CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2021

Schnittke: Pianoconcert (1960)

Prokofjev: Symfonie nr. 2 in d, op. 40

Yefim Bronfman (piano), Cleveland Orchestra o.l.v. Franz Welser-Möst
TCO0003 • 54' • (sacd)
Opname: okt. 2020, Severance Hall, Cleveland (Schnittke); jan. 2020 Knight Concert Hall, Adrienne Arsht Center, Miami (FL)

 

Het Cleveland Orchestra stuurde mij dit nieuwe album dat mij weer met de neus op de feiten drukte: dat de coronapandemie het ruim een eeuw bestaande Cleveland Orchestra net zo heeft geraakt als ieder ander orkest. De al ruim van tevoren gemaakte plannen moesten of worden gecanceld of ingrijpend gewijzigd en een financieel vangnet om alle daaruit voortvloeiende misère de baas te worden en te blijven was er niet. Overheidssubsidies ontbraken om de financiële gaten te vullen en bij een gebrek aan (voldoende) publiek stonden de sponsors (bedrijven en mecenassen) evenmin in de rij om onder het COVID-19 juk grootschalig bij te springen*. Wat het orkest onder die toch wel barre omstandigheden voor ogen stond was evenwel helder: zoveel mogelijk dóórspelen en alle daartoe ten dienste staande middelen aangrijpen, waaronder de ‘Adella'- en ‘Focus' projecten (streaming) en muziekdiensten als Apple en Spotify. Zoals er tevens podcasts zijn waarin dirigent en orkestleden verhalen van de betekenis van muziek en werk en hoezeer die hun leven vorm hadden gegeven. En uiteraard de opnamen op het muzieklabel van het orkest, waarvan er twee in het ‘coronajaar' 2020 verschenen, waaraan dit nieuwe album kon worden toegevoegd. De keus viel op werk van Schnittke en Prokofjev.

Prokofjevs Tweede symfonie, naar het oordeel van de componist een werk van ‘ijzer en staal', ontstond in 1924/25 in Parijs en staat al lang en breed op de drempel van een nieuwe tijd, terwijl Schnittke met het uit 1960 stammende Concert voor piano en strijkorkest de drempel van het postmodernisme a al is overschreden. Nog een saillant detail: de Tweede symfonie werd vastgelegd in januari 2020, ruim een maand voordat COVID-19 wereldwijd tot ingrijpende maatregelen zou leiden. Het Pianoconcert van Schnittke daarentegen werd negen maanden later opgenomen, in oktober 2020, midden in de pandemie.

Over plannen gesproken: het was het idee van chef-dirigent Franz Welser-Möst om in een aantal concertprogramma's werk van Prokofjev te paren aan dat van Franz Schubert (mijn idee zou het niet zijn geweest, maar dit terzijde). De culminatie ervan zou dan later, in een aantal programma's, in maart 2020 met de Clevelanders in de ‘Gouden Zaal' van de Weense ‘Musikverein' moeten plaatsvinden. De op dit album vertegenwoordigde Tweede symfonie maakte er eveneens deel vanuit, maar er lijkt dienaangaande nog meer op de plank te liggen en volgen er mogelijk meer albums van die strekking. De symfonie van Prokofjev werd overigens niet opgenomen op de ‘thuisbasis' van het orkest, ‘Severance Hall', maar in Miami, waar het orkest al zo'n vijftien jaar jaarlijks te gast is.

Het mag dan op zich een uitstekende combinatie zijn: Schnittke en Prokofjev, het Cleveland had het Pianoconcert van Schnittke niet eens gepland. Sterker nog, het werk had nog niet eerder op de radar van het orkest gestaan, terwijl pianist Yefim Bronfman het evenmin op zijn repertoire had. Voor het oorspronkelijk geplande concert in september 2020 in Cleveland stond onder meer Beethovens Tweede pianoconcert op het programma.

Waarom dan toch Schnittke? Puur om praktische redenen: het werk is geïnstrumenteerd voor alleen strijkers en solopiano. Strijkers kunnen met een masker spelen, hout- en koperblazers uiteraard niet. Aldus kwamen de strijkers van het Cleveland Orchestra, Bronfman en Welser-Möst in oktober 2020 samen in ‘Severance Hall' om het werk op te nemen, als programmaonderdeel van de ‘Focus' serie. De geringe digitale stap naar dit album was daarna snel gemaakt.

Het pad dat Alfred Schnittke (1934-1998) heeft bewandeld is betrekkelijk smal, laverend tussen pure kitsch, gezochte lelijkheid en ontroerend-expressieve schoonheid, met een bombastische buitenkant en een verstilde, contemplatieve binnenkant. Het is een discours dat verloopt van lawaaierige ketelmuziek naar een bijna hypnotiserend verzinken. Van Bruckner keek hij diens ‘Generalpausen' af, met stilte geladen muziek. En misschien ontsproten zijn stoutmoedige ideeën omtrent de collagetechniek wel uit Mahlers Negende symfonie. Het doel heiligde de middelen: alle denkbare muzikale middelen moesten worden aangegrepen om woede, treurnis, lijden en weemoed uit te drukken, menigmaal nog versterkt door het gebeier van kerkklokken. De pastiche, het bleek hem op het lijf geschreven, het hilarische, sardonische, wrange, weerbarstige, absurde, maar ook liefdevolle.

En dan is daar Prokofjev met dat werk van ‘ijzer en staal', door roeien en ruiten gaand, meedogenloos voortrazend, waarin ook de (orkest)pianist zich behoorlijk te buiten mag gaan. Het beeld is niet dat van bijvoorbeeld de ‘IJzergieterij' van Aleksandr Mossolov, eveneens rond die tijd (1926) gecomponeerd, al zijn er wel degelijk raakvlakken aan te wijzen, waaronder exuberante dissonantie en felle ritmiek. Het tweede en tevens laatste deel, het thema met 6 variaties, ademt echter een geheel andere sfeer. Met tweemaal de tijdsduur van het openingsdeel mag het eerder uitgesponnen worden genoemd, een indruk waaraan zeker het eenvoudig gehouden diatonische thema (waaraan de knap geconstrueerde en inventieve variaties ontspruiten) bijdraagt. Alleen in de zesde en tevens laatste variatie keert het tomeloze geweld uit het openingsdeel terug (we kregen daarvan al een voorproefje in de derde variatie!), maar anders dan gedacht eindigt het werk toch weer met het thema, met de betoverende hobo bewegend onder een evocatief tapijt van strijkersakkoorden.

Het Cleveland Orchestra is een toporkest, decennialang tot in de perfectie gedrild door George Szell. Die perfectie is door de jaren heen, zij het met vallen en weer opstaan, vastgehouden. In oktober 2020 schreef David Allen voor The New York Times een uitgebreid artikel over het orkest: ‘The Cleveland Orchestra, America's Finest, Restarts Recording'. U kunt het hier (zolang de voorraad strekt…) downloaden. Het geeft een boeiend inkijkje.

De Hongaar George Szell (1897-1970) heeft het orkest zijn fenomenale ‘gezicht' gegeven, een prestatie die nog steeds doorwerkt, al is er uiteraard sprake van een andere generatie musici en een andere tijd. Hij heeft van een middelmatig orkest een topensemble gemaakt, al ging dat, nadat hij in 1946 was benoemd tot chef-dirigent, bepaald niet zonder slag of stoot. Het grote aantal opnamen (de lijst telt ruim 120 cd's) dat hij naliet, levert daarvan het klinkende bewijs, al moet er tevens bij worden aangetekend dat in die tijd het muzieklabel CBS niet uitblonk in goudgerande opnametechniek (met o.a. veelal scherpe strijkers en een wat beperkt klankperspectief).

Ook het Concertgebouworkest maakte uitvoerig kennis met zijn reputatie als ‘drill conductor'. Hij trad er tot 1959 regelmatig als gastdirigent aan en leverde voor Philips Classics o.a. een fenomenale uitvoering van de Tweede symfonie van Sibelius af. Szell, de Hongaar die van vele markten thuis was en waarvan musici zeiden dat musiceren onder zijn leiding zo ongeveer neerkwam op ‘Szellstraf'.

Hij was typisch zo'n autoriteit die wat dit betreft vandaag de dag geen enkele kans van slagen meer zou hebben (en door geen enkel orkestbestuur nog wordt gezocht). De Oostenrijkse dirigent Franz Welser-Möst (1960) is dus uit ander hout gesneden en sinds 2002 chef-dirigent (hij volgde Christoph von Dohnányi in die functie op). Hij past zeker qua capaciteiten in het rijtje illustere voorgangers, met na George Szell (van 1946 tot 1970), Pierre Boulez (van 1970 tot 1972), Lorin Maazel (van 1972 tot 1982) en – na bijna twee jaar zonder chef - de reeds genoemde Dohnányi (van 1984 tot 2002).

De uit Tasjkent afkomstige Yefim Bronfman (1958) mag dan Schnittke's Pianoconcert niet op zijn repertoire hebben gehad, in deze uitvoering is daarvan in ieder geval niets te merken. Het speelt het stuk met enorme inzet en laat de vele dubbelzinnigheden optimaal tot hun recht komen. Bronfman kent de weg in én naar de vele contrasten die het concert rijk is. Herhaaldelijk ontstaat zelfs de indruk dat er meer pianisten bij betrokken zijn, wat tevens iets zegt over Bronfmans virtuositeit. Het is een werk dat enerzijds is volgeladen met noten en anderzijds een net zo indrukwekkende bleekheid uitstraalt. In het Allegro (het volgt op het openings-Moderato) is het ritmisch profiel zo sterk dat het onwillekeurig aan Prokofjev doet denken. Virtuositeit mag ook daarbij dan een belangrijk aspect zijn, het gehele werk overziende ligt de klemtoon toch eerder bij sensibiliteit en raffinement dan bij ‘hoor mij nu eens virtuoos zijn' te liggen. Bronfman en het strijkorkest leveren daarvan zowel een intrigerende als bekwame staalkaart af.

Die positieve lijn kan worden doorgetrokken naar de uitvoering van Prokofjevs Tweede symfonie die een ware modeluitvoering te beurt valt. Zij getuigt van veel affectie en is vervuld van een bijna koortachtige, elektriserende intensiteit. Niet de uiterlijke show van het op zich fenomenale orkestspel trekt de aandacht, maar het bijzonder knap uitgewerkte ritmische en - met name in het tweede deel - expressieve profiel. Er is zoveel emotionele geladenheid dat het menigmaal tegen de plinten klotst, maar dat mag, nee dat moet ook. Dit is geen werk dat om reserves vraagt. Het moet voortdurend borrelen en koken, en dat is wat hier ook gebeurt.

Kortom, het pakt uit als een interpretatief maar ook klankmatig luisterfeest, in stereo en (nog meer) in surround, met vier vier ‘knappe koppen' aan de knoppen: Elaine Martone, Gintas Norvila, Jennifer Nulsen en Gus Skinas. Ook het begeleidende boekje is subliem uitgevoerd, met uitstekende toelichtingen en sprekende foto's, zij het in een minder handzaam formaat. Ieder album is voorts voorzien van een unieke code die toegang biedt tot de te downloaden audiobestanden in nog hogere resolutie. Voor wie over de daarvoor geëigende apparatuur beschikt blijkt dat zeker de moeite waard. Hoe het ook wordt gewend of gekeerd: dit is een prachtproductie.

________________
*) U kunt hier meer lezen over het zogenaamde 'endowment'-systeem: de financiële structuur die voor de meeste Amerikaanse orkesten geldt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links