CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2017

 

Reger: Strijktrio nr. 1 in a, op. 77b - nr. 2 in d, op. 141b - Pianokwartet nr. 2 in a, op. 133*

Trio Lirico (Franziska Pietsch, viool; Sophia Reuter, altviool, Johannes Krebs, cello), Detlev Eisinger (piano)
Audite 97.714 • 84' •
Opname: september en oktober 2016, Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

   

In het voorwoord van haar Reger-biografie schreef Susanne Popp: Werk statt Leben is een radicale titel voor een biografie, maar hij is wel toepasselijk op een componist en musicus die niets liever deed dan componeren, dirigeren, piano- en orgelspelen, corrigeren, arrangeren en onderwijzen. Een dag zonder werk was een dag niet geleefd. Daar werd veel, heel veel aan opgeofferd, vooral vrije tijd, gezondheid, familieleven, vrienden- en kennissenkring. Het was de muziek in al haar facetten die zijn leven pas werkelijk zin gaf, er zijn betekenis aan ontleende. Vrijwel iedere handeling, ieder besluit, ook in de private levenssfeer en als het anderen betrof, stond in haar teken, werd door haar gemotiveerd of in een stroomversnelling gebracht'. Het draaide bij Reger om leven voor de kunst, niet om levenskunst. En omdat de muziek een doorslaggevende rol in zijn leven speelde wogen slechte kritieken, teleurstellingen en tegenstand des te zwaarder op hem. Zijn onwankelbare overtuiging dat zijn muzikale talent een geschenk van God en van Hem alleen was en in niets anders dan in onvermoeibare arbeid zijn rechtvaardiging kon vinden, maakte van hem een voortdurend voortgedrevene die zich daardoor willens en wetens blootstelde aan hevige zowel in- als uitwendige pressie. Het kon ook niet anders dan dat de kloof tussen een leven met en in de muziek met het bestaan van alledag in veel opzichten onoverbrugbaar was en dat veel van zijn mislukkingen en conflicten daarmee rechtstreeks verband hield. Wie zich volledig op de arbeid concentreert (ook al is dat scheppingsarbeid) en al 'het overige des mensen' daaraan zo niet opoffert dan toch onderschikt maakt, kiest alleen al in het sociale vlak voor een onherroepelijke vorm van kortsluiting. Wie in deze context een parallel zoekt tussen Reger en Beethoven vindt die zonder enige moeite, zij het dat bij Beethoven diens hardhorendheid de doorslaggevende drijfveer was.

Rode draad
Reger heeft zich een leven lang afgezet tegen het keurslijf van automatisme en routine. Het is ook Regers hoogste goed, onverschillig of hij als componist, als musicus of als pedagoog van zich laat spreken: artistieke vrijheid, creatieve autonomie, het is zijn voornaamste levenselixer. Die strikte onafhankelijkheid lag ook duidelijk in zijn aard. De jeugdige Reger mocht dan gehoorzaam zijn, hij zocht toen al zijn eigen weg, liet zich aan (overigens goedbedoelde) adviezen veelal niets gelegen liggen, destilleerde uit wat hem werd aangereikt of ingeprent wat hij echt belangrijk vond en vocht, inmiddels kunstzinnig gerijpt, met groot polemisch talent tegen muzikale als esthetische stromingen die hem niet aanstonden, zoals hij ook met een bijna onuitputtelijke energie en scheppingskracht een enorm oeuvre schiep. Hij was geen laatbloeier maar wel een laatkomer die met spreekwoordelijk gemak aanknoopte bij het wijdse panorama van de muziekgeschiedenis, een waar mer à boire waaruit hij zijn eigen ideaal wist te creëren. De componist die de eigentijdse stromingen liever aan zich voorbij liet gaan en zich daarbij juist als een ware eclecticus manifesteerde, zich oppervlakkig beschouwd vastbeet in het werk van de grote meesters uit het verleden, maar in werkelijkheid de eerste 'Aussteiger' was uit de 'vermeintliche Stringenz musikgeschichtlicher Entwicklung' (Volker Staub). Het is veelzeggend dat Wolfgang Rihm hem beschouwt als 'een van de meest fascinerende figuren in de muziekgeschiedenis'.
Regelmaat en orde, ze zijn in het leven van Reger niet vaak te vinden, veel hangt van allerlei toevalligheden aan elkaar, of blijkt achteraf zinloos of ongerijmd, of zaait twijfel en schept dubbelzinnigheid.

Niet 'exporteerbaar'
Misschien heeft de violist Yehudi Menuhin het nog het beste verwoord, nadat hij in 1929 in Berlijn voor het eerst heeft kennisgemaakt met Regers kamermuziek, uitgevoerd door het toen al fameuze Busch Kwartet: 'De doorslaggevende belevenis die avond was de eerste ontmoeting met de muziek van Max Reger. Hij is een van die niet exporteerbare componisten zoals die in alle cultuurkringen voorkomen, die de geest van het land zo sterk in zich concentreren dat hun muziek onbegrijpelijk blijft. Het contact met dergelijke randverschijnselen van buitenlandse muziek kan echter zeer inspirerend zijn. Wanneer men zich echter te diep in haar wezen verdiept, verliest men iedere oriëntatie. Ik zou later de gelegenheid moeten hebben mij met Reger bezig te houden, zijn gewicht, zijn dichtheid, zijn immense zin voor proportie te waarderen. Reger is sinds Bach misschien de grootste meester in de kunst van de fuga. Maar werkelijk nader gekomen ben ik hem niet. Hij laat zich gemakkelijker bewonderen dan liefhebben. Zoiets als wanneer je in een bibliotheek bent met boeken van Kant en Hegel en je het bedrukkende gevoel hebt geen ontwikkeld mens te zijn zolang je ze niet allemaal hebt gelezen en er een dissertatie over hebt geschreven'. De criticus Carl Dahlhaus heeft in 1973 een verklaring gezocht voor het onbegrip rond Regers muziek, dan wel haar afstand tot het publiek. Hij wijst daarbij op het gelijktijdige optreden van twee fenomenen: dat van de complexiteit en dat van de differentiatie van alle muzikale parameters samen. Dat leidt bij de luisteraar tot het gevoel er niets van te hebben begrepen. Zo in de trant van 'waar heb ik nu eigenlijk naar geluisterd?' Adorno spreekt niet voor niets van een 'monologue intérieur': gelaagdheid en dichtheid naast het ontbreken van verankerde contouren maken de muziek van Reger geen gemakkelijke 'prooi', een beeld dat ook vandaag overeind blijft.

Jena
Zijn afscheid in 1914 als dirigent van de Meininger Hofkapelle (die overigens kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog wordt opgeheven), de dood van hertog Georg II alsmede het afbreken van het Requiem doen Reger in een diepe scheppingscrisis belanden. Pas als hij naar Jena is verhuisd gaat het weer wat beter met hem.Tot dan is hij voortdurend op reis, waarbij hij ook Nederland aandoet en daar drie concerten geeft. In Berlijn dirigeert hij op uitnodiging van Richard Strauss zijn Mozart-variaties op. 132 en de Vaderlandse ouverture op. 140. Reger vindt in maart (het is inmiddels 1915, de Eerste Wereldoorlog is bijna een jaar aan de gang) een nieuw thuis in de rustige universiteitsstad Jena. Daar betrekt hij voor het eerst een eigen villa. Hij voelt zich bevrijd van allerlei verplichtingen en spanningen, zijn compositorisch elan keert weer terug. Op 7 april schrijft hij aan Straube: 'Nu begint de vrije, Jenasche stijl bij Reger'.

 
 
Max Reger in 1915

In de eerste zeven ontspannen maanden van 1915 ontstaat zowel Regers late werk als een groot aantal bewerkingen. Het is alsof een 'wilde' Reger tot rust is gekomen, van zijn Vioolsonate in c, op. 139 en de Strijktrio's op. 141 tot zijn laatste voltooide werk, het Klarinetkwintet in A, op. 146. Niet zozeer bezonken werken, als wel muziek van een elegisch resignerend karakter dat ver afstaat van zijn vroegere rebellie. Dat beeld past ook naadloos bij het gecomponeerde Pianokwartet op. 133, waarvan de première in 1910 tijdens het muziekfeest van de ADMV in Zürich uitbundig werd gevierd (waarbij er weer veel alcohol vloeide). Het stuk geldt, evenals de overige in Leipzig ontstane kamermuziekwerken, als meer,klassiek'en daardoor minder 'experimenteel', met veel expressie en aandacht voor het detail. Natuurlijk, Regers complexe contrapunt blijft ook in deze periode zijn onafscheidelijke metgezel. Het is voor menigeen het belangrijkste handelsmerk van zijn muziek geworden, wat onrecht doet aan de vele andere kwaliteiten dat zijn werk bezit.

Trio Lirico
Samen met de pianist Detlev Eisinger laat het Trio Lirico ook die vele andere kwaliteiten in Regers beide strijktrio's en het tweede pianokwartet in al hun glorie horen. De spitsvondigheid ervan, maar ook de brahmsiaanse gloed, de vindingrijke polyfonie, de karaktervolle harmonieën, de thematische metamorfosen, het geprononceerde expressieve discours met zijn vele lyrische zijpaden en de boven alles uittorende monumentale structuur. Het is bij deze uitmuntende musici in de beste handen. Ze zijn gevieren tegen de enorme taak die Regers muziek nu eenmaal stelt, niet alleen opgewassen, maar slagen er net zo meesterlijk in om de diepere lagen ervan bloot te leggen en de spirituele inslag die deze werken draagt geen seconde uit het oog te verliezen. Van Franziska Pietsch, de primus inter pares van het trio, besprak ik onlangs nog haar vertolking van Prokofjevs beide vioolconcerten (klik hier voor de recensie). Ook die opname kwam tot stand in de Berlijnse Jesus-Christus-Kirche, een van de beste Duitse opnamelocaties in de rijke discografische geschiedenis. Dat geldt niet minder voor deze Reger-registratie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links