CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2019

 

Buxtehude: Membra Jesu nostri BuxWV 75 - Cantate Gott, hilf mir! BuxWV 34

Maria Keohane en Hanna Bayodi-Hirt (sopraan), Carlos Mena (altus), Jeffrey Thompson (tenor), Matthias Vieweg (bas), Ricercar Consort o.l.v. Philippe Pierlot
Mirare MIR444 • 70' •

   

We zijn een goede vriend van Dieterich Buxtehude (ca. 1637 Oldesloe, Denemarken -1707 Lübeck, Duitsland) veel dank verschuldigd: Gustav Düben, de kapelmeester van de Zweedse koning, kreeg de manuscripten van de vocale kerkmuziek van Buxtehude toegezonden en heeft deze naar eer en geweten gekopieerd. Daaronder het meest bekende vocale werk  van Buxtehude: Membra Jesu nostri, gecomponeerd in 1680 en aan Düben opgedragen. Het heeft er alle schijn van dat de gevierde kapelmeester het stuk ook heeft besteld, want we weten dat hij een voorkeur had voor in het Latijn gestelde Bijbelteksten, in tegenstelling tot Buxtehude, die Luthers bijbelvertaling verkoos.

Membra Jesu nostri ofwel de ledematen van onze Jezus is samengesteld uit zowel bijbelcitaten als middeleeuwse teksten, met daarin centraal de lijdensweg die voor Hem was uitgestippeld. Er is sprake van zeven afzonderlijke meditaties, waarin het berustende en beschouwende weliswaar overheerst, maar menigmaal het de schurende dissonanten zijn die pijn en lijden muzikaal sterk uitbeelden. Al blijkt er niets van de worsteling, de aanvechting, zoals die in de latere passiemuzieken zo sterk naar voren komt. Het werk staat daardoor dichter bij het enigszins afstandelijke karakter van de lutherse koralen uit die tijd. Wat niet wegneemt dat op de keper beschouwd de door Buxtehude gehanteerde stijl niet zo ver afstaat van de uit Venetië overgewaaide expressie. Wie daarvan wil proeven verwijs ik graag naar een van de meest indrukwekkende delen: het Ad manus, waar aan het begin, na een sober gehouden instrumentale inleiding, twee sopraanstemmen diep gevoelde tederheid symboliseren, waarna de frase door de overige stemmen unisono wordt herhaald, alvorens diezelfde frase opnieuw klinkt, maar dan door twee lagere stemmen.

Zeven meditaties, zeven lichaamsdelen: de voeten (pedes), knieën (Genua), handen (manus), zij (latus), borst (pectus), hart (cor) en gezicht (faciem). De (deels) middeleeuwse tekst is gestoeld op de passiehymne Salve Mundi salutare, die teruggaat op het dichtwerk van Arnulf von Löwen (ca. 1200-1250). Het zijn dezelfde dichtregels die zo'n vier eeuwen later het fundament vormden voor de in het protestantse Duitsland in die tijd zo populaire Rhytmica oratio sancti Bernardi, een tekst die zich in grote belangstelling mocht verheugen door zijn diepe vroomheid en mystiek. Geen wonder dus dat in dit sterk religieuze klimaat er al spoedig vele versies en vertalingen van ontstonden. Een goed voorbeeld daarvan is Gerhardts bekende O Haupt voll Blut und Wunden (onder meer door Bach in zijn Matthäus-Passion gebruikt).

Zoals Bach de later toegepaste religieus aangestuurde poëzie met de evangelietekst verbond, zo voegde Buxtehude aan het middeleeuwse dichtwerk eveneens bijbelteksten (in dit geval voornamelijk spreuken uit het Oude Testament) toe. Die teksten zijn zonder uitzondering concertant (tutti) gecomponeerd, terwijl iedere overdenking bovendien bestaat uit drie (vocale) aria's, die ieder een strofe kennen die afkomstig is uit elk van de zeven hymneteksten, ieder afgewisseld door of een ritornello of een instrumentaal intermezzo. Door deze creatieve opzet ontgstond een afwisselend geheel van zeven cantates bij een klein gehouden ensemble, bestaande uit twee sopranen, alt, tenor, bas, twee violen en basso continuo. Als er sprake is van een geringe variatie in de bezetting, dan uitsluitend wanneer de tekst daarom vraagt.

Een merkwaardige bijkomstigheid: alleen de vijfde cantate (Ad pectus) is niet gestoeld op spreuken uit het Oude Testament, maar dat daarin wordt geciteerd uit de Eerste Brief van Petrus, met als metafoor voor het hunkeren naar goddelijke geborgenheid de pasgeboreren die naar goede (moeder)melk smachten. Zo wordt de borst niet alleen opgevat als lichaamsdeel van Jezus, maar ook als de voedende, vrouwenborst als zinnebeeld van Gods liefde en wellicht ook wel als symbool voor het geschonken leven.

Het Belgische Ricercar Consort heeft zich onder leiding van Philippe Pierlot (hij bespeelt in deze opname de viola da gamba) de historiserende uitvoeringspraktijk eigen gemaakt en daarmee grote successen boekt. Het uitgangspunt lijkt kleinschaligheid en daardoor grote wendbaarheid te zijn, zoals bijvoorbeeld werd gedemonstreerd in de opname van Bachs Johannes-Passion (hier door collega Maarten Brandt besproken). Een ander duidelijk herkenbaar kenmerk is het scherp gestoken klankbeeld van het ensemble, zij het dat het in deze nieuwe Buxtehude-opname enigszins wordt gemaskeerd door de ruim bemeten kerkakoestiek (waarover straks meer). Dat in die historiserende praktijk vaak wordt gekozen voor kleinschaligheid is niet alleen gestoeld op de uitvoeringstraditie zoals die (wellicht) gold in de achttiende eeuw, maar misschien nog meer afgezien van de gemakkelijker te realiseren souplesse op andere voordelen zoals transparantie, balans en stemvoering. Maar wel met de kanttekening dat een meer uitgebeend ensemble de hoogste eisen stelt omdat specifieke gebreken sneller hoorbaar worden dan bij een stevig(er) uit de kluiten gewassen pendant. Maar de voordelen van die kleinschaligheid zijn ook nog op een ander punt evident: men kijkt als het ware niet langs maar door het ensemble. Ook de keuze van de solisten heeft hier alles mee te maken: niet alleen is het een kwestie van tekstverbeelding, zang- en interpretatietechniek, maar ook dat zij passen in het concept. Ook in dit opzicht laat deze uitvoering geen wens onvervuld. Resteert de opname die, het is al eerder opgemerkt, tot stand kwam in een typische kerkakoestiek (de abdij van Lucerne d'Outremer) en dat, hoe het ook wordt gewend of gekeerd, een maskerend effect daarvan het gevolg is. Wat muzikaal wel is gerealiseerd wordt daardoor deels weer ongedaan gemaakt. Het bevestigt nog eens hoe belangrijk een opnameteam is: hun werk maakt immers deel uit van het muzikale discours! Maar dat is dan ook de enige kritiek die ik op dit album heb. De cantate Gott, hilf mir! BuxWV 34 vormt een welkome aanvulling. In het cd-boekje is een uitstekende en zeer lezenswaardige toelichting van de hand van Pierlot opgenomen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links