CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2017

 

Prokofjev: Vioolconcert nr. 1 in D, op. 19 - nr. 2 in g, op. 63

Franziska Pietsch (viool), Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. Cristian Macelaru
Audite 97.733 • 50' •
Opname: maart 2017, Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

   

Soms is het heerlijk om verbijsterd te raken. Dat je niet weet wat je overkomt, maar dat het wel geweldig is om mee te maken. Dat was het geval met de beide vioolconcerten van Sergej Prokofjev door de Duitse violiste Franziska Pietsch (49) en het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin onder leiding van de Roemeen Cristian Macelaru (36). Om met Macelaru te beginnen: de kritieken in onze dagbladpers waren niet alle lovend na zijn optreden medio juni met het Concertgebouworkest en de pianist Radu Lupu (eveneens een Roemeen) in het Amsterdamse Concertgebouw. De teleurstelling was voor de recensent van NRC Handelsblad in ieder geval erg groot: had ze daar toch al haar positieve zinnen gezet op Kirill Petrenko! Maar hij moest onverwacht verstek laten gaan en dus werd in aller ijl Macelaru ingevlogen. Kort samengevat kwam het erop neer dat Macelaru volgens die recensent zich een dirigent toonde van het forse, verticale gebaar. Op die kritiek lever ik geen kritiek, maar wel stel ik nuchter vast dat met Macelaru's Prokofjev in het geheel niets mis is. Integendeel, zo scherp gerand en met zoveel stuwkracht hoor je de orkestpartij in deze beide concerten niet vaak. Dat ze een belangrijk markeerpunt vormen in het oeuvre van Prokofjev werd in deze uitvoeringen met grote overtuigingskracht bevestigd. Ik heb er bijna ademloos naar geluisterd.

Op zoek naar frisse lucht
Op 21 april 1918 dirigeerde Prokofjev in Sint-Petersburg de première van zijn ‘klassieke' (Eerste) symfonie, waarmee hij afscheid leek te hebben genomen van zijn provocatieve stijl van zijn wilde jaren. In de symfonie was het de haydneske spiritualiteit en elegantie die de boventoon voerden: een waar muzikaal charmeoffensief dat zijn uitwerking niet miste. In de zaal zat niemand minder dan Anatoli Loenatsjarski, de volkscommissaris die verantwoordelijk was voor het Russische onderwijs- en cultuurprogramma, een vertrouweling bovendien van Lenin, wiens conservatieve opvattingen over kunst hij overigens niet deelde. Na afloop van het concert had de componist een ontmoeting met Loenatsjarski. De legende wil dat zich het volgende gesprek ontspon: “Ik heb lang gewerkt, ik zou nu graag een beetje frisse lucht willen happen,” aldus Prokojev. “Maar vindt u niet dat we hier genoeg frisse lucht hebben?”, reageerde Loenatsjarski. “Ja, maar ik bedoel de werkelijke lucht van de zeeën en de oceanen,” riposteerde de componist. “U bent een revolutionair in de muziek, en wij zijn dat in het leven – we moeten samenwerken. Maar als u naar Amerika wilt gaan, zal ik u geen strobreed in de weg leggen.” Dat was niet tegen dovemansoren gezegd: een paar weken later reeds nam de toen 26-jarige Prokofjev afscheid van Sint-Petersburg. Hij reisde kriskras door Rusland, nam de boot in Vladivostok naar Yokohama en stak vervolgens de Stille Oceaan over om in september 1918 in New York neer te strijken. In zijn bagage bevond zich onder meer zijn Eerste vioolconcert dat hij kort voor het uitbreken van de Oktoberrevolutie van 1917 voltooid. Oorspronkelijk was de eerste uitvoering in november van dat jaar voorzien, maar de gewapende klassenstrijd had roet in het eten gegooid, terwijl de componist er daarna niet meer in slaagde om tijdig een voor de première geschikte solist te vinden. Het zou nog tot 18 oktober 1923 duren, alvorens het werk (dat evenals de ‘klassieke' symfonie in D-groot staat genoteerd) zijn eerste uitvoering mocht beleven, in de zaal van de Parijse opera met Marcel Darrieux als solist en Serge Koussevitzky als dirigent.

Vrijwillige terugkeer
Vanaf 1918 leefde Prokofjev geruime tijd in het buitenland, overwegend in Amerika en in Parijs. Maar heimwee trok hem naar zijn vaderland. Een ‘ziekte' die veel (wel of niet vrijwillige) bannelingen trof en nog steeds treft. Ook Sergej Rachmaninov leed er zeer onder, maar anders dan Prokofjev ging hij nooit meer terug naar zijn vaderland. Prokofjev ging na vele concerterende omzwervingen in maart 1936 definitief in Moskou wonen, in mei gevolgd door zijn vrouw en de beide zoons. Ondanks de overal om zich heen grijpende terreur, de talloze ontmoedigingen en wat Stalin verder nog voor zijn onderdanen in petto had, bleef Prokofjev tot zijn dood op 5 maart 1953 (toevallig op dezelfde dag dat ook Stalin stierf) de Sovjet-Unie trouw.

We vinden de ‘nomade' Prokofjev terug in zijn in 1935 geschreven Tweede vioolconcert, waarvan hij zelf zei: “De geschiedenis van dit werk is die van een reis in zijn zowel letterlijke als overdrachtelijke betekenis. Het ontstond in verschillende landen, waardoor het tot een spiegelbeeld van mijn nomadenleven als concerterende kunstenaar is geworden.” Zo ontstond het hoofdthema van het openingsdeel in Parijs, het eerste thema van het tweede deel in Voronezj en werd de instrumentatie in Bakoe voltooid. De première vond plaats in december 1935 in Madrid door de violist Robert Soëtens (vrienden van hem hadden de compositieopdracht gegeven) en het plaatselijk symfonieorkest onder leiding van Enrique Fernández Arbós. Soëtens zou het concert nog ten doop houden in andere Spaanse steden, en vervolgens ook in Portugal, Marokko, Algerije en Tunesië.

Groot viooltalent
De banneling Prokofjev en de banneling…Franziska Pietsch. Er zijn bepaalde parallellen, al liggen hun levens nog zo uiteen. Pietsch werd in 1969 geboren in Halle bij Leipzig, maar groeide op in Oost-Berlijn, onder het juk van de DDR. Haar jeugdige loopbaan laat zich gemakkelijk schetsen en verliep voor dit viooltalent tamelijk conventioneel. Ze stamde uit een muzikantenfamilie, was pas vijf toen ze haar eerst vioollessen kreeg en gaf als elfjarige al haar eerste publieke concert in de Komische Oper in Oost-Berlijn. Ze trad vervolgens vele malen met uiteenlopende Oost-Duitse orkesten op en studeerde ondertussen viool bij Werner Scholz aan het beroemde Hanns Eisler Musikhochschule. Ze werd duidelijk klaargestoomd voor een solocarrière binnen de omheining van de Deutsche Demokratische Republik. Als groot viooltalent werd ze - zoals zoveel musici, maar ook sporters - door de Partij in de watten gelegd en kon ze een beroep doen op allerlei faciliteiten die voor de gemiddelde DDR-burger niet waren weggelegd. Tot het in 1984 danig misging: haar vader vluchtte de grens over en vroeg asiel aan in de Bondsrepubliek. Wat voor de toen 14-jarige Franziska daarop volgde was uiteraard voorspelbaar: represailles links en rechts, zoals een ‘modelstaat' dat als geen andere kon. Dat duurde twee jaar, tot zij in 1986 uiteindelijk toestemming kreeg om zich samen met haar moeder en zus in West-Duitsland te vestigen. Daar studeerde zij verder, eerst bij Ulf Hoelscher in Karlsruhe, vervolgens bij Jens Ellermann in Hannover en niet lang daarna aan de Juilliard School of Music bij Dorothy Delay. Dan waren er nog de masterclasses bij Wanda Wilkomirska, Zakhar Bron, Ruggiero Ricci en onze Herman Krebbers.

Lotsverbondenheid
Mag in dit geval van een zekere lotsverbondenheid tussen Pietsch en Prokofjev worden gesproken? Ik denk van wel. Ik kende haar levensgeschiedenis en trok die conclusie ook in muzikaal opzicht al snel na het beluisteren van haar vertolking. Zelden hoorde ik een vertolking waarin het zo spottend, duivels en lyrisch toegaat, waarin ritmisch zo scherp langs de afgrond en zo schaamteloos overmoedig wordt gemusiceerd. Ik besprak onlangs lovend de nieuwe cd van Rosanne Philippens met onder meer Prokofjevs Tweede vioolconcert (klik hier voor de recensie), maar echt, dit slaat alles. Dat Cristian Macelaru en het Deutches Symphonie-Orchester Berlin volop mogen delen in deze ronduit spectaculaire ‘feestvreugde' (als het om Prokofjev gaat zet ik dat begrip liever tussen aanhalingstekens) is niet minder evident. Macelaru, de man van dat ‘forse, verticale gebaar' kon hier niet beter op zijn plaats zijn. Spectaculair is ook de opname, gemaakt op een van de beste Duitse opnamelocaties: de Jesus-Christus-Kirche in het Berlijnse Dahlem. De Berliner en Karajan hebben er voor Deutsche Grammophon ware triomfen gevierd, en zij niet alleen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links