CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2022

D.K. Stolen Melodies - Dick Kattenburg Piano Works

Kattenburg: Ouverture voor twee piano's op. 3 nr. 1 (1936) - Melodie (datum onbekend) - Deux Valses à quatre mains (1941/42) - Suite pour piano à quatre mains (1938) - Tap Dance (1936)

Pianoduo Friederike Haufe en Volker Ahmels m.m.v. Tonio Geugelin (tapdans)
MHK Medien Kontor Hamburg • 21' •
Opname: febr. 2021, Kammermusiksaal, HMT Rostock, (D)

Het cd-boekje kan hier worden gedownload.

https://leosmitfoundation.org/dick-kattenburg

 

(Dick Kattenburg, schilderij van Theo Kroeze 1916-1988)

 


Het mag al bijzonder heten dat een Duits pianoduo aandacht schenkt aan een Nederlandse componist, maar dat wordt het nog meer als het dan ook nog Dick Kattenburg (1919-1944) betreft, een naam die, vrees ik, bij de meeste vaderlandse muziekliefhebbers niet of nauwelijks een belletje (nog) doet rinkelen.

We hebben het aan de Leo Smit Stichting en het gelijknamige ensemble te danken dat er ongeveer een decennium geleden meer en meer aandacht kwam voor Nederlandse, waaronder enige niet-Nederlandse, componisten wier muziek tijdens de Tweede Wereldoorlog niet mocht klinken, die in ons land werden vervolgd en waarvan er vele vermoord. Gewoon, omdat zij joods waren.

In 2015 verscheen een speciaal aan hen gewijd boek onder redactie van Carine Alders en Eleonore Pameijer: Vervolgde componisten in Nederland (hier besproken). Daaronder ook leven en lot van Dick Kattenburg, die een bloeiende carrière als componist en violist in het vooruitzicht had tot hij in het voorjaar van 1944 werd gearresteerd.

Ook Kattenburg zat eerst nog geruime tijd ondergedoken, door het steeds weer opdoemende verraad zelfs op meerdere adressen. Hij moet toen rond 24 jaar oud zijn geweest, maar vanaf ongeveer zijn zeventiende al volop componerend, ook tijdens de onderduik. Vermoed wordt dat hij tijdens een willekeurige razzia in een Amsterdamse bioscoop werd opgepakt en kort daarop naar het doorgangskamp Westerbork gedeporteerd. Daar vandaan kwam nog een laatste levensteken: een briefje dat hij op 8 mei 1944 schreef aan zijn oom en tante, Herman en Cisca Kattenburg in Amsterdam. Kort daarop, op 14 mei, werd hij op transport gesteld naar Auschwitz. Daarna ontbreekt ieder spoor, behoudens een op 30 september 1944 gedateerde overlijdensakte waarin staat vermeld dat hij in Midden-Europa is gestorven. Dan kan in Auschwitz zijn, of in een van de vele werkkampen in de omgeving, maar ook ergens anders. In het boek wordt de suggestie gewekt dat Kattenburg zou zijn ‘omgekomen tijdens de dodenmarsen, waarbij de gevangenen voor de bevrijders uit, opgejaagd werden', maar daarvan was eerst sprake vanaf januari 1945.

Toen de zeer talentvolle Kattenburg werd gearresteerd, stond hij aan het begin van een bloeiende loopbaan als componist en violist. Dat hij zich ook als docent een naam wilde verwerven blijkt uit een advertentie in Het Joodsche Weekblad (een uitgave van de Joodsche Raad) van 7 september 1941, waarin hij zich aanbood als leraar muziektheorie en vioolpedagoog. Nog maar kort daarvoor had hij onder het toeziend oog van Willem Pijper het staatsexamen in de vakken theorie en viool met succes afgelegd, waardoor hij zich ook als leraar kon vestigen, met als standplaats Naarden, waar hij inwoonde bij zijn moeder, zijn jongere broer, zijn zus en haar echtgenoot.

Kattenburg was uiteraard niet de enige componist wiens joodse achtergrond zich in zijn muziek manifesteerde. Zo arrangeerde hij een groot aantal Hebreeuwse melodieën, verschenen in zijn manuscripten in het Hebreeuws gestelde titels en maakte hij gebruik van de datering overeenkomstig de joodse kalender. In 1942 kwam in zijn manuscripten zelfs symbolisch de Davidsster voor.

Dick Kattenburg (1919-1944)

Tijdens de onderduik besloot hij ook om – ik citeer Carine Alders in het boek - in zijn composities zijn eigen naam te vervangen door die van CJ van Assendelft (zoals bijvoorbeeld blijkt uit het manuscript van het Strijktrio [1939], met op de achterkant een tekening van het gezicht van Hitler en een soldaat die hem de Hitlergroet brengt) en KvD, ook wel K. van Drunen of K. van Dunsen. In die tijd heeft in Amsterdam wel degelijk een Cornelis Jacob van Assendelft van Wijck bestaan, een schoorsteenveger van beroep, met een wel heel chique naam. Onbekend is of deze op de een of andere wijze met de familie Kattenburg in verbinding stond. Onbekend is eveneens waar de initialen KvD hun oorsprong vinden. Vaststaat wel dat in composities van vóór de onderduik Kattenburgh doelbewust zijn naam wegkraste of wegknipte.

Over Kattenburgs verbinding met Leo Smit bestaat evenmin twijfel. Smit gaf privéles vanaf zijn woonadres aan de Eendrachtstraat in Amsterdam, waaronder ook aan Kattenburg. Lang hebben die bezoeken evenwel niet geduurd: het werd te gevaarlijk, waardoor noodgedwongen moest worden overgestapt op schriftelijke lessen (waarschijnlijk via een koeriersysteem). De aldus opgedane kennis leidde onder meer tot Kattenburgs orkestratie van typisch joodse dansen uit een verzameling van Solomon Rosowski.

In het reeds genoemde boek komen Kattenburgs werken voor o.a. pianoduo niet aan de orde, wat overigens best een gemis mag worden genoemd, want het is ronduit kostelijke muziek die terecht meer aandacht had mogen hebben en deze nog steeds verdient, ontstaan in de periode 1936-1941 (Kattenburg was toen tussen 17 en 22 jaar jong). Ze zijn zonder uitzondering dusdanig ‘pianistisch' geschreven dat alleen al daardoor de indruk ontstaat dat Kattenburg niet alleen een zeer talentvolle violist was, maar ook op de piano goed de weg wist. Mogelijk studeerde hij aan het conservatorium piano als extra bijvak.

De ‘Ouverture voor twee piano's' (1936) is het enige werk dat met een opusnummer (op. 3 nr. 1) bewaard is gebleven. Het is bovendien het enige dat Kattenburg specifiek schreef voor twee piano's (dus niet voor pianoduo). Het stamt uit dezelfde periode als ‘Tap dance' (wat trouwens meer is dan alleen de titel: het is niet alleen all jazz, maar er moet ook echt een tapdanser aan te pas komen: Kattenburg maakt zelfs een zeer geslaagde tekening van de tapdanser in het manuscipt! en op dit nieuwe album is deze bijzondere rol Tonio Geugelin werkelijk perfect aangemeten).

Al in deze muziek komt de ware muzikale aard van Kattenburg als componist sterk naar voren, zoals gelijk al blijkt uit de ‘Ouverture', waarin de luisteraar eerst danig op het verkeerde been wordt gezet dankzij het kristalheldere C-groot, om dan vervolgens te worden geconfronteerd met uitgelezen staaltjes polytonaliteit, chromatische wervelwinden en sterk gekleurde jazzy invloeden. Menigmaal is het niet eens duidelijk in welke toonsoort we ons bevinden, wat het verrassingselement in deze muziek nog eens benadrukt.

Schitterend is ook het ongedateerde ‘Melodie', alleen in potlood genoteerd en (mogelijk later) nog fragmentarisch aangevuld met enige refreinen (als ‘Lied ohne Worte' geconcipieerd), met ware melodische meesterhand geschreven en zonder verdere opsmuk direct tot het muzikale hart sprekend.

 

De zonder onderbreking in elkaar overgaande beide walsen (1941/42) droeg Kattenburg op aan de in 1937 overleden Maurice Ravel. Het maakt op slag grote bewondering voor Ravels toonkunst duidelijk: hoewel hoogst origineel stamt de inspiratie onmiskenbaar van deze Franse grootheid en dan met name diens ‘La Valse' en ‘Valses nobles et sentimentales' (Ravel, op zijn beurt, refereerde in zijn walsen aan die van Schubert!) Kattenburg gaf de eerste wals treffend de titel ‘Valse noble' mee, de van nature iets snellere Weense wals, gevolgd door de traditioneel iets langzamere ‘Valse sentimentale'. Wat daarbij vooral opvalt is dat Kattenburg in de eerste wals koos voor heftige chromatiek en bitonaliteit. We horen de melodie in B-groot en de bas in C-groot! Kattenburg componeerde twee versies: deze voor vierhanden en in 1941 voor solo (wat Ravel overigens ook deed)

Dan de driedelige ‘Suite pour piano à quatre mains', waarvan het manuscript uit 1938/39 dateert. De drie deeltjes kregen ieder een passende titel mee: 1. Flirtations; 2. Blues; 3. Lied ohne Worte (waarvan de oorsprong teruggaat tot Mendelssohn). Dat er sprake is van een sterke erotische aantrekkingskracht blijkt misschien niet direct uit de titels, maar wel uit de muziek zelf, met haar biina wellustige exuberantie en koketterie . Niet alleen de muziek is bijzonder, maar vermeldenswaard is ook dat het derde deel, gedateerd 19 juni 1940, is opgedragen aan Kattenburgs moeder Helena, die op 28 juni 50 werd. Zijn nicht Joyce Bergman-van Hessen (zij verzorgde tevens de Engelse vertaling van de oorspronkelijk Duitse tekst voor het cd-boekje) veronderstelt dat deze ‘serenade' op die dag in de woning in Naarden moet zijn uitgevoerd.

Ik schreef het al aan het begin hoe bijzonder het is dat een Duits pianoduo zich aan de volledige, althans overgeleverde, werken voor twee piano's en voor pianoduet van Dick Kattenburg hebben ingezet. Er is zelfs van drie heuse en bovendien belangrijke studioprimeurs sprake: zowel de ‘Ouverture', de ‘Melodie' als de ‘Suite' werden nog niet eerder. Net zo van belang is de kwaliteit van deze vertolkingen, die uitmunten door een volmaakte technische discipline als groot artistiek engagement. In de meest simpele termen: dit is echt gewéldig gedaan, een prestatie van groot formaat die deze zo bijzondere muziek van Kattenburg volkomen overtuigend en bovendien in het mooist denkbare daglicht stelt. Wat tevens betekent dat ook de opnamekwaliteit daarmee gelijke tred houdt en ook de naam van de pianotechnicus had mogen worden vermeld! Dat de speelduur van deze cd slechts ruim twintig minuten bedraagt is binnen deze muziekhistorische context wat mij betreft van geen enkel belang.

Ook het cd-boekje maakt deel uit van dit belangwekkende eerbetoon. Door de nazaten van Kattenburg was toegang verleend tot het familiearchief, wat onder meer een aantal bijzonder afbeeldingen, afgedrukt in het boekje, heeft opgeleverd.

Bij deze productie waren meerdere partijen betrokken: Donemus in Den Haag, de reeds genoemde Leo Smit Stichting, het conservatorium en het ‘Zentrum für verfemte Musik', beide in Rostock, en uiteraard productielabel, MKH Medien in Hamburg.

Zie ook voor verdere informatie de recensie van Siebe Riedstra: Dick Kattenburg 1919-1944.

_________________

 
 

Foto Fritz Stoltenburg

Naschrift: Friederike Haufe stuurde mij de cd vergezeld van een sprékende foto (zie afbeelding rechts) die de symboliek van de coronapandemie binnen de cultuursector niet beter had kunnen aangeven.

 

 

 

 

 

 


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links