CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2013

 

 
   

Pärt: Adam's Lament (voor koor en strijkorkest) (2006) - Beatus Petronius (voor dubbelkoor, acht houtblazers, buisklokken en strijkorkest) (1990/2011) - Salve Regina (voor koor, celesta en strijkorkest) (2001/11) - Statuit ei Dominus (voor dubbelkoor, acht houtblazers en strijkorkest) (1990/2011) - Alleluia-Tropus (voor koor en strijkorkest) (2008/10) - L'Abbé Agathon (voor sopraan, bariton, vrouwenkoor en strijkorkest) (2004/08) - Estlands wiegenlied (voor vrouwenkoor en strijkorkest) (2002/06) - Kerstwiegenlied (voor vrouwenkoor en strijkorkest) (2002/06)

Tui Hirv (sopraan), Rainer Vilu (bariton), Latvian Radio Choir, Vox Clamantis, Estonian Philharmonic Chamber Choir, Sinfonietta Riga, Tallinn Chamber Orchestra o.l.v. Tonu Kaljuste

ECM New Series 2225 476 4825 • 63' •

Opname: mei 2007, november 2011, Niguliste-kerk, Tallinn (Estland)

 


Hoewel Arvo Pärt (1935) al jaren in Duitsland woont (hij is sinds 1981 inwoner van Berlijn), is hij creatief sterk verbonden gebleven met zijn geboorteland Estland, zo treffend beschreven door Jan Brokken in Baltische Zielen (klik hier voor de recensie). De stroom cd's van het Duitse ECM-label laten daarover geen enkele twijfel bestaan.

Het werk van Pärt kan vrij gemakkelijk in verschillende ontwikkelingsstadia worden ingedeeld, te beginnen met zijn eerste composities uit de jaren zestig, waarin hij nog naar een eigen stijl op zoek is en waarbij het met name Bartók en Prokofjev zijn, aangevuld met een stevige vleug Sjostakovitsj die voor Pärt, in 1963 afgestudeerd aan het Letse conservatorium (hij maakte deel uit van de compositieklas van Heino Eller), het muzikale parcours bepalen. Daarna was het de beurt aan de seriële compositietechniek, getuige de daarop volgende orkestwerken, met name de eerste twee symfonieën (de Derde, uit 1971, munt juist uit door een gevarieerde vermenging van stijlen, een rijk palet zelfs dat de componist op virtuoze wijze wist te hanteren) . Het was in de periode waarin Pärt naar hartenlust experimenteerde, wat bij de toenmalige Sovjet-machthebbers niet in goede aarde viel: zij moesten niets hebben van Pärts werkstukken à la Schönberg.

Er was een persoonlijke crisis voor nodig om een reuzenommezwaai te maken naar de - wat ik dan maar noem - muzikaal-religieuze, zelfs mystieke Pärt die de weg terúg verkoos, terug naar zo ongeveer de natuur der muzikale dingen, naar het gregoriaanse gezang en tot in de haarvaten van de westerse renaissancemuziek, met haar stijlelementen van de oude polyfone scholen (van Palestrina tot Ockeghem, van Des Prez tot Obrecht), zij het dat Pärt die stijlen niet eenvoudig kopieerde, maar ze inpaste in een eigen idioom dat het vooral moest hebben van groot vakmanschap en minder van oorspronkelijkheid. In Pärts muziek botsen de culturen niet, maar ze zijn keurig geïntegreerd, met veelal het woord als verbindend anker. Zoals Pärt het zelf zegt: "The text is independent of us; it awaits us. Everyone needs his own time to come to it. The encounter occurs when the text is no longer treated as literature or artwork, but as reference point or model."

 
 
Arvo Part

Dat Pärt in feite zijn spirituele crisis nodig had om tot nieuwe creatieve inzichten te komen heeft de vernieuwing evenwel danig in de weg gezeten. Zeker, kunst gedijt oppervlakkig bezien ook zonder vooruitgang (het is en blijft tenslotte een kwestie van vraag en aanbod, van mode), maar zonder vernieuwing valt een belangrijke dimensie weg. Wat dan resteert is niet veel meer dan de eindeloze recycling, wat we terugvinden in zowel menige nieuwe compositie als in hedendaagse concertprogramma's: er wordt niets meer toegevoegd aan het bestaande dat we in zekere zin al niet wisten, en dat zijn bestaansreden alleen maar 'bewijst' op grond van de de publieke smaak. Dit beeld is overigens alleen somber voor hen die de vernieuwing in de kunst een belangrijk bestanddeel van haar wezen toedichten. Voor anderen zijn de vertrouwde patronen, ook als die als 'nieuw' worden voorgesteld, vrolijk stemmend, of alleen maar prettig, de vaste burcht binnen handbereik. Kortom, wie (veel) meer wil moet verder reiken, desnoods bereid zijn zich een grotere inspanning te getroosten, afhankelijk van aanleg en ambitie.

Zo bezien is het mystieke minimalisme in de muziek van Arvo Pärt die vaste burcht , opgetrokken uit al die bouwstenen die ons zo goed vertrouwd zijn. Muziek die er niet werkelijk op uit is om onze eigen creatieve verbeelding al te zeer op de proef te stellen, maar veel eerder muziek die ons als een warm bad omsluit en waarvan de verrassing niet een van haar meest wezenlijke kenmerken is. In dit verband zegt het ook wel iets dat Pärt in 2011 door paus Benedictus XVI werd aangesteld als lid van de pauselijke , door religieuze en culturele conventies ingesnoerde Cultuurraad, een functie die het progressieve karakter van Pärt als componist al evenmin onderstreept.

De stukken van Pärt hebben doorgaans een etherisch karakter, ze willen daadwerkelijk hoog reiken, mensen misschien wel aansporen tot een religieuze beleving van metafysische proporties. Pärt voelt Gods nabijheid, hij meent zelfs twee kanten van God te kennen, getuige zijn toelichting bij Beatus Petronius en Statuit ei Dominus: "The feathery lightness of Beatus Petronius and, by contrast, the potency of Statuit ei Dominus are two sonic worlds, like the two sides of God, which I tried to touch, to trace in these works. It is difficult for us to fathom God - in terms of both his greatness and simultaneous infinite benevolence."

Het zal duidelijk zijn dat het religieuze mes in dit geval aan twee kanten snijdt: het verzekert Pärt van een grote schare bewonderaars én het creëert opdrachten, onder meer van de clerus, of het nu een opdrachtwerk betreft dat dient ter opluistering van een inwijdingsplechtigheid (een nieuw kerkgebouw bijvoorbeeld), of muziek die bestemd is voor een bepaalde liturgie.

Dat twee stukken op deze cd, het Salve Regina en L'Abbé Agathon, zijn geconcipieerd vanuit de baroktraditie (de akkoordopvolging in het eerste en het recitatieve karakter van het tweede werk wijzen duidelijk in die richting), lijkt alleen op papier een vernieuwende dimensie toe te voegen aan Pärts zo vertrouwde oud-polyfone schrijfstijl, want in feite is alleen de verpakking iets aangepast, terwijl de inhoud niet wezenlijk is veranderd. De doorgaans korte stukken (alleen Adam's Lament is met ruim vierentwintig minuten echt substantieel te noemen) zullen hun weg naar de liefhebbers ongetwijfeld weten te vinden, zeker in uitvoeringen zoals deze, want die zijn - evenals de opname - om door een ringetje te halen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links