CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2012

 

 

Schubert: Symfonie nr. 8 in b, D 759 (Onvoltooide) - nr. 9 in C, D 944 - Ouverture Rosamunde D 797 - Militaire Mars nr. 1 in D, 733 - Arpeggione-sonate
in a, D 821 (bewerkt voor cello en orkest door Gaspar Cassado)

Schumann: Pianoconcert in a, op. 54

Gaspar Cassado (cello), Emil von Sauer (piano), Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg

Andromeda ANDRCD 9109 (2 cd's)

Historische live-opname: november 1942 (D 759), december 1940 (D 944), 27 november 1941 (D 797), 17 april 1942 (D 733), 12-12-1940 (D 821),
10 oktober 1940 (op. 54),
Concertgebouw, Grote Zaal, Amsterdam


Het zijn zwart omrande muziekbladzijden: Willem Mengelberg en het Concertgebouworkest in de Tweede Wereldoorlog. We weten allemaal wat er in die donkere oorlogsjaren is gebeurd, welk vreselijk lot de joodse medeburgers, waaronder in het gehele land ook vele orkestleden, ten deel viel en hoe de grote dirigent Mengelberg na de oorlog eenzaam en verguisd zijn laatste levensjaren in zijn Chasa Mengelberg in de Zwitserse Alpen sleet (klik hier), tot zijn dood op 22 maart 1951. We kennen ook allemaal het probleem van de tegenstelling tussen artistieke waardering en het postuum ontbreken van nog enig moreel gezag. Van het eerste leggen de uit die tijd resterende geluidsopnamen getuigenis af, van het tweede ligt nog ergens in die enorme berg een archiefkast met het opschrift 'das war einmal'.

Terugkijkend (feitelijk terugluisterend) is het op zijn minst interessant dat de grote dirigenten van weleer veel meer dan tegenwoordig hun vertolkingen geheel naar eigen smaak inrichtten. Zeker, ook toen werd door critici op hun vingers gekeken, maar van enigerlei globalisering viel nog niets te merken en was van eenheidsworst absoluut geen sprake. En de artistieke 'smaak' die er was werd ingegeven door een sterke, persoonlijke overtuiging. Terwijl toen veel niet klopte: de historiserende uitvoeringspraktijk was nog een onbekend fenomeen, gedrukte partituren wemelden van de fouten en men had er geen moeite mee om de muziek op menig punt beentje te lichten. Hoe sterker het eigen karakter, hoe meer er een eigen interpretatieve koers werd uitgezet. Iedere dirigent die echt iets had mede te delen maakte nu eenmaal die worsten niet. Bovendien keurde hij als slager zijn eigen vlees: wie eenmaal hoog te paard zat hoefde zich niet of nauwelijks iets aan te trekken van het voetvolk, met name niet van recensenten die geheel andere opvattingen koesterden. Ik herinner slechts in dit verband aan de eindeloze polemieken die de muziekcriticus en componist Matthijs Vermeulen in de vaderlandse pers over Mengelberg (en niet alleen over hem!) uitstortte, niet zozeer over Mengelbergs dirigeerkunst, maar over diens gebrek aan vernieuwing. Door Vermeulen volkomen te negeren deelde Mengelberg hem een gevoelige klap toe, eerst als criticus en niet lang daarna tevens als componist. Dat deed Vermeulen uiteindelijk besluiten om zich in Frankrijk te vestigen.

Wie mocht denken dat orkestleden tijdens repetities tegenwoordig aan de lippen van de dirigent hangen heeft het mis: Sachlichkeit bitte! Willem Mengelberg kon het niet laten zijn musici met ellenlange verhalen en allerlei vergelijkingen soms tot wanhoop te drijven, naar het voorbeeld van de grote Hans von Bülow, die als 'concertredenaar' door het muzikale leven ging. Zou het een legende zijn dat hij zwarte handschoenen aantrok alvorens de opmaat te geven voor de Marcia funebre uit Beethovens Eroica?

Ellenlange verhalen zeggen wel iets over de wijze van interpreteren. Zo gag de dirigent Felix (von) Weingartner over het openingsthema van Mozarts Symfonie in g, KV 550 de volgende lezing ten beste: "Een vlinder die op een mooie zomerdag met lome vleugelslagen over de kelk van droefgeestig neerhangende campanula's zweeft." En zo dirigeerde Weingartner het natuurlijk zo. Tegenwoordig raakt menige recensent al in de hoogste staat van opwinding als een door de componist voorgeschreven herhaling niet wordt gerespecteerd, bij een gering tempoverschil of als Schuberts Negende met viervoudige blazerbezetting wordt uitgevoerd.

We vergissen ons deerlijk als we de muziekinterpretatie uit het verleden afdoen als 'ouderwets'. We miskennen dan de waarde en de betekenis van de kijk van vorige generaties op de muziek die ons lief is, waarmee wij affiniteit hebben. We geven er de voorkeur aan om 'onze tijd' vooraan te plaatsen en alles wat is geweest bijna werktuiglijk een lagere rangorde toe te kennen (de volgende generatie doet het waarschijnlijk net zo...) Door die miskenning leren we niet van het op zich zeer rijke verleden en horen we geen muziek in haar muziekhistorische context. Wat weten we van het verschil tussen Otto Klemperers 'Neue Sachlichkeit' (die hij al tijdens zijn bewind aan de Berlijnse Kroll-Oper volop in praktijk bracht) en de stilistische opvattingen van Mengelberg? En zouden we niet dichter bij de muziek van Gustav Mahler kunnen komen door juist kritisch naar Mengelbergs interpretatie ervan te luisteren? Hij kende de componist even goed als zijn collega's Klemperer en Bruno Walter.

De legendarische pianist en 'herschepper' Glenn Gould nam nooit een blad voor de mond. Over Mengelberg was hij echter onverwacht positief met zijn vaststelling dat de dirigent de beste dirigeertechniek in huis had en dat hij hem en Leopold Stokowski tot de absolute top rekende. Daar kwamen dirigenten als Klemperer, Walter en Furtwängler nu eens even niet aan te pas. En dan was het Mengelberg, zo zei hij, die het orkest zelfs nog bij elkaar wist te houden tijdens de meest vreemdsoortige, door de dirigent geïnitieerde tempowisselingen. Maar ook als vroegere collega van Gould, als pianist, stond Mengelberg zijn mannetje: tijdens het afscheidsconcert van zijn voorganger Willem Kes speelde Mengelberg doodgemoedereerd het Eerste pianoconcert van Liszt...als solist wel te verstaan!

Mengelbergs Schubert is 'moderner' dan misschien wordt gedacht. Ja, er zijn portamenti, de tempi zijn soms wat aan de trage kant (althans trager dan we nu gewend zijn, zoals aan het begin van de Onvoltooide) en er zijn de momenten dat dynamiek en tempo zich doelbewust in elkaar verstrengelen, maar niemand kan beweren dat we hier te maken hebben met uitgesproken 'ouderwetse' vertolkingen; zelfs niet als we onze hedendaagse meetlat naastleggen.
Natuurlijk, Mengelberg schoeide zijn Weense klassieken op zijn leest, maar dat maakt de vergelijking met de Schubert-vertolkingen anno nu er alleen maar interessanter door. Dat de verschillen daarbij soms erg groot zijn ligt voor de hand: wie deze uitvoeringen vergelijkt met die met hetzelfde orkest onder Nikolaus Harnoncourt, meer dan een halve eeuw later opgenomen, hoort een duidelijk andere Schubert, niet in de laatste plaats door nieuwe(re) inzichten in de partituren (en manuscripten!). Bovendien is Harnoncourt een musicologisch geschoolde dirigent die echt manuscriptonderzoek doet, terwijl Mengelberg dat niet was. Zijn partituren wemelen van de aanwijzingen en opmerkingen in verschillende potlookleuren, maar die houden vrijwel zonder uitzondering verband met de interpretatie op basis van de voorliggende druk. Maar dat maakt de uitvoeringen onder Mengelberg nog niet 'ouderwets'. Het is zelfs niet verbazingwekkend dat menigeen mogelijk 'valt' voor de grotere dosis lyriek (ook in de houtblazers!) die Mengelberg zijn uitvoeringen meegaf, terwijl Harnoncourt nu juist meer opschoof naar een andere kant van het expressiespectrum: die van de korte baan in de themabehandeling, met een zeer sterke puls en stevige accenten. Mengelberg daarentegen excelleerde in sfeertekening (drie willekeurige voorbeelden: het Andante van de Negende symfonie, de inleiding van de Rosamunde-ouverture en het slotdeel van de Arpeggione). We zien dat beeld overigens ook terug in het Intermezzo van Schumanns Pianoconcert, zonder dat overromantisering echter greep krijgt op een vertolking die ook in de hoekdelen zowel pianistiek als orkestraal overtuigt. Het lijkt eentonig, maar ook het spel van het Concertgebouworkest in de Arpeggione-sonate in deze versie voor cello en orkest (de bewerking had Cassado zelf gemaakt, waarbij hij de orkesttussenspelen bovendien had uitgebreid en er nog een cadens aan had toegevoegd, met als resultaat het Celloconcert in a ‘Arpeggione'). De première vond plaats in het Schubertjaar 1928) getuigt van een ferme, maar nooit ruige aanpak die als een handschoen past bij het eveneens niet flamboyante, maar wel muzikale spel van de solist, Gaspar Cassado. Mengelbergs dominantie blijkt in ieder geval niet uit deze samenwerking tussen solist en dirigent. Dat alle partijen soms steken laten vallen hoeft niemand te verbazen: dit zijn veeleisende stukken die niet onder studiocondities zijn vastgelegd. Maar let op: Ondanks die geringe ontsporingen horen we hoe goed het orkest toen was.

Vanuit een muziekhistorisch perspectief horen deze Mengelberg-vertolkingen er uitdrukkelijk bij. Ze passen in een lange uitvoeringstraditie die niet alleen voor het Amsterdamse muziekleven maar ook ver daarbuiten van grote betekenis is geweest (Mengelbers opnamen met andere orkesten, waaronder de Wiener Philharmoniker, bewijzen dat nog eens uitdrukkelijk). Mengelberg heeft in ons land een belangrijke rol gespeeld in de muzikale ontwikkeling in het algemeen en in die van het Concertgebouworkest in het bijzonder. Hij kwam als 24-jarige bij het orkest als chefdirigent en bleef er een halve eeuw. Hij had nog aanzienlijk langer kunnen dirigeren als hij de 'goede kant' had gekozen, maar hij verkoos nu eenmaal - net als die andere grote Duitse collega, Wilhelm Furtwängler - de nachtzijde. Toch was zelfs die ook bepaald niet onbekende joodse collega, Otto Klemperer (die vóór het drama zich ging voltrekken de wijk had genomen naar Amerika), nogal mild jegens Mengelberg. In ieder geval mild genoeg om een herdenkingsconcert te dirigeren, kort na de dood van Mengelberg, in maart 1951. Dit sloot aan bij Klemperers grote waardering voor Mengelberg als dirigent, een oordeel dat volledig werd gedeeld door grootheden als Richard Strauss (die zijn 'Heldenleben' aan het orkest opdroeg en waarvan Mengelberg in 1928 met het New York Philharmonic een legendarische opname maakte, een prestatie die hij in 1941 in Amsterdam niet meer zou verbeteren) en Gustav Mahler (die met Mengelberg goed bevriend was en regelmatig in Amsterdam was om het Concertgebouworkest te dirigeren in eigen werk).

Het is allemaal geschiedenis, maar we horen het terug in deze Schubert-vertolkingen, die daar eveneens toe behoren. Andromeda vermeldt op het cd-hoesje 'new remastering, 24 bit / 96 kHz', maar ik kan niet beoordelen welke zoden dit nu precies aan de auditieve dijk heeft gezet aangezien ik de oorspronkelijke platen niet bezit. Hoe het ook zij, dit zijn en blijven historische opnamen met de beperkingen vandien, waarbij wel moet worden gezegd dat de klankkwaliteit mij in alle opzichten reuze meeviel. Een belangrijk tijdsdocument dat de uitgebreide documentatie had verdiend die in het cd-boekje in geen velden of wegen te bekennen is.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links