CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2022

Amstel Quartet presents Pelecis

Pelecis: Gaudeamus? (capriccio voor saxofoonkwartet en orgel) - On the Shore of North Vidzeme (concertino voor klavecimbel en saxofoonkwartet) - Sunlight Sonata (voor saxofoonkwartet en piano) - Vier Weihnachten (voor zangstem en saxofoonkwartet) - Snow Prelude and Fugue (voor viool, fluit en drie saxofoons)

Amstel Quartet: Remco Jak (sopraansax), Olivier Sliepen (altsax), Bas Apswoude (tenorsax), Harry Cherrin (baritonsax); Una Cintina (orgel), Goska Isphording (klavecimbel), Laura Sandee (piano), Michaela Riener (zangstem), Winnie Hui-Wen Cheng (viool), Ilonka Kolthof (fluit)
Amstel Records AR022 • 70' •
Opname: maart 2021, Orgelpark, Amsterdam

   

Het fameuze Amstel Quartet (we bespraken al eerder meerdere albums van dit geweldig musicerende ensemble, bestaande uit Remco Jak op sopraan, Olivier Sliepen op alt, Bas Apswoude op tenor en Harry Cherrin op bariton) heeft zich ditmaal over muziek van de in 1947 in Riga geboren Letse componist Georgs Pelecis gebogen, waarin de vier saxofonisten werden bijgestaan door de organiste Una Cintina, de klaveciniste Goska Isphording, de pianiste Laura Sandee, de violiste Winnie Hui-Wen Cheng, de fluitiste Ilonka Kolthof en de zangeres Michaela Riener.

Een illuster gezelschap dat, zo blijkt uit deze vertolkingen, een rotsvast vertrouwen in deze stukken uitstraalt en dat ze met groot engagement te lijf is gegaan. De in het Engels geschreven toelichting van de musicologe en muziekjournaliste Thea Derks (ze is o.a. de auteur van Een os op het dak, hier besproken) geeft voorts een verhelderend inkijkje in de muzikale denkwereld van de Letse componist. En de onder auspiciën van Guido Tichelman gemaakte opname is gewoon prachtig.

Pelecis mag zeker niet worden gerekend tot de ‘radicalen' onder de componisten: zij die geprikkeld door revolutionaire vernieuwingsgedachten het eigentijdse muzieklandschap danig willen opschudden. Zijn muziek vertoont eerder de bekende kenmerken van het postmodernisme zoals zich dat vooral vanaf het begin van de jaren zeventig in het collectieve bewustzijn heeft weten te nestelen. Een stroming, een van de vele, niets meer en niets minder, zoals dat ook geldt voor bijvoorbeeld het bepaald niet baanbrekende minimalisme.

Het idee achter dat postmodernisme is voor eenieder helder en bovendien goed te overzien: niet de zoektocht naar het ‘nieuwe', het vooruitstrevende, het progressieve, het ongekende staat centraal maar een stilistisch samenstel van noten en klanken uitsluitend op de grondvesten van wat er al is. Als het ware het actualiseren van het bestaande muzikale ‘woordenboek' (of bibliotheek!), als zodanig verdisconteerd in het eigen (uiteraard wel) nieuwe werk. Overgeleverde, veelal tot op het bot beproefde stijlkenmerken aldus naar eigen inzichten ‘gesmeed' of ‘gekneed'; het oude en vertrouwde onderworpen aan nieuwe wendingen binnen de context van het eigen verhaal. Dat in dit creatieve proces (want dat is het uiteraard) veelal en dikwijls ruimhartig gebruik wordt gemaakt van citaten levert bovendien voor menige toehoorder een niet te versmaden herkenbaarheid op die de desbetreffende muziek voor hem perceptief 'begrijpelijk' maakt. Het is de meest gemakkelijke weg in de richting van de affiniteit van de potentiële afnemers: de musici en vervolgens het publiek. Wie zo componeert heeft meer uitzicht op succes dan wie als toondichter de wereld doldriest op zijn kop wil zetten.

Het zijn de puur conventionele parameters die in de meeste gevallen geen vervreemding oproepen. Melodie en harmonie worden niet onderworpen aan complexe processen, de structuur blijft doorzichtig, de herkenbaarheid als zodanig groot. Het is een vorm van vernieuwing die regelrecht voortvloeit uit conventie, getriggerd door het causale verband tussen heden en verleden. Het brengt het paradoxale in het spel: een nieuwe houding in de muziek op basis van wat al lang en breed voorhanden is. Wat tevens verklaart dat een postmodern stuk uit de jaren tachtig wel gemakkelijk wordt omarmd en een echt vernieuwend stuk uit de jaren dertig (Webern!) of vijftig (Stockhausen!) nog steeds niet. Wie Pelecis' Zonlichtsonate (voor saxofoonkwartet en piano) afzet tegen Weberns Symfonie op. 21 begrijpt precies wat ik bedoel, hoeft eigenlijk niet eens verder te lezen.

Natuurlijk kan men met een veroordelende blik naar die postmoderne creativiteit kijken. Het heeft immers iets gemakkelijks: een neoklassiek stuk wint het qua populariteit (te vereenzelvigen met toegankelijkheid) nu eenmaal op zijn sloffen van een echt vooruitstrevend werk, hoewel het in beide gevallen in kwalitatief opzicht (vrijwel) niets over de daadwerkelijke inhoud ervan zegt. In het postmodernisme overheerst de hulde aan de toonaard, het beeld is overzichtelijk, zijn welluidendheid wordt geassocieerd met schoonheid (waarover Adorno veel wetenswaardigs heeft neergepend).

Het is dit samenstel van factoren dat de postmoderne componist ten opzichte van wel echt vernieuwende tijdgenoten (maar ook zij uit een veel verder verleden!) qua publieke belangstelling in het voordeel brengt. Het verklaart tevens waarom de muziek van bijvoorbeeld Arvo Pärt zo waanzinnig populair is. Waarbij men zich mag afvragen of het deze muziek is die zich volmaakt verhoudt tot het tijdsbeeld waarin zij is ontstaan, of dat van het omgekeerde sprake is: dat het tijdsbeeld (of tijdsgewricht) het scheppen ervan heeft bepaald, gedragen door een samenleving die vooral ‘moe' is (geworden) als gevolg van allerlei negatieve tendensen (en vaak niet eens ver van huis en haard) en daardoor mogelijk minder behoefte heeft aan de inspannende verwerking van ingewikkelde structuren. Ik denk in dit verband bijvoorbeeld aan Canto Ostinato van Simeon ten Holt, een stuk dat in mijn beleving eigenlijk nergens over gaat, maar honderdduizenden wel degelijk in de ban slaat (in slaapzak op de grond, sluimerend of zelfs slapend). Een eigentijdse componist die erin is gaan grossieren is Joep Beving. Je kunt ervan denken wat je wilt, maar het is minstens een ‘trend' geworden die het inventieve aspect van een compositie naar de achtergrond heeft doenverschuiven: inventiviteit, daar gaat het helemaal niet meer om. Wie nog een sprekend voorbeeld wil, vindt dat in de niemendallen van Ludovico Einaudi, die er weliswaar meerdere landgoederen aan over heeft gehouden en wiens prullaria zelfs in gerenommeerde musici medestanders vindt.

Contemporain, waarde en betekenis vallen dus niet als vanzelfsprekend samen. Een stuk dat inhoudelijk weinig om het lijf heeft maar waarin de karakteristiek van het postmodernisme is verankerd kan in het publieke domein aanmerkelijk hoger worden gewaardeerd, zelfs een groter belang worden toegemeten dan een echt vernieuwend stuk dat qua progressief profiel door roeien en ruiten gaat.

Pelecis heeft als Letse componist zijn keuzes gemaakt, hij heeft de weg ingeslagen naar het postmodernisme, de stroming die ook in Oost-Europa stevige grond onder de voeten heef gekregen. Denk in dit verband ook aan componisten als Vladimir Martinov, Valentin Silvestrov en Peteris Vasks, aan - zij het mindere mate - Sofia Goebaidoelina of Alfred Schnittke. In eigen land schiet mij de namen van Joep Franssens, Willem Jeths, Caliope Tsoupaki, Jacob ter Veldhuis en (na diens 'Sturm und Drang' periode) Richard Rijnvos in gedachte.

“Als ik echt nieuwe muziek wil horen, reis ik af naar Donaueschingen.” Ik hoor het mijzelf zeggen… Er schiet me tegelijkertijd nog iets te binnen: wat een lid van het allerwegen zeer gewaardeerde Belgische Goeyvaerts String Trio mij eens vertelde. Dat het trio uitsluitend met levende (vooral avant-garde) componisten wilde samenwerken (muziek uit de eerste hand zogezegd), maar helaas vaak tegen een bastion van exploitanten moesten opboksen die vreesde voor een matige tot slechte zaalbezetting. Een hartenkreet die in een notendop tevens verhaalt van de perceptieve scheidslijn tussen avant-garde en postmodernisme.

Logisch dus dat afgezien van de daarin gespecialiseerde gezelschappen als Musikfabrik, Ensemble Modern, Asko|Schönberg, New European Ensemble, enz. het varen van een ‘voorzichtige' koers voor de meeste andere ensembles de meest voor de hand liggende strategie is. Een representatief voorbeeld daarvan was de oprichting eind jaren zestig in Engeland van het Scratch Orchestra als tegenbeweging van de avant-garde. Met iedere denkbare stilistische vorm werd met grote passie geëxperimenteerd, maar wel vanuit de optiek van het postmodernisme, dus met behoud van de vertrouwde tonaliteit als hoofdmotief. Het betekende de ongedwongen, zelfs tamelijk naïeve omgang met een gestiek die enerzijds volkomen vertrouwd in de oren klonk, maar waarmee men anderzijds de suggestie van nieuwigheid wilde wekken. Terwijl ook de net zo vertrouwde dissonant nieuw postmodern leven werd ingeblazen, zoals door Sofia Goebaidoelina en Wolfgang Rihm.

Georgs Pelecis neemt binnen deze constellatie een in zoverre bijzondere plek in dat hij zijn liefde voor de grote Vlaamse polyfonisten nooit onder stoelen of banken heeft gestoken (hij wijdde in 1977 als 30-jarige een dissertatie aan Johannes Ockeghem en publixeerde begin jaren negentig een academische verhandeling over het werk van Pierluigi Palestrina). Een zo fervent aanhanger van de grote polyfone werken uit Renaissance en Barok liet dat zijn werk als componist uiteraard niet onberoerd. Dat is wat zijn composities misschien nog wel het meest typeert: het knap geconstrueerde, meerstemmige karakter ervan, aangevuld met allerlei repetitieve elementen die naar het minimalisme tenderen, een term die hij overigens bewust uit de weg wil gaan: hij ziet eerder het ‘maximalisme' in zijn werk, verwijzende naar het tot het uiterste ‘uitbuiten' van het materiaal vanuit een rudimentaire opzet. Wat mij, toen ik dit las, onmiddellijk aan Beethoven deed denken die deze kunst als geen ander verstond.

Dat Pelecis' positief gestemde, niet van een fikse dosis humor gespeende, postmoderne werken direct aanspreken wordt door dit nieuwe album als het ware opnieuw bevestigd. Dat is niet alleen een kwestie van het onbevangen omgaan met het materiaal, maar ook dankzij de variëteit qua klankkleuren, mede gevoed door de verschillende bezettingen, in dit geval met het saxofoonkwartet als primus inter pares.

Zo uitgevoerd als op deze cd pakt het uit als een ronduit aanstekelijk expressief en kleurrijk palet, als is het cross-overpotentiaal door de vele (doelbewust) aangebrachte connecties bezien vanuit de nog steeds uitdijende muziekgeschiedenis, vrij hoog. Dat bepaalt evenwel merendeels het attractieve karakter van deze muziek voor een bre(e)d(er) publiek. Pelecis is daarmee de zoveelste Baltische creatieve ziel die muzikaal eerder verbindt dan scheidt. Om Frederic Rzwewski maar eens te citeren: The People United Will Never Be Defeated.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links