CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2018

 

Ravel: Ma mère l'oye (compl.) - Shéhérazade (ouverture de feérie) - Le tombeau de Couperin

Les Siècles o.l.v. François-Xavier Roth
Harmonia Mundi HMM905281 • 57' •
Live-opname: okober en november 2016, mei, augustus en september 2017, Philharmonie de Paris; Cité de la Musique et de la Danse Soissons; Boulogne-Billancourt, la Seine Musicale; Southbank Centre, Londen

   

Drie belangrijke werken van Maurice Ravel (1875-1937), gestoken in een ietwat ander jasje. Twee daarvan schreef de Fransman voor een relatief klein orkest: Le tombeau de Couperin en Ma mère l‘oye. Achter die kleinere bezetting huizen twee verschillende redenen. Moeder de gans is het sprookje dat Ravel terugvoerde naar zijn jeugdjaren, terwijl het Couperin-monument een sobere muzikale hommage is aan zowel zijn in de Eerste Wereldoorlog gestorven vrienden als aan de stilistische verworvenheden van de Franse barokmuziek. Een oorlog overigens, waaraan ook Ravel – in zijn rol van gewondenverzorger – zelf deelnam. Hij heeft de verschrikkingen ervan niet alleen gezien, maar ook aan den lijve ondervonden. Shéhérazade, het derde werk op dit programma (het flankeert de beide overige stukken), is een ‘ouverture de féerie', en van een sprookjesachtige allure, precies zoals de titel al aangeeft. Het stuk wordt helaas zelden uitgevoerd, zowel op het podium als in de studio, wat mogelijk te maken heeft met zijn vroege ontstaan in Ravels loopbaan (1898) als componist. Soms wordt de meest kostelijke muziek afgedaan met de nietszeggende opmerking 'jeugdwerk'.
Anders dan de andere werken kent Shéhérazade (niet te verwarren met de cyclus van drie liederen met dezelfde titel) wel een forse orkestbezetting. Maar wat nog interessanter is: we horen Ravel al experimenteren met uiteenlopende orkestkleuren, zoals we dat later in nog veel uitgebreider vorm zullen tegenkomen in Daphnis et Chloé (de uitvoering onder Roth werd onlangs besproken door Emanuel Overbeeke: klik hier) en natuurlijk dat diep aangrijpende, vervormende meesterstuk van de Weense wals: La valse. Waarbij ik gelijk maar aanteken dat het niet per se noodzakelijk is om die kleurenrijkdom hoorbaar te maken met behulp van een instrumentarium zoals de componist dat toen heeft gekend en waarmee hij volkomen vertrouwd was. Al is het wel zo dat de vroeg twintigste-eeuwse Franse blaasinstrumenten deels een ander coloriet en technische uitmonstering kenden en dat – wie goed luistert! – de verschillen met het hedendaags instrumentarium zeker opvallen. Een goed voorbeeld daarvan is de hobo in Le tombeau de Couperin. Maar misschien is het nog belangrijker dat die vroegere instrumenten, vergeleken met die van nu, meer eisten van de bespelers, een aspect dat in deze uitvoering duidelijk meeweegt. Dat kennen we in nog veel sterkere mate van de instrumenten en de muziek uit Beethovens tijd: de ‘stress' die deze combinatie oplevert, tovert een geheel andere Beethoven voor dan die uitgevoerd op de - daarmee vergeleken 'luxueuze' - hedendaagse instrumenten. In vergelijkbare termen: in de negentiende eeuw zat men op een spijkerbed, tegenwoordig op het pluche.

Stress bij het musiceren kan van belangrijke toegevoegde waarde zijn. Tegenwoordig lijkt dat geen factor meer van belang te zijn, wat duidelijk afbreuk doet aan wat we (nog) onder ‘authenticiteit' verstaan. Wat de componist tijdens het schrijven in gedachten had was vanuit het instrumentaal perspectief bepaald anders dan zoals we die muziek nu horen. Dat geldt niet alleen voor de hout- en koperblazers, maar ook voor de strijkinstrumenten (toen uitsluitend uitgerust met darmsnaren). We moeten echter niet in een dogmatische en daarmee inerte toestand verzeild raken door authenticiteit op dit vlak als hoogste goed te gaan beschouwen. Ieder tijdsgewricht vraagt om de interpretatie die daarbij past en wie deze opvatting niet huldigt blijft onherroepelijk vastgeroest zitten in ‘wat eens was' (of waarvan wordt gedacht dat het zo was…) Afgezien van dit gefilosofeer: Roth en zijn troepen zetten een fenomenale Ravel neer, met veel kleur en fleur, ritmische finesse, perfecte attaque en superieure articulatie. De 'oude' instrumenten dragen daar zeker hun steentje aan bij. De gelaagde textuur wordt niet alleen door het fenomenaal spelende orkest tot in de puntjes geëtaleerd, maar ook in de strikt heldere opname.

Als ik uiteindelijk de balans zou moeten opmaken? Het instrumentarium is – ook hoorbaar! - van minder importantie dan wat de dirigent – en daarmee uiteraard het orkest - vanuit de partituur klaarspeelt. Roth (alleen afgaande op zijn Duits klinkende achternaam doet misschien niet vermoeden dat hij van Franse origine is, de zoon van de beroemde organist Daniel Roth) treedt met zijn Ravel (en dat gold al eerder, met zijn visie op het complete ballet Daphnis et Chloé) duidelijk in de voetsporen van een aantal belangwekkende voorgangers: Monteux, Ansermet, Boulez, Haitink en Martinon. Evenals zij laat Roth zich niet verleiden tot alleen pure klankschildering, maar doet hij met deze partituren veel meer: ook hij toont zich een meester in het creëren van spanningen en contrasten, is uitgesproken eigentijds in zijn benadering van deze kostelijke partituren en vormt het ‘authentieke' instrumentarium niet meer dan een bescheiden middel om zijn doel te bereiken. Van dat laatste hoeft dus niet meer te worden gemaakt dan wat het daadwerkelijk is. Terwijl Roths interpretatie daar ver bovenuit steekt. En om dat laatste is het toch uiteindelijk begonnen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links