CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2020

Roland de Lassus - Inferno

Zes- en achtstemmige motetten:

Omnia tempus habent
Audi tellus
Ad Dominum cum tribularer
Media vita in morte sumus (Gregoriaans)
Media vita in morte sumus
Circumdederunt me dolores mortis
Libera me, Domine
Recordare Jesu pie
Deficiat in dolore vita mea
Vidi calumnias
O mors, quam amara
Cum essem parvulus
Vide homo

Cappella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss
Harmonia Mundi HMM 902650 • 50' •
Opname: juni 2019, Waalse Kerk, Amsterdam

   

Waaraan dankt Cappella Amsterdam haar bestaan? Primair aan de werkelijk grandioze wijze van musiceren (want ook een koor musiceert) in de verschillende stijlperioden die het zich in de loop van vijftig jaar eigen heeft gemaakt. Het heeft door die jaren heen een uiterst dankbaar publiek opgeleverd, zoals ook allerlei ensembles en orkesten er blij mee zijn (denk alleen maar aan het Orkest van de Achttiende Eeuw dat graag met dit koor samenwerkt). En secundair? Aan de subsidiegevers, op dit moment het Prins Bernhard Cultuurfonds, Kersjesfonds, Fonds 21, Fonds Podiumkunsten, Stichting Vivace en VSBfonds. Voor de periode 2020-2021 weet het koor zich bovendien verzekerd van de meerjarige steun van het Amsterdam Fonds voor de Kunst, Ammodo, Gieskes-Strijbis Fonds, De Nederlandsche Bank en een gulle gever die anoniem wenst te blijven. Het is een beeld dat nog eens ten overvloede de grote betekenis van Cappella Amsterdam voor het Nederlandse muziekleven weerspiegelt.

Vorige maand verscheen het alom gevreesde adviesrapport van de Raad voor Cultuur, het orgaan dat iedere vier jaar de minister van Cultuur, Onderwijs en Wetenschap adviseert over welke orkesten, ensembles, festivals, dansinstellingen, musea en andere cultuurinstellingen in de komende periode wel of niet voor subsidie in aanmerking komen, voortvloeiend uit de BIS, de Basis Infra Structuur. Het belang (niet de kwaliteit) van dit adviesorgaan is gelegen in de mate waarin het mede het landelijk kunstaanbod bepaalt. Daarover geen enkel misverstand: zonder subsidie valt niet de bestaansgrond, maar wel het voortbestaan van de meeste instellingen geheel of gedeeltelijk weg.

Het is een steeds weer terugkerend verschijnsel: cultuurinstellingen die worden beloond en andere die een regelrechte trap in de rug krijgen. De een slaakt een zucht van verlichting, juicht, de ander treurt, begrijpt het niet of klimt in de gordijnen, tekent protest aan.

En hoe bracht de koorsector het er vanaf? Wederom slecht. De Raad kende wel subsidie toe aan het Nederlands Kamerkoor, maar liet Cappella Amsterdam (opnieuw) in de kou staan. Laat ik het maar niet over de wrakke motivering van dit besluit hebben, want het draait steeds weer uit op het afspelen van diezelfde, inmiddels behoorlijk versleten grammofoonplaat waarover we op onze site al meerdere malen hebben bericht.

Voor de meeste muzieksectoren geldt dat professionaliteit een belangrijk uitgangspunt is. Het dient immers het kwaliteitsniveau. Het logisch gevolg daarvan zouden vaste dienstverbanden moeten zijn, maar niets is minder waar: alleen de koren van De Nationale Opera (DNO) en de omroep (Groot Omroepkoor) kennen die 'weelde' omdat zij zijn opgenomen in artikel 15 (Media) van de Rijksbegroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Wat overigens niet wegneemt dat ook het Groot Omroepkoor in 2013 stevig moest inleveren: het zangersbestand ging noodgedwongen (ja, ja, er moest bezuinigd worden) van 74 naar 59, op zich al een forse aderlating.

En de BIS is er tenslotte niet voor iedereen. Zelfs toporkesten als het Amsterdam Baroque Orchestra (met koor) en het Orkest van de Achttiende Eeuw visten meer dan eens achter het BIS-net. Een beleid dat in de media met verve wordt verdedigd door de voorzitter van de Raad voor Cultuur, Marijke van Hees. De Raad die grossiert in adviezen waarin vaagheden en algemeenheden de boventoon voeren en waarin zaken als zaken als vernieuwing, diversiteit, spreiding en educatie alleen maar in modieus verband kunnen worden gebracht met, u raadt het al, de waan van de dag. Instituten die zich al decennialang als culturele topinstelling hebben bewezen worden eenvoudig aan de kant geschoven ten faveure van slimmerds die het lesje-van-de-waan-van-de-dag beter hebben begrepen of tenminste goed hebben onthouden en daarvan de vruchten mogen plukken. Wie klassiek en pop met elkaar weet te vermengen (zoals bijvoorbeeld Amsterdam Sinfonietta en Holland Baroque) lijkt bij de Raad vrij gemakkelijk te scoren, maar wie de koorwerken van Roland de Lassus (1530-1594) als op het lijf geschreven lijkt vangt simpelweg bot, delft het onderspit. Het is de uiterlijke verschijningsvorm die vooral telt, niet de kwalitatieve binnenkant. Dat eerste wordt in de adviezen met complimenten overladen, maar het levert per saldo niet meer dan 0 euro op. Het tweede komt niet of nauwelijks serieus aan bod.

Wie zijn hoop heeft gevestigd op het toekenningsbeleid van het Fonds Podiumkunsten kan eveneens van een koude kermis thuiskomen. Toch, wie door de Raad voor Cultuur in de kou is gezet kan alsnog bij het Fonds Podiumkunsten in de prijzen vallen. Binnenkort zal op de website van het Fonds het subsidiebeleid voor de periode 2021-2024 worden gepubliceerd. Menigeen zal het nagelbijtend afwachten.

Klassieke muziek, een genre dat alleen wordt genoten door een selecte groep liefhebbers maar wel veel overheidsgeld vraagt? Het is de groep die volgens PVV en FVD zelf wel de portemonnee kan trekken als het om ‘financieel onderhoud' gaat. En in zekere zin ook vergezeld door het CDA, waarvan Mona Keijzer, de staatssecretaris van Economische Zaken en nummer 2 in de partijpikorde, vindt dat de overheid kunst niet hoeft te subsidiëren omdat haar hardlopen evenmin wordt gesubsidieerd.

De aanleiding tot deze bespiegeling? Het sublieme nieuwe, geheel aan zes- en achttstemmige motetten van De Lassus gewijde album. We mogen hem (zij het uiteraard postuum) en Cappella Amsterdam intens dankbaar zijn voor deze bijzonder geslaagde muzikale vlucht uit de waan van de dag. Muziek waarvan intrinsieke waarde en betekenis ver uitstijgt boven het alledaagse politieke gekrakeel, mediageweld en niet te vergeten de vele raadgevers die er steeds weer behagen in lijken te scheppen om de meest uiteenlopende vormen van ultieme schoonheid met niet meer dan een paar uitspraken of pennenstreken de das om te doen.

Ja, dit is muziek die voorbestemd lijkt voor uitvoering door de meest uitgelezen ensembles. Muziek die wars is van welk compromis ook en hier wordt uitgevoerd met een in vrijheid geschapen artistieke discipline die van een volmaakte stemvoering en balans getuigt, dienend als het fundament waarop in deze zes- en achtstemmig koorwerken de uiterste grenzen van de zestiende-eeuwse expressie worden beproefd. Groots van opzet, subliem qua uitwerking en dan ook nog eens wonderschoon opgenomen. Daardoor fungeert dit inferno tevens als balsem op de door de politiek geslagen wonden en is het een ideaal antidotum tegen dat andere inferno dat de Raad voor Cultuur steeds weer in haar adviezen weet op te roepen.

Het album is opgedragen aan Barend Schuurman (1938-2019), in 1966 oprichter van de Rotterdamse Laurenscantorij, waaraan hij bijna 40 jaar als cantor en dirigent was verbonden. Daarnaast was hij docent koordirectie en kerkmuziek aan het Rotterdams conservatorium en de auteur van 'Bachs Cantates toen en nu' (klik hier). Een meer dan waardig eerbetoon dat hoog op de ranglijst van iedere koorliefhebber dient te staan.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links