CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2020

 

Marietta Petkova - Feux d'Artifice

Debussy: Préludes (Boek I en II)

Marietta Petkova (piano)
Bloomline BS19-096 • 85' • (2 cd's)
Live-opname: 20 juni 2019, Salle Paderewski, Casino de Montbenon, Lausanne

 

Hoe moet je als musicus de pianowerken van Debussy benaderen? Ik geloof niet dat er een eenduidig antwoord op te geven is. Voor Marietta Petkova (u kunt hier zo het een en ander over haar lezen) is er geen twijfel: zij wil zijn muziek toch vooral niet spelen als iets vaags, iets abstracts, maar juist menselijk, warmbloedig. Tegelijkertijd is het voor haar muziek die niet schreeuwt maar spreekt. Dat las ik althans ergens in een interview.

Voor haar is de belangrijkste valkuil een overdreven subtiliteit die voortvloeit uit de gedachte dat pasteltinten in zijn muziek een hoofdrol dienen te vervullen. Terwijl in haar beleving Debussy allesbehalve een componist is van vluchtige impressies van buitenaf. Integendeel, in zijn muziek is de kracht van de suggestie zo sterk dat die zelfs de werkelijkheid in de meest letterlijke zin kan overtreffen. Hij imiteert de natuur niet, maar zet haar essentie met slechts een paar penseelstreken neer. Ze noemt als voorbeeld een bekend schilderij van Monet, ‘Impression, soleil levant', met in het water een bootje dat dobbert onder de ondergaande zon. Kom je dichterbij, dan is die zon niet meer dan een klodder verf. Van een afstand is het echter de warmste zon die je maar kunt voorstellen.

Ik kan haar visie op Debussy zeker invoelen, maar breng wel enige nuances aan (wat niet inhoudt dat ik het met haar visie oneens zou zijn). Dat zijn muziek vaag noch onzeker is, maar wel mysterieus en onbestemd. Bovenal geen componist die op een schetsmatige manier met licht en kleur speelde. Eerder – en ik haal de woorden aan van Rudolf Escher – reflecties in het water, tuinen in de regen, de ontelbare wisselvallige en temporeel nooit voorspelbare ritmen van alles wat snel of traag beweegt, zweeft en ruist in de natuur waren voor Debussy, haast zonder omweg, transponeerbaar in zijn muziek omdat zijn muzikale idioom was ingericht op onregelmatigheid, onevenheid, wisselvalligheid, soepelheid, plotselinge ontspanningen. Het zeegeruis, de golven, de dreigende misdaad van Golaud en de extase van Pelléas, de langzaam voorbij zwevende avondwolken, de feestroes in de verte, de mythische herinnering aan het drama van Narcissus, het dalen van de zon. Al deze handelingen in de natuur spelen zich immers niet of in walsmaat of in een motorisch allegro, of in perioden van tweemaal vier maten, goed geadministreerd in voor- en nazin.

De natuur als Debussy's belangrijkste inspiratiebron: “Niets is muzikaler dan een zonsondergang!”, placht hij uit te roepen. De in zijn ogen mysterieuze banden tussen natuur en fantasie en de wind die in het voorbijgaan de geschiedenis van de wereld vertelt.

Hoe dat alles te duiden? Impressionisme, pointillisme, symbolisme? Een gulden middenweg misschien? De symbolisten hadden sowieso maar weinig op met het naturalisme. Voor hen waren intuïtie en fantasie juist leidend. Of misschien waren het voor Debussy wel twee verschillende, botsende werelden: die van de impressionistische vormgeving en van de symbolistische intenties.

In interpretatief opzicht heeft zijn muziek decennialang onder de druk van de onscherpte gestaan. Alsof dat model moest staan voor een maatgevende vertolking, gevoed door de associatie van het impressionisme met het diffuse. Terwijl het net zo verkeerd was om zijn noten te hullen (of beter: verhullen) in overdadige klankkleuren.

Wat de pianowerken betreft hebben we het in de eerste plaats aan Walter Gieseking te danken die dat vage beeld - hoewel nog niet voorgoed - deed kantelen door vooral een heldere en scherpe focus na te streven en dat ook subliem wist te realiseren. Het bleek tevens de weg naar het uitlichten van meer structuur en meer pregnantie. En juist dat onderstreepte het progressieve karakter van deze muziek. Het deed bovendien recht aan wat Debussy ook was: een geweldige pianist die zijn publiek met de meest bizarre harmonieën wist te overdonderen en die menigmaal balanceerden op de grens van de tonaliteit. Alleen al vanuit dit historisch perspectief viel dat niet te verbinden met allerlei vage klankschilderingen.

Dat is wat iedere interpreet onverkort duidelijk moet maken: dat de muziek van Debussy zich mag rekenen tot de meest invloedrijke van de voorbije eeuw. Dat zij talloze componisten na hem heeft beïnvloed (ik noem slechts Boulez, Messiaen en Ravel, maar ook Stravinsky). Anders dan bij Webern draagt het vaak abstracte en grillige karakter van zijn muziek altijd het stempel van de toegankelijkheid. Hij had het zelf niet duidelijker kunnen zeggen: “Wanneer we echt naar muziek luisteren, dan horen we direct wat we moeten horen.” Ik haalde eerder Petkova aan: dat zij Debussy's muziek toch vooral niet wil spelen als iets vaags, iets abstracts. Ze had ook kunnen verwijzen naar de vereiste toegankelijkheid ervan. Wie de abstractie zoveel mogelijk abstraheert bereikt dit doel echter niet. Het klinkt paradoxaal, maar zo is het wel.

Dat geldt in niet mindere mate voor zijn Préludes (1909-1913), de beide boeken die bij veel pianisten zo geliefd zijn en waarvan het eerste boek beduidend lastiger en weerbarstiger is dan het tweede. Een werk ook waaruit in pianistisch opzicht groot raffinement spreekt, onder meer door de bijzondere voorschriften omtrent het pedaalgebruik en uitgekiend benutten van de veelzijdige klankeigenschappen en speltechnische mogelijkheden van de piano (daarin deed hij bepaald niet onder voor Chopin).

Er wordt zelfs een geheel nieuwe wereld ontsloten, niet alleen voor de pianist maar ook voor de toehoorder. Er is een binnen-, maar ook een buitenwereld, menigmaal afgebakend en door de componist zelf als zodanig aangedragen op talloze plaatsen in de partituur. Een willekeurig voorbeeld daarvan vinden we in ‘Des pas sur la neige', het zesde deeltje van het eerste boek, dat moet klinken als een ‘triest en ijzig landschap'. ‘Minstrels', het twaalfde en tevens laatste deeltje van datzelfde boek, moet ‘spiritueel', ‘ontspannen', maar ook ‘spottend' klinken. Wat Debussy daarbij met Mozart deelt zijn de stemmingswisselingen die zich in een slechts een paar maten kunnen voltrekken, afwisselend heftig of als niet meer dan een lichte schaduw die al voorbij is voordat het goed en wel wordt beseft. Zoals er ook qua vorm en inhoud volstrekt nieuwe dimensies worden geïntroduceerd die het alleen al de pianist bijzonder lastig kunnen maken.

Marietta Petkova heeft voor haar vertolkingen werkelijk alles uit de kast gehaald om sfeer en kleur te creëren. Ook alles hoorbaar te willen maken maar daardoor niet te verzanden in teveel subtiliteit. Ze speelt energiek en heeft daarbij ook duidelijk ‘haar' Chopin in gedachten, waar alle reden toe is: Debussy had voor zijn grote voorganger immers immense bewondering en heeft in 1915 zelfs diens vier ballades pijnlijk nauwkeurig geredigeerd.

Ook in structureel opzicht kan Petkova hoofd- van bijzaken scheiden (wat overigens niet haaks staat op het ‘alles hoorbaar willen maken'). Ze behandelt - zo blijkt tenminste uit haar spel - zelfs het meest subtiele klankweefsel als onderdeel van de structuur, zowel horizontaal (melodie) als verticaal (harmonie). Indrukwekkend is ook dat haar vloeiende speeltrant de spanningsopbouw niet in de weg staat. Wat ook sterk tot de verbeelding spreekt is het suggestieve element dat ze in haar spel brengt en dat menigmaal zelfs sterker blijkt te zijn dan de realiteit. Het zijn allemaal positieve eigenschappen waarvoor ik mij voor 'haar' Debussy gewonnen heb gegeven. Dat sommige préludes wat mij betreft enigszins aan de te langzame kant zijn (Vladimir Ashknazy deed het zelfs een kwartier sneller!) doet daaraan niets af.

Tot slot nog dit. Afgezien van het feit dat het op zich al een weergaloze prestatie is, komt daar nog bij dat het een live-opname betreft van een concert op 20 juni 2019 in Lausanne. Mogelijk heeft haar levenspartner, Leo de Klerk van Bloomline Acoustics (klik hier), er nog een nabewerking op losgelaten (wat me overigens lastig lijkt als het slechts die opname van dat concert betreft, of er zouden repetitiefragmenten in verweven moeten zijn). Een prestatie die – aansluitend op haar vorige opnamen (op onze site besproken) – getuigt van een bijna feilloze intuïtie. Daar doet de ‘van mijn beeld' ietwat afwijkende tempokeuze in sommige deeltjes niets aan af. Terwijl het wel het beeld is van een indrukwekkend discours dat door haar wordt afgelegd. Zoals ook de titel van dit album treffend is: ‘Feux d'Artifice'. Het is vuurwerk, in de juiste maar wel tevens goed gedoseerde betekenis van het woord. Vuurwerk dat trouwens ook de schitterende opname raakt: Leo de Klerk heeft de perfect gestemde Steinway D werkelijk subliem vastgelegd. Een dergelijke inlevende registratie draagt ook bij aan de voor deze muziek zo essentiële sonoriteit en helderheid. Bovendien hulde voor de volledige metadata!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links