CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2024

Mozart: Pianoconcert nr. 20 in d, KV 466 - nr. 23 in A, KV 488

Olga Pashchenko (fortepiano), Il Gardellino o.l.v. de solist
Alpha 942 • 59' •
Opname: juni 2021, Concertgebouw, Brugge

 

Precies twee jaar geleden besprak ik hier van Olga Pashchenko haar vertolking van Mozarts pianoconcerten KV 271 en KV 453. Nu dan dus dit nieuwe album met de al vaak beproefde combinatie van KV 466 en KV 488.

Op haar vorige album maakte ze gebruik van twee verschillende fortepiano's: in KV 271 een replica van Paul McNulty naar een model van J.A. Stein uit 1788, en in KV 453 een kopie naar een Anton Walter uit 1792, eveneens van McNulty.

Voor KV 466 en KV 488 koos Pashchenko opnieuw voor een instrument van McNulty en schreef ze, anders dan in de voorgaande pianoconcerten, zelf de cadensen voor KV 466, dienaangaande in lijn met beroemde voorgangers als Beethoven, Hummel, Alkan, Brahms, Busoni en Clara Schumann. Daarentegen kon Pashchenko voor KV 488 - ik citeer uit het boekje - de verleiding niet weerstaan om Mozarts (volledig uitgeschreven) cadens te spelen.

Door Paul McNulty vervaardigde kopie van een fortepiano van Anton Walter (1792)

Pashchenko (*1986) studeerde aan het Tsjaikovski Conservatorium in Moskou bij Alexei Lubimov (piano), Olga Martinova (klavecimbel en fortepiano) en Alexei Sjimitov (orgel). Elders volgde ze een groot aantal masteropleidingen bij onder meer Trevor Pinnock, Malcolm Bilson, Bob van Asperen, Bart van Oort en Andreas Staier. In 2011 name ze aan het Amsterdams Conservatorium lessen bij Richard Egarr. Vanaf maart 2017 gaf ze er zelf les, als docente fortepiano.

Is de fortepiano in het algemeen überhaupt het meest geschikte instrument voor de uitvoering van Mozarts pianoconcerten? Bezien vanuit de historiserende uitvoeringspraktijk is dat zeker het geval, en dan voldoen de reeds genoemde replica's van McNulty bijna als vanzelfsprekend aan dit beeld.

Om bij Anton Walter (1752-1826) te beginnen: hij was in Wenen ongetwijfeld de bekendste en meest gewaardeerde bouwer van fortepiano's, deze ‘Kays. Königl. Hof Orgel und Instrumentenbauer'. Walter zorgde voor menige vernieuwing en zijn mechanieken werden zelfs lange tijd als maatstaf beschouwd. Daartoe behoorde ook het vlekkeloos opvangen van de hamer bij het neerkomen (dat voorkwam, zeker bij krachtige aanslagen, onbedoeld terugkaatsen). Voor zover bekend verlieten zo'n zevenhonderd instrumenten zijn werkplaats. Een ervan werd in 1782 door Mozart aangekocht (Beethoven was er in 1802 hoogst in geïnteresseerd, maar zag op het laatste moment alsnog van koop af.) Volgens Carl Thomas Mozart (1784-1858) had zijn vader een voorliefde voor de vleugelvormige fortepiano. Het instrument stond niet alleen opgesteld in diens (Weense) studeervertrek, maar ook vond Mozart dat alleen een dergelijke instrument van Walter mocht worden gebruikt in zijn concerten, onverschillig waar die plaatsvonden: paleiszalen, theaters, casino's, rechtbanken, enzovoorts.

Wat ten aanzien van Mozarts appreciatie zeker mede een rol zal hebben gespeeld zijn de kniehendels, de voorlopers van de pedalen zoals wij die kennen: de rechterhendel fungeerde om de klank aan te houden, de linker als moderator (een viltlaag die mechanisch tussen hamer en snaar werd geschoven om de klank te dempen). Al op 17 oktober 1777 schreef Mozart vanuit Augsburg enthousiast aan vader Leopold over een dergelijk mechaniek:

'Deze keer zal ik meteen beginnen met de fortepiano's van Stein. Voordat ik er een van zijn maaksels had gezien, waren Spaths klavieren altijd mijn favorieten. Maar nu geef ik verreweg de voorkeur aan die van Stein omdat ze zelfs veel beter dempen dan de Regensburg-instrumenten. […] Dit apparaat, dat je met je knie bedient, werkt beter op die van Stein dan op andere instrumenten. Ik hoef het alleen maar aan te raken of het werkt: wanneer je je knie ook maar een fractie verschuift, hoor je niet de minste nagalm.'

Gedeelte uit de brief van 17 oktober 1777

In een aansprekende video op YouTube (klik hier) legt de Zuid-Afrikaanse fortepianist Kristian Bezuidenhout uit wat de bijzondere betekenis van de fortepiano is in relatie tot de muziek van Mozart, waarbij tevens de concertvleugel van Steinway ter sprake komt.

KV 466 (in de bezetting fluit, twee hobo's, twee fagotten, twee hoorns, twee trompetten, pauken en strijkers) werd op 10 februari 1785 in Wenen voltooid en vrijwel direct daarna uitgevoerd, in het Mehlgrube Casino, met Mozart als solist en dirigent. Vader Leopold schreef naar aanleiding daarvan aan zijn dochter Nannerl dat de kopiist nog tot op het laatste moment aan de orkestpartijen werkte en de componist daardoor niet eens meer tijd had om het Rondo met het orkest te repeteren: hij gaf liever voorrang aan het controleren van het door de kopiist afgeleverde werk.

KV 488 voltooide Mozart op 2 maart 1786, twee maanden voordat Le nozze di Figaro in première ging. Het werd waarschijnlijk voor het eerst uitgevoerd tijdens een van de drie abonnementsconcerten die Mozart in dat voorjaar had georganiseerd. Het is, ondanks het optimistische A-groot, een werk vol tegenstellingen (bij Mozart zijn mineur en majeur slechts zelden zwart-wit), in de bezetting van slechts fluit, twee klarinetten, twee fagotten, twee hoorns en strijkers. Het schaduwspel van licht en donker is net zo fenomenaal vormgegeven als de door ingenieuze motieven gedreven melodische en harmonische inventiviteit. Daarnaast getuigt het evenwicht tussen kleurrijke virtuositeit en lyrische expressie opnieuw van groot meesterschap, zoals ook de orkestratie ondanks de bescheiden middelen exemplarisch mag heten.

Anders dan soms wordt verondersteld is KV 466 geen 'duister doolhof' maar een van strikte helderheid getuigend scharnierpunt dat superieure spanningsopbouw paart aan schier grenzeloze subtiliteit, met zowel solist als orkest onder vrijwel voortdurende hoogspanning. Zelfs de lyrisch uitgesponnen Romance ontkomt er in het furieuze middendeel niet aan.

Dat er een duidelijk aanwijsbare correlatie is tussen deze beide concerten en Mozarts operawereld hebben vele musicologen al eerder overtuigend aangetoond. Ook Pashchenko memoreert het in haar (korte) toelichting:

'Thinking about these concertos as operas, where all the instruments are non-verbal heroes, strenghtened our idea of performing them without a conductor for a great chamber music-like interaction between all the personaggi. Altogether we wanted to create a play, a dialogue, such that both concerti would tell their own special story. [...] In KV 466 the cadenzas are fantasized by your humble servant and one might hear the shadow of Il Commendatore and the Requiem touching us with its ominous wing.'

Het is zonneklaar: dit is voor Pashchenko het belangrijkste uitgangspunt voor haar vertolkingen geweest, die onnavolgbare verbintenis tussen deze beide pianoconcerten en de opera, maar dan wel zonder opgelegde teatralità. De expressieve kracht in haar fascinerende betoog uit zich primair in de subliem getekende mengkleuren die synoniem zijn aan retorisch wisselende emoties, uitstralend van angst naar warme lyriek, van gepassioneerde felheid naar uitbundige vreugde. Het Vlaamse Il Gardellino bewijst zich opnieuw als het ideale, uiterst soepel reagerende ensemble dat door de doortastend vanaf het klavier dirigerende Pashchenko - uiteraard in samenwerking met concertmeester Evgeny Sviridov- met veel elan wordt aangevuurd. Het kan prima zonder dirigent, zoals grote voorgangers van Pashchenko onomstotelijk hebben aangetoond, waaronder Andsnes, Barenboim en Uchida.

De vertolker gaat, het genie blijft. Daar is Pashchenko zich uiteraard van bewust, en dus past bescheidenheid. De wetenschap ook dat geen enkele musicus iedere aspect van deze uitzonderlijk rijke partituren kan belichten. Ze komt daarin heel ver, in dit uitermate gedreven spel, wars van iedere routine, de diepgravende verkenning van het innerlijke en het uiterlijke, het - al is het slechts suggestie - intuïtieve dat dit spel eveneens kenmerkt, naast het bijna etsende reliëf, mede dankzij de hierin excellerende fortepiano met zijn van nature evenwijdig lopende snaren.

Om bij dit laatste even stil te staan: tot 1835 liepen de snaren parallel, dus evenwijdig aan elkaar. Het was Johann Heinrich Pape die op het idee was gekomen om in de piano de bassnaren diagonaal te spannen, en wel zo dat ze de discantsnaren kruisten. Zo kon hij een piano bouwen met een redelijk forse toon, met een maximale snaarlengte van 133 cm en een hoogte van niet meer dan zo'n 100 cm.

Rond 1870 kwam Steinway met een kruissnarige vleugel. Het voordeel daarvan was de veel forsere toon bij een snaarspanning van maar liefst zo'n 25.000 kg (die dankzij de driehoeksvorm keurig kon worden verdeeld). Het bleek een succesvol concept dat al spoedig door meer pianobouwers werd nagevolgd. Het onvermijdelijke gevolg was tenslotte de standaardisering en daarmee de uniformiteit van de pianoklank. Maar met de opkomst van de historiserende uitvoeringspraktijk in de jaren zestig van de vorige eeuw kwam evenwel ook de zoektocht op gang naar grotere diversiteit en helderheid van klank. De Belgische klavecimbel-, piano-, en vleugelfabrikant Chris Maene bracht niet eens zo lang geleden een vleugel met parallel aangebrachte snaren op de markt; als compromis tussen de fortepiano en de traditionele concertvleugel.

In de concertzaal moet de fortepiano het qua volume meestal afleggen tegen het orkest. De enige oplossing is dan het uitdunnen van de orkestpartijen, wat op zich geen enkel bezwaar kan opleveren omdat in de achttiende en deels negentiende eeuw een dergelijke bescheiden bezetting niet alleen gebruikelijk was, maar er vaak ook in kleinere ruimten werd gespeeld.

Het fonkelende en flitsende spel van Pashchenko is uiterst gedetailleerd en sonoor vastgelegd, zoals dat ook geldt voor de vele mengkleuren en de al even vlekkeloze balans tussen fortepiano en ensemble (wat zonder opnametechnische kunstgrepen slechts zelden lukt). Ik roemde reeds de bevlogen musici van Il Gardellino die voor Pashchenko de ideale partners vormen (en zo te horen omgekeerd ongetwijfeld ook).

______________________
Voor de (ongetwijfeld vele) liefhebbers: in februari nam het gezelschap Mozarts pianoconcerten KV 238, KV 246 en KV 456 op. De verschijning van het album staat voor het komende jaar gepland. In de herfst van dit jaar verschijnt van Pashchenko een soloalbum, Song Without Words, gewijd aan Felix en Fanny Mendelssohn. Op 27 september en 19 oktober is Pashchenko te horen in Der letzte Mann (1924), in respectievelijk het Muziekgebouw in Amsterdam en de Leidse Schouwburg (u kunt er hier en hier meer over lezen).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links