CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2011

 

 

Bruno Maderna - Complete works for orchestra (vol. 3)

Ausstrahlung (voor vrouwenstem, fluit, hobo, groot orkest en band) (1971) - Biogramma (voor groot orkest) (1972) - Grande Aulodia (voor fluit, hobo en orkest) (1970)

Carole Sidney Louis (sopraan),
Thaddeus Watson (fluit), Michael Sieg (hobo), hr-Sinfonieorchester/Frankfurt Radio Sinfonieorchester o.l.v. Arturo Tamayo.

NEOS 10935 • 73' • (sacd)

(klik hier voor deel 1 en 2)

www.neos-music.com


Een van de meest essentiële kernmerken van de muziek van de Italiaanse componist Bruno Maderna (1920-1973) is enerzijds haar verstaanbaarheid en anderzijds het avant-gardistische karakter ervan. Maderna was zonder enige twijfel een nieuwlichter die bovendien goed op de hoogte was van de experimentele muziek van zijn collega's. Vanaf 1950 bezocht Maderna de bekende zomercursussen in Darmstadt, hij doceerde er en kwam er in contact met zijn tweede echtgenote, met wie hij zich uiteindelijk in deze stad vestigde. In dit verband verwijs ik graag naar het artikel van Leo Samama over Maderna (klik hier).

De toegankelijkheid van zijn stukken is groter dan misschien wordt gedacht: ondanks zijn sterke betrokkenheid bij de elektronische en seriële muziek was en bleef hij tot het eind verknocht aan de Italiaanse zangkunst waaruit hij zelf voortkwam. Het was Maderna die bijvoorbeeld Monteverdi's Orfeo in een geheel nieuw instrumentaal jasje stak en die als geen ander de verbinding wist te leggen tussen het 'Oude' en het 'Nieuwe'.

 
  Bruno Maderna

Ik was achttien toen ik voor het eerst kennismaakte met Maderna's optreden als dirigent. Dat was in het Amsterdamse Concertgebouw in juli 1965, waar hij het Concertgebouworkest dirigeerde in het Pianoconcert van Kees van Baaren, Schönbergs Fünf Orchesterstücke, Mendelssohns Schotse symfonie en enige Mozart-aria's met de sopraan Ilse Hollweg. Aloys Kontarsky, de solist in het pianoconcert, vormde in die tijd een vermaard pianoduo met zijn broer Alfons. Evenals Maderna speelden en doceerden ze in Darmstadt, en waren ze wegbereiders voor menig avant-garde componist, waaronder Karlheinz Stockhausen.

Het was een gemiste kans dat Maderna, de grote componist en dirigent, niet in de gelegenheid is gesteld om samen met chefdirigent Bernard Haitink (die in 1964 zonder de steun van Eugen Jochum zijn carrière bij het Concertgebouworkest voortzette) te werken aan de consequente vernieuwing van het orkestrepertoire. Het orkest had daarvoor alles in huis: techniek, charisma én op hoog niveau aangestuurde artistieke samenhang. Sterker nog, het glanzende ensemble deed niet onder voor die uit Londen, Berlijn, Wenen en New York. Het heeft evenwel geen zin om te mijmeren over al die geweldige stukken die we daardoor hebben moeten missen (we zouden vandaag de dag hetzelfde kunnen zeggen, met de o zo behoudende Mariss Jansons als chefdirigent). Misschien hadden we, met Maderna mede aan het bewind, in 1969 zelfs geen Notenkrakeractie gehad. Om het historisch perspectief verder te bepalen: het Schönberg Ensemble ontstond pas in 1974, het Schönberg Kwartet twee jaar later en het Asko Ensemble in 1977.
Het zou trouwens ook niet gewerkt hebben: de samenwerking tussen de bijna pijnlijk correcte, strak in het pak zittende Marius Flothuis als artistiek leider van het Concertgebouworkest en het muzikale zondagskind in zijn steevast slordige outfit. Maar bij het Residentie Orkest werd Maderna in die tijd wél op handen gedragen en dirigeerde hij daar vaak.

Een andere voorvechter van het eigentijdse repertoire, de Oostenrijkse dirigent Hans Rosbaud, was in 1962 overleden, maar een andere protagonist, zijn Franse collega Ernest Bour, was er in de jaren zestig nog wel degelijk en bovendien net over de vijftig, in de kracht van zijn artistieke leven. Toen Maderna voor het eerst in Amsterdam dirigeerde was Bour pas een jaar chefdirigent van het symfonieorkest van de Südwestfunk in Baden-Baden, een ensemble dat zich vrijwel uitsluitend inzette voor de moderne en de eigentijdse muziek en als zodanig een enorm belangrijke gangmaker was van het eigentijdse componeren. Vier jaar na het overlijden van Maderna werd Bour de vaste gastdirigent van het toenmalige Radio Kamerorkest. Hoe bijzonder zou dat niet zijn geweest, twee in het hedendaagse repertoire excellerende dirigenten binnen onze landsgrenzen, op posten die er werkelijk toe deden: Hilversum (Bour) en Amsterdam (Maderna)! Bour die grote premières leidde, van werken van o.a. Hindemith, Górecki, Rihm, Stockhausen, Ferneyhough, Ligeti, Stravinsky, Jolivet, Xenakis, Susman en Stockhausen. Maderna, die in ons land furore maakte met stukken van Eisma, Van Vlijmen, Serocki, Lutoslawski, Berio, Varèse, Schönberg, Berg en Webern! Een componist die zo bescheiden was dat hij het dirigeren van eigen werk het liefst aan anderen overliet: zo was het Ernest Bour die 'Aura' (1972) in oktober 1974 ten doop hield, precies een jaar later gevolgd door het Vioolconcert (1969) met Theo Olof als solist en Diego Masson als dirigent. Nog kort voor zijn dood zou Maderna in het Circustheater in Scheveningen de première dirigeren van zijn eerste opera, Satyricon, maar het kwam er niet meer van. Halverwege de repetities moest de taak van Maderna (hij leed aan longkanker en overleed op 13 november 1973) worden overgenomen door Lucas Vis, die zich vervolgens met hart en ziel voor het werk Maderna zou gaan inzetten. Menigeen zal zich in dit verband nog de uitvoeringen van 'Giardino religioso' (1972), 'Quadrivium' (1969) en het in januari 1973 nog voltooide Derde hoboconcert (met Han de Vries) herinneren.

Deze alweer derde uitgave verzamelde orkestwerken van deze Vrije Geest spreekt opnieuw tegen wat hij er zelf altijd van beweerde: dat het 'typisch de muziek van een dirigent was." Integendeel, evenals die andere grote componerende dirigent (of dirigerende componist?) vóór hem, Gustav Mahler, was het juist Maderna's grote praktische ervaring als musicus die hem de weg wees naar de paradox van volkomen nieuwe, nog ongehoorde exploraties die evenwel geworteld waren in zowel de renaissance- als de grote symfonische muziek. Het vooruitstrevende modernismevan deze Venetiaanse bon vivant, voortdurend laverend tussen structurele hechtheid en vrije improvisatie, heeft aldus die vertrouwde basis die zijn muziek zo toegankelijk maakt. De kameleontische eigenschappen van deze muziek zijn bij de voortreffelijke solisten, dirigent en orkest in de beste handen. De meer dan voortreffelijke opnamen (zo doorzichtig als glas, maar met een sonoriteit om u tegen te zeggen) dateren al uit januari en augustus 2007, maar worden nu voor het eerst uitgebracht. Een geweldige hommage aan een van de grootste dirigenten en componisten van de twintigste eeuw.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links