CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2018

 

Ravel: Pianoconcert in G - in D (voor de linkerhand)

Gershwin: Pianoconcert in F

Denis Kozhukhin (piano), Orchestre de la Suisse Romande o.l.v. Kazuki Yamada
Pentatone PTC 5186620 • 75' •
Opname: juli 2017, Victoria Hall, Genève

   

Van de Russische pianist Denis Kozhukhin zijn inmiddels drie cd's verschenen. De eerste, met pianoconcerten van Tsjaikovski en Grieg, besprak ik in februari 2016 (klik hier), de tweede met uitsluitend pianowerken van Brahms in januari 2017 (klik hier) en de derde met de pianoconcerten van Ravel en Gershwin verscheen pas een paar weken geleden. Zijn Brahms vond ik van grote klasse getuigen, zijn Tsjaikovski/Grieg wat minder. Interpretaties hebben ook iets met mode te maken, in de zin van een op zeker tijdstip algemeen gevolgd sociaal of artistiek gebruik, of het nu een manier van kleden of van musiceren betreft. Neem de historiserende uitvoeringspraktijk: tot in de jaren negentig tot absolute maatstaf verheven en nu alweer voor velen een door de tijd achterhaald streven. Op ander vlak: de Debussy van Michelangeli is een andere dan die van Aimard, de Ravel van Haas is anders 'gekleurd' dan die van Thibaudet. Het kunstwerk verandert niet met de tijd, maar wij veranderen. Hoort een term als ‘ouderwets' daarbij? Natuurlijk niet. Ook al staan Furtwänglers Beethoven en die van Gardiner lijnrecht tegenover elkaar, en valt er weinig gemeenschappelijks te ontdekken tussen de Beethoven van Mengelberg en die van Norrington. Dat zegt uiteindelijk meer over hen dan over Beethoven. Veel recensies zijn veel te absoluut, veel te zelfverzekerd, met veel te weinig oog en oor voor het tijdsgewricht waaruit een uitvoering is voortgekomen, laat staan dat vanuit een eigen waardevol historisch perspectief wordt geredeneerd. Ik zal er niet over klagen, maar onzinnig is het wel. Dat is overigens een van de redenen dat ik zo'n gruwelijke hekel heb aan al die zotte vergelijkingen En dan ook nog in die onuitstaanbare zelfverzekerde, vaak ook arrogante toonzetting.

Dit nieuwe album heeft qua samenstelling zeker al een pre: de drie concerten bijeengebracht op een cd. Of beter: sacd. Dat levert bovendien naast grote contrasten (alleen al tussen de beide concerten van Ravel!), ook fascinerende overeenkomsten op (jazzy invloeden). En hoewel we de muziek van Gershwin minder snel met exotisme associëren die van Ravel, kan niemand eromheen dat de Amerikaan heel veel creativiteit heeft gestoken in de symbiose van ‘klassiek' en jazz, zonder daarvan een oppervlakkige mengelmoes te maken. Een kunst op zich. Op ander vlak, maar iets soortgelijks vinden we in Milhauds ‘La Création du Monde' (een heel aparte wereld die zo wordt geschapen!)

Hoe jazzy kan of moet het zijn? Er is het origineel en er zijn de bewerkingen. Van het Pianoconcert in F maakte Grofé een fraaie versie voor jazzband. De vonken springen er vanaf. Maar het was wel Gershwin die de brug sloeg tussen wat als ‘serieuze muziek' wordt betiteld en de jazz. Al vroeg werd hij echter rijk dankzij een simpele song, maar dealniettemin een enorme hit: ‘Swanee'. Al Jolson maakte er furore mee. Niet te geloven, Gershwin was toen pas 22! Een droomwereld moet voor hem zijn opengegaan.

Het Pianoconcert in F is, anders dan de nog bekender Rhapsody, een heus driedelig pianoconcert met best wel grote ambities; die niet in de laatste plaats zijn weggelegd voor de vertolker (de pianist Gershwin speelde het werk op de première in december 1925). Dat de muziekkritiek er kamerbreed de neus voor ophaalde zal hem toen niet echt hebben gedeerd: hij was financieel reeds binnengelopen, zijn Rhapsody had bovendien alleen al astronomische bedragen opgeleverd. Kortom, niemand kon om Gershwin heen. Paul Whiteman, niet minder beroemd dan Gershwin, nam het Concerto zelfs op zijn repertoire, zij het uiteraard aangepast aan zijn jazzensemble (dat werd dus de bekende, door Grofé gemaakte versie van het stuk). In de loop der tijd wemelde het van de bewerkingen van Gershwins muziek. Zozeer zelfs dat na zijn dood in 1937 de familie een kloek besluit nam: het moest afgelopen zijn met al die arrangementen, Gershwins muziek moest voortaan alleen nog maar in zijn ‘pure' vorm klinken, en niets anders dan dat. En natuurlijk had vervolgens niemand nog zin in juridische haarkloverijen in een bij uitstek ‘lawyer's paradise'. Toch veranderde dat, want eind jaren vijftig bleken de erven aanmerkelijk milder gestemd jegens arrangementen. Ach, ook die brachten immers geld in het eigen laatje...

De beide concerten van Ravel kennen uiteraard een dergelijke geschiedenis niet. Anders dan de muziek zelf is die geschiedenis recht toe, recht aan. Het wemelt intussen van de opnamen, met daarbij een duidelijke voorsprong voor het veel meer flamboyante en heel wat minder duistere Pianoconcert in G. Maar zelfs het Linkerhandconcert is allang geen zondagskind meer. Van dat concert bewaar ik al jaren een cassettebandje met een uitvoering door de pianist waarvoor het werk is geschreven: Paul Wittgenstein. Hij speelde het in het Amsterdamse Concertgebouw, met tevens op het podium van de Grote Zaal het Concertgebouworkest onder Bruno Walter. Dat was in 1937, vijf jaar na de door Wittgenstein gespeelde première op 5 januari 1932.
Je zou kunnen zeggen dat het beeld van die beide pianoconcerten min of meer vastligt: alles is daarover wel geschreven en gezegd, maar vooral: gespeeld. Iedere verdere aanscherping vloeit nog slechts voort uit het detail. Wie niet op het scherp van de snede musiceert, valt al direct af. Het moet er immers allemaal zijn: de haarscherp geformuleerde frases, de ritmische precisie, de melodische pregnantie, de ritmische articulatie. Mag het bij Gershwin zwieriger en breder zijn, bij Ravel is dat zeker niet het meest overheersende beeld. Het kleurenspel is heel apart, met al die unieke elementen in een fenomenaal opgezet, fonkelend raamwerk. Maar wat voor de muziek van beide componisten geldt: wie als vertolker niet al die verschillende aspecten zowel uitbuit als samenbrengt, mist de pointe van deze muziek. Kozhukhin kan dat, doet dat meesterlijk en speelt met veel glans en charisma. Orkest en dirigent zijn daarin gelukkig eensgezind. De Japanner Kazuki Yamada heeft al eerder bewezen dat hij uitstekend de weg weet in ‘exotische' partituren. Hij laat het orkest in deze drie partituren voortdurend schitteren. Het Orchestre de la Suisse Romande (opgericht in 1918) is na het vertrek van Ernest Ansermet in 1967 weliswaar ten prooi gevallen aan artistieke teruggang, maar wist zich geleidelijk aan toch daarvan te herstellen. Er trokken na de dood van Ansermet nogal wat dirigenten voorbij, en niet de minste: Paul Klecki (1967-1970), Wolfgang Sawallisch (1970-1980), Horst Stein (1980-1985), Armin Jordan (1985-1997, Fabio Luisi (1997-2002), Pinchas Steinberg (2002-2005), Marek Janowski (2005-2012), Neeme Järvi (2012-2015), Kazuki Yamada (2012-2017) en nu Jonathan Nott. Toch heeft het in al die jaren aan een hecht en artistiek opbouwend verband tussen chefdirigent en orkest ontbroken (een probleem overigens dat veel orkesten treft). Grote namen zeggen in dit verband niet zoveel. Maar het moet gezegd: met name Yamada heeft in het jongste verleden veel gedaan aan het opvijzelen van de klankcultuur, zoals ook deze fraaie opname bewijst.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links