CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2023

Franz Schmidt - The Symphonies

Schmidt: Symfonie nr. 1 in E - nr. 2 in Es - nr. 3 in A - nr. 4 in C - Notre Dame (carnavalsmuziek en tussenspel)

BBC National Orchestra of Wales o.l.v. Jonathan Berman
Accentus ACC80544 • 3.29' • (4 cd's)
Opname: 2020-2022, BBC Hoddinott Hall, Cardiff (VK)

 

In discografisch opzicht is het decennialang stil gebleven rond de componist Franz Schmidt (1874-1939), maar ook op de concertpodia was de 'oogst' bepaald niet groot. Het is een bekend fenomeen: dat beeld begint pas te kantelen als een of meerdere muzieklabels zich erover gaan ontfermen, zoals medio jaren tachtig, die daarmee dan tevens de weg naar het concertpodium vrijmaken. Op die manier kan het menigmaal in een stroomversnelling raken. Ook Schmidts oeuvre viel, althans deels, die eer te beurt. Een oeuvre overigens dat van vrij bescheiden omvang is, met vier symfonieën, twee pianoconcerten, twee opera's, drie pianokwintetten en twee strijkkwartetten, maar in de nalatenschap - in navolging van zijn tijdgenoot Max Reger (1873-1916) - wel een fors aantal orgelwerken. U kunt op onze site daarvan zo het een en ander terugvinden.

De vier symfonieën zijn als set inmiddels vrij goed in de discografie vertegenwoordigd. Zo verscheen in 1987 een complete set op het Tsjechische Opus-label met het Omroeporkest van Bratislava (tevens de geboortestad van de componist, het in de toenmalige dubbelmonarchie gelegen Pressburg) onder L'udovít Rajter (toen nog op lp, in 1994 op cd verschenen), in 1996 gevolgd door Chandos met de door Neeme Järvi geleide symfonieorkesten van Chicago en Detroit, waarna in 2007 Querstandt het stokje overnam met het MDR-Sinfonieorchester onder zijn toenmalige chef Fabio Luisi. Naxos maakte rond rond 2009 zijn opwachting met het symfonieorkest van Malmö met op de bok Vassily Sinaisky. En dan was er Paavo Järvi die met het hr-Sinfonieorchester Frankfurt die de vier symfonieën live opnam (hier besproken).

Dan zijn er nog de nodige 'losse' uitgaven op EMI, Decca, MDG, Pentatone, Deutsche Grammophon en last maar zeker not least de onlangs besproken, bijzondere fraaie uitvoering van de Vierde symfonie onder leiding van de nieuwe chef van de Berliner Philharmoniker, Kirill Petrenko (klik hier), toen wat mij betreft de beste in de catalogus. Wat daarbij eveneens een rol speelde was de live-registratie, die vorstelijk uit de luidsprekers kwam.

Of je van Schmidts muziek houdt is weer een ander chapiter. Met twee andere belangrijke tijdgenoten, Franz Schreker (1878-1934), en Ferruccio Busoni (1866-1924), componeerde Schmidt in de nadagen van de Romantiek, daarbij sterk onder invloed van de vele kruisbestuivingen die zij in de muziekmetropool Wenen konden opsnuiven en in hun muziek overdadig tot uitdrukking komen.

Dat Berg, Webern en Schönberg zich in de Oostenrijkse hoofdstad al volop bezighielden met wat de Tweede Weense School zou gaan heten, liet dus niet alleen Schmidt min of meer koud. Zijn affiniteit lag elders, bij de monumentaliteit van Anton Bruckners orgel- en symfonische werken (hij had bij deze grootmeester uit Sankt-Florian zelfs nog gestudeerd), maar ook bij componisten als Schubert, Brahms, Liszt; en niet te vergeten Reger. Schmidt was een van de vele componisten voor wie de traditioneel vast verankerde tonaliteit zo ongeveer heilig was en die samen met de klassieke vormen een onaantastbaar baken hadden gevormd in zijn muzikale ontwikkeling. Schmidt als verbinder tussen de Weense Klassiek en de late Romantiek.

Of Schmidt als rechtgeaarde opvolger van Bruckners symfonische concepten moet worden gezien is een kwestie van perceptie (de een vindt van wel, de ander vindt van niet), maar een feit is wel dat hij behoorde tot het muzikale ras van de echt symfonische denkers, zij die in staat waren om een uit de kluiten gewassen symfonie dusdanig te construeren dat vorm en inhoud met elkaar in evenwicht was en de toehoorder het als zodanig zelfs bij een eerste beluistering als een logisch geconstrueerd bouwwerk kon ervaren. Schmidt kon dat, al moet er gelijk aan worden toegevoegd dat dit in zijn Vierde symfonie naar verhouding het beste en in zijn Derde het minste is gelukt. Mogelijk is het daarom de Vierde die echt repertoire heeft weten te houden (al lijkt een kentering op komst te zijn), een werk-uit-een-stuk, in de meest letterlijke betekenis. Het hoofdthema aan het begin (geïntroduceerd door de trompet) van het eendelige werk is bepalend voor het gehele discours: het vervolg is er vrijwel volledig van afgeleid, een concept dat bepaald niet uniek is en dat we - zij het in de nodige varianten - ook aantreffen bij bijvoorbeeld Beethovens Vijfde en Schumanns Vierde. Een conciese, overzichtelijke vorm is voor de symfonie sowieso al een belangrijk uitgangspunt, zoals de grote Weense Klassieken Haydn, Mozart en Beethoven, met in hun kielzog Brahms, dat al ten overvloede hadden bewezen.

Dat brengt me op een bekend probleem dat (laat)romantische muziek veelal kenmerkt: dat de werkstructuur door de sterk uitdijende thematiek behoorlijk onder druk kan komen te staan. Geen wonder dus dat Bruckner met dat besef Beethovens 'Eroica' tot in den treure bestudeerde om vat te krijgen op diens uitgelezen vormrecept en de toepassing ervan in zijn eigen 'reuzenslangen'. De erkenning ook dat het uitgangspunt voor de symfonie het 'ideale' kopmotief dient te zijn, zij het niet meer dan de eerste zij het fundamentele stap op weg naar een zo bondig mogelijk gehouden thematiek (met uitzondering van het 'zangthema'). De exploratie ervan komt nog wel: in de doorwerking.

Bij Schubert (niet bij Brahms!) zien we die beknoptheid eigenlijk al fors kantelen, wordt de thematiek meer uitgesponnen, ontstaat in de Negende daardoor zelfs de 'himmlische Länge' waar Schumann (terecht!) zo enthousiast over was. Bij Bruckner kwam er wat dit betreft nog een stevige dimensie bij, werden hoofdthema en zangthema in de doorwerking maar ook in de vele transities nog aanmerkelijk verder uitgebreid en kwam zelfs de liedvorm in het gedrang. Het leidde tot reuzenslangen' de symfonieën van Bruckner en Mahler. De uitvergroting was tot een aparte kunst verheven, de geconcentreerde componeerstijl van Haydn, Mozart en in mindere mate Beethoven was verlaten.

Voor Schmidt gold dat niet: hij zocht de monumentaliteit niet in lengte maar in breedte en diepte; en hij slaagde daarin met vlag en wimpel. Bovendien kende hij het orkest op zijn duimpje, als voormalig cellist bij de Wiener Philharmoniker, toen zelfs nog onder Gustav Mahler. En het is uiteraard niet toevallig dat het dit orkest was dat zijn vier symfonieën ten doop hield, een waardering die tweezijdig moet zijn geweest, want de Derde symfonie droeg Schmidt speciaal op aan het orkest (Franz Schalk, de dirigent die samen met zijn broer in hun 'verbeteringswoede' maar niet van Bruckners partituren kon afblijven, leidde de eerste uitvoering in de Musikverein op 2 december 1928).

Het afzetten van die ene uitvoering ten opzichte van de andere pakt vaak uit als een hachelijke onderneming. Omdat er zoveel parameters in het spel zijn. Daarom heeft iedereen het recht op zijn eigen subjectiviteit en al helemaal als het om het beoordelen van muziek gaat. Er spelen (letterlijk!) zoveel verschillende componenten in de meest uitenlopende (veelal grijs)tinten dat van een grootste gemene deler al helemaal geen sprake kan zijn. Het is zelden of nooit alleen maar zwartwit. En áls we het dan over een 'ideale' uitvoering hebben, dan altijd met de gedachte dat het per se niet béter maar alleen ánders kan.

Paavo Järvi offreert met zijn 'Frankfurters' uitgelezen, verfijnd orkestspel, de timing is perfect, vorm en inhoud getuigend van grote cohesie, frasering, dynamiek en ritmiek tot in het kleinste detail afgewogen, het algehele beeld is afwisselend energiek en lyrisch, sprankelend, spiritueel en vol instrumentale schittering. Kortom, we horen deze symfonieën hier op hun best.

Dat brengt me dan ten slotte bij Jonathan Berman, die met het BBC National Orchestra of Wales evenals Paavo Järvi in dit laatromantische reperoire ware wondertjes weet te verrichten en niet onderdoet voor zijn alom zeer gewaardeerde collega uit Estland. Als er al een bedenking kan zijn dan betreft dat Berman meer nadruk left op het expansieve karakter van deze muziek (dat begint al bij de Eerste symfonie) en daarmee de vaak breed genomen tempi. Het doet het momentum nog verder stijgen, wat in de langzame delen in mijn beleving zonder meer als een aanwinst mag worden gezien, maar minder goed uitwerkend in de (snelle) hoek- en scherzo-delen, waar een lichtere toets aangewezen is. Maar evenals Paavo Järvi is Bermans aanpak - waar het erop aankomt - brisant te noemen: passie en energie spatten ervan af, waarbij de expressie tegen de plinten klotst. Wie de voorkeur geeft aan een ietwat gelijkmatiger visie op deze symfonieën is dan bij Paavo Järvi iets beter uit, als is subjectiviteit in deze beoordeling een belangrijke medespeler. Wat wel voor de volle honderd procent vaststaat is dat Berman met het orkest uit Wales met dit nieuwe album een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de Schmidt-discografie. Dat anders dan in de DGG-uitgave in die van Accentus niet alleen het tussenspel uit Notre Dame maar tevens de daaruit stammende 'carnavalsmuziek' (tijdsduur 4:17) is opgenomen legt daarbij geen gewicht in de schaal.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links