleted or added. These far-reaching changes were clearly intended to make these brilliant works by an allegedly 'careless' composer 'playable' and 'enjoyable'; no doubt unconsciously [hier zet ik een groot vraagteken bij - AvdW], the editors also attempted to adapt them to the tastes of the second half of the century. In the authentic version performed here they are more consistent and sometimes also harsher and more abrupt in tone. Schubert frequently juxtaposes the most extreme dynamic contrasts, whereas the version normally used relies on a crescendo or diminuendo to mediate between such extremes.

Hij lichtte ook in meer concrete zin een tipje van de sluier op, toen nog uitgaande van de traditionele nummering van de symfonieën:

IV - Deel 1; maten 169-171: geen diminuendo. In 262 geen crescendo. In 266 niet f maar p, wat resulteert in een verrassings-fortissimo in 268. Toegevoegd: 121-128 in p, met crescendo in 123 en 124. In deel 2 ingelaste overgangsmaat (249). Aan het begin van de finale géén tweede fagot en géén celli.

VI - Deel 1; 16 en 17: ritardando; 207 en 305 toegevoegd. Deel 2; 56, 110 en 114: fp in strijkers vervalt (alleen in fluiten en hobo's).

VIII - Deel 1; 109 en 327: tweede fagot en beide hoorns spelen b en niet cis. In 201 voor beide hoorns een e. In deel 2, 278 voor de tweede hoorn een b (niet a) in de laatste 1/8.

IX - Geen discussie meer over óf alla breve óf 4/4. Wel dat in het Scherzo, 263-279 fluit en hobo een octaaf lager spelen.

Het is op zich geen bijzonder beeld, want iets soortgelijks zagen we ook al bij Beethovens negental. Al heeft het jaren, nee eeuwen geduurd alvorens sprake was van echt tekstkritisch onderzoek. Het is zelfs maar relatief kort geleden dat Jonathan del Mar voor het Duitse uitgevershuis Bärenreiter een tekstkritische Beethoven-uitgave verzorgde, een project dat in de herfst van 1996 van start ging en ten slotte zijn beslag zou krijgen in de ‘Neue Beethoven Gesamtausgabe' (waarvoor Henle Verlag al eerder de eerste steen had gelegd, alvorens het project door Bärenreiter werd overgenomen) Stelt u zich voor: en dat in een tijd dat veel dirigenten nog steeds de uit 1864 daterende, van talloze fouten wemelende editie van Breitkopf & Härtel hanteerden! Inmiddels wordt de Bärenreiter-editie als toonaangevend beschouwd en door vrijwel iedere dirigent gebruikt.

Het was hetzelfde Bärenreiter dat zich ook bekommerde om een tekstkritische Schubert-uitgave, medio jaren zeventig als ‘Neue Schubert Ausgabe' in gang gezet. Over de autoriteit ervan viel evenmin te twisten, want de ‘Ausgabe' kwam tot stand in nauwe samenwerking met de gerenommeerde Internationale Bruckner Gesellschaft.

Niemand zal bestrijden dat het van eminent belang is dat vanuit een partituur wordt gewerkt die een zo nauwkeurig mogelijke weerslag vormt van wat de componist oorspronkelijk heeft genoteerd. Een (nog) hogere graad van precisie is helaas niet mogelijk: twijfels zullen er incidenteel altijd zijn en blijven (niet iedere noot, frase, aanduiding, markering, niet ieder accent is altijd helder en vraagt aldus om interpretatie). Dat geldt uiteraard niet alleen voor de muziek van Beethoven en Schubert, maar voor alle muziek die niet heel precies is genoteerd en zelfs de logica vanb de muziekwetenschapper niet de helpende hand kan bieden. Laat staan voor muziek waarvan het manuscript (het handschrift van de componist of kopiist) of ook de door de componist gecorrigeerde drukproeven ontbreken. Of waarvan alleen de wel of niet gebrekkig uitgeschreven orkestpartijen zijn overgeleverd.

Dus niet alles is oplosbaar, zelfs niet met het oorspronkelijke materiaal onder handbereik. Niet iedere vraag kan worden beantwoord (‘schreef Schubert echt een symfonie die slechts uit twee delen bestaat en zo ja, waarom?'). Wat niets afdoet aan dat zeer nobele streven: zo dicht mogelijk bij de bedoelingen van de componist te komen. Dat geldt niet alleen voor die partituur, maar ook voor de uitvoering ervan. Want alle voortschrijdende inzichten op het gebied van de uitvoeringspraktijk ten spijt: er is geen volmaakte blauwdruk en muziek is niet in beton gegoten. En dat is maar goed ook, want we willen avontuur en geen schier eindeloze herhalingsoefening die een bepaald werk steeds weer in hetzelfde licht zet. Er klinkt vandaag de dag, ook zonder die blauwdruk, toch al veel van hetzelfde en komen we maar niet af van die eindeloze reeks uitvoeringen waarmee (aankomende) musici zich per se willen presenteren en die niets anders te bieden hebben dan precies dat.

‘Partiturtreue' of partituurgetrouwheid: is dat wel zo'n belangrijk thema? Laten we het vergelijken met de kleurechtheid van een willekeurig schilderij. Met de ontwikkeling van de onderzoekstechnieken weten we dat hieraan vaak het nodige schort. Van Goghs kleurenrijkdom zoals wij die nu waarnemen wijkt, zo heeft onderzoek uitgewezen, aanzienlijk af van zoals hij het op het doek heeft aangebracht. De tijd of anders wel een mensenhand heeft wat dit betreft zijn vernietigende werk wel gedaan.

Ook veel muziekmanuscripten zijn ten offer gevallen aan de tijd (als ze al niet domweg verhandeld of verdwenen zijn). Een bekend voorbeeld daarvan is de inktvraat (klik hier) die al veel ‘slachtoffers' heeft gemaakt en met alle macht wordt gewerkt aan restauratie en digitalisering.

In het discografische Schubert-landschap wemelt het van de uitvoeringen. Dusdanig veel zelfs dat het door de jaren heen een onoverzienbare rijstebrijberg is geworden. Waarbij de kans groot is dat de meest recente het meest in de belangstelling staan (wat vaak niet terecht is). Het is het aloude probleem van diep wegzakken in het moeras van de tijd en waar geen enkel kruid tegen gewassen is. Wel kan iedere liefhebber althans een ruwe zifting (wel of niet aan de hand van recensiea) maken: bijvoorbeeld tussen een soepele goed geoliede uitvoering (Karl Böhm, Bruno Walter, Herbert von Karajan) en een met veel pit en stevig aangezette contrasten (Nikolaus Harnoncourt en nu dus ook Jan Willem de Vriend); of een uitvoering die zich tussen beide uitersten beweegt (Claudio Abbado). Het zijn slechts enige voorbeelden, want in dat mer a boire grossieren er talloze uitvoeringen die binnen deze kaders vallen. Ook wat dit betreft hoeft niemand het primaat op te eisen.

Daar is dan nu dus Jan Willem de Vriend met zijn Haags Residentie Orkest (RO) bijgekomen. Hij is vanaf het concertseizoen 2015/16 vaste dirigent, maar die verbintenis loopt contractueel na vier jaar af. Het orkest heeft kortgeleden verschillende mutaties aangekondigd: vanaf de zomer van 2021 is Anja Bihlmaier de chefdirigent als opvolgster van Nicholas Collon en is Jun Märkl benoemd tot vaste gastdirigent. Samen met Bihlmaier en nog een vaste gastdirigent, Richard Egarr, vormt hij het driekoppige dirigententeam.

De Vriend dirigeert bij het RO gemiddeld zes weken per seizoen. Dat is niet echt veel, maar in ieder geval voldoende om met het orkest een spiritueel gedreven en stabiele band op te bouwen. En wat De Vriend zeker niet ontzegd kan worden is zowel zijn enorme geestdrift als zijn absolute wil om van een componist of werk álles te weten te komen en daarmee als musicus zijn voordeel te doen. Alweer lang geleden was ik bij hem thuis in Amsterdam om door hem te worden doorgezaagd (het leek meer op een met groot enthousiasme gegeven college!) over de Hamburgse versie van Mahlers ‘Symphonische Dichtung in zwei Abtheilungen' (ik was aangetrokken voor de toelichting in het cd-boekje) (klik hier voor de recensie). Enthousiasme en bevlogenheid zijn bij De Vriend nooit ver weg, maar wel gedreven door een hoge graad van professionaliteit. De Vriend is ook zeker niet de man van de toevalstreffers, integendeel. Altijd goed voorbereid, de materie tot in de puntjes beheersend dankzij uitputtend huiswerk en toch altijd weer tot in zijn diepste vezels bezield. Dat vinden we – ik zou bijna zeggen: uiteraard – terug in deze vijf symfonieën (de symfonieën nrs. 5, 6 en 9 volgen nog). We worden vergast op stevige contrasten, pittige dynamische accenten, kruidige houtblazers, indrukwekkend koper en gloedvolle strijkers. Maar het is ook de voortdurend stuwende energie die deze vertolkingen boven de grauwe middelmaat uittillen. Zoals er tevens volop aandacht is voor die zo typisch schubertiaanse lyriek – en niet alleen in de langzame delen - die zeker in de eerste sterk door Sturm und Drang beïnvloede symfonieën nogal eens dreigt onder te sneeuwen. Het is ook verleidelijk, al die Sturm und Drang: zo was 'Der Franz' pas 16, nog een schooljongen eigenlijk, toen hij zijn eersteling componeerde, een werk waarin jeugdige overmoed net zo domineert als zijn visie op een symfonische toekomst. De Vriend en zijn getrouwen laten er evenmin een misverstand over bestaan dat de ‘Onvoltooide' (zij staat zo ongeveer aan het eind van Schuberts symfonische carrière) een revolutionair werk is dat reeds trekjes van Bruckners grootse melodische architectuur vertoont; om te culmineren in de 'himmlische Länge' (Schumann) van de Negende.

De Vriends Schubert maakte al eerder indruk, in mei 2015, toen hij bij het Koninklijk Concertgebouworkest de Eerste symfonie leidde. De musici speelden op de spreekwoordelijke punt van de stoel en werd het publiek vergast op een ronduit spetterende uitvoering door een bevlogen dirigent die – zij het maar even - een toporkest onder zijn hoede had. Toen viel het ook al op, met op het ene moment de meesterlijke versmelting van de houtblazers met de sublieme strijkersklank en op het andere de scherp gestoken ritmiek, het goudgerande profiel met de fraai afgewogen frases en de pregnante accentuering. Gewoon gespeeld op traditionele instrumenten (waar hij ook niet voor terugdeinsde toen hij nog de leider was van het Combattimento Consort en dat menigeen de wenkbrauwen deed fronsen: je was 'authentiek' of je was het niet; niet ergens daartussenin, zo luidde de mores).

Dan de opname. Het lijkt me een ondankbare opgave om deze wonderwerken te moeten spelen, laat staan opnemen, in het Atrium aan de Meppelweg in Den Haag. Deze vaste repetitieruimte van het RO geldt gelukkig als een noodoplossing in afwachting van een nieuwe, heel wat riantere huisvesting. Maar gezegd moet worden dat de registratie onder deze benauwende omstandigheden toch uitstekend is gelukt. Bert van der Wolf en zijn zoon Martijn van Northstar Recording Services hebben daarmee opnieuw een hoogstaand stukje vakwerk afgeleverd. Hoeveel werk dat ook achteraf nog heeft gevraagd weet ik uiteraard niet, maar dan is het in ieder geval wel loon naar werken geweest.

Blijft nog altijd de vraag: welke Schubert willen we eigenlijk? Ik kan u het antwoord niet geven, maar betrek deze uitgaven in ieder geval in uw overwegingen. U zult er in ieder geval geen spijt van krijgen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links