CD-recensie

 

© Maarten Brandt, april 2011

 

 
 
 

Bach: Johannes-Passion BWV 245

Markus Schäfer (tenor – evangelist),
Thomas Oliemans (bas – Christus), Carolyn Sampson (sopraan), Michael Chance (altus), Marcel Beekman (tenor), Peter Kooij (bas), Cappella Amsterdam en Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen

Glossa GCD 921113 • 1.51 • (2 cd's)

* * *

Bach: Johannes-Passion BWV 245

Mark Padmore (tenor – evangelist),
Hanno Müller-Brachmann (bas – Christus), Peter Harvey (bas – Pilatus/aria’s), Bernarda Fink (alt), Katherine Fuge (sopraan), Joanne Lunn (sopraan), Monteverdi Choir en English Baroque Soloists o.l.v. John Eliot Gardiner

Soli Deo Gloria SDG 712 • 1.55 • (2 cd's)

* * *

Bach: Johannes-Passion BWV 245

Hans-Jörg Mammel (tenor – evangelist),
Matthias Vieweg (bas – Christus), Maria Keohane (sopraan), Helena Ek (sopraan), Carlos Mena (altus), Jan Börner (altus), Jan Kobow (tenor), Stephen Macleod (bas) en Ricercar Consort o.l.v. Philippe Pierlot.

Mirare MIR 136 • 1.54 • (2 cd's)


Zo heb je niets, zo heb je alles. Neem de lijdenstijd van dit jaar waarin maar liefst drie spraakmakende uitvoeringen van de Johannes-Passion zijn verschenen, de passie immers die in de schaduw van de Matthäus-Passion heet te staan. Maar die fase lijkt zo langzamerhand achterhaald, want niet alleen uit de release van drie bovenstaande uitgaven blijkt dat de Johannes met een indrukwekkende come back bezig is. Neem alleen Arnhem en omgeving, waar schrijver dezes woonachtig is en waar dit seizoen – het gastoptreden van Ton Koopman en zijn gezelschap in Musis Sacrum alsmede dat van de Nationale Reisopera met hun geënsceneerde versie in de Stadsschouwburg meegerekend – niet minder dan vier uitvoeringen van dit werk waren te bewonderen. Tel uit je winst!

Over de verschillen tussen de Johannes en de Matthäus is al meer dan eens gerept. Afgezien van de belangrijk kortere speelduur, is er de ongemeen dramatische impact van eerstgenoemde compositie, de hoogoplaaiende emoties van de volkskoren en niet in de laatste plaats de maximaal aangescherpte contrasten op zowel de korte als de lange afstand. Met enig recht zou men de Johannes-Passion, zij het vanzelfsprekend niet in naam, Bachs enige opera mogen noemen, iets waaraan de realistische toonzetting van het evangelieverhaal – volgens de musicologe Marijke Schouten in het tweede deel uitmondend in een heuse tribunaalscene! – een extra dimensie toevoegt.

Mogelijkheden
Dat dit Bach niet altijd in dank moet zijn afgenomen bewijzen de diverse versies van deze passie. Dat zijn er om precies te zijn – de onvoltooide versie uit 1739 (Bach herzag slechts de eerste tien nummers) meegerekend - vier en een kwart in getal: 1724, 1725, 1732 (volgens sommige bronnen 1728 of 1730) en 1749. De grootste muzikaal-inhoudelijke verschillen zijn bespeurbaar tussen de versies uit 1724 en 1725. In laatstgenoemde revisie voegde Bach vijf nieuwe nummers in. Daaronder een alternatief openingskoor in de vorm van een koraalbewerking over het bekende passielied “O Mensch, bewein dein Sünde gross”, dat hij in 1727 zou gebruiken om het eerste deel van zijn Matthäus-Passion mee af te sluiten. Bovendien zijn voor de editie uit 1732 bepaalde delen nieuw geschreven, daaronder een louter instrumentale Sinfonia, die het arioso voor tenor “Mein Herz” en de daaropvolgende sopraanaria “Zerfliesse, mein Herze” had dienen te vervangen, maar die echter verloren is gegaan, evenals een voor deze versie nieuw geschreven en bij Petrus’ verloochening aansluitende tenoraria. Mocht dit alles ooit nog boven water komen, dan worden de mogelijkheden om uit te kiezen voor dirigenten nog ruimer als het om het komen tot een intrigerende uitvoeringsversie gaat.

Mosterd na de maaltijd
En dit brengt mij gelijk op een van de zojuist uitgebrachte drie Johannes-vertolkingen, die door het Ricercar Consort onder Philippe Pierlot. Pierlot, over de artistieke merites van zijn uitvoering kom ik aanstonds te spreken, is iemand die graag van meerdere walletjes eet, omdat hij geen keus wil of kan maken uit de beschikbare versies. In plaats van consequent voor een enkele revisie te kiezen, stelt hij zelf een versie samen door onderdelen uit zowel 1724 als 1725 te gebruiken. Afgezien van het feit dat hierop musicologisch wel een en ander op valt af te dingen, ontstaat soms een onevenwichtige spanningsboog. Pierlot begint met het “Herr unser Herrscher” uit 1724 maar last vervolgens in het eerste deel de bas/sopraan-aria “Himmel, reisse, Welt, erbebe / Jesu deine Passion” uit 1725 in, terwijl hij niettemin voor de tenoraria “Ach mein Sinn” uit 1724 opteert. Helemaal bont maakt Pierlot het in het tweede deel, door na het slotkoor “Ruht wohl”, zowel de koraalbewerking “Christ, du Lamm Gottes” uit 1725 alsmede het ultieme slotkoraal “Ach Herr, lass dein lieb’ Engelein” te laten volgen. Door de zwaar beladen tragiek en dramatiek van de koraalbewerking in kwestie (afkomstig uit de Cantate BWV 23 ”Du wahrer Gott und Davids Sohn”) komt het koraal uit 1724 helaas puur als mosterd na de maaltijd over, dus als een anticlimax. En zo was het in 1724 (en in de vierde versie uit 1749) bepaald niet bedoeld, integendeel. Het geval wil namelijk dat Bach in 1725 een duidelijk ander concept voor ogen stond dan in 1724, respectievelijk 1749. In de tweede versie ligt het accent namelijk ondubbelzinnig op het lijden, op de tragiek in deze wereld, waardoor de teneur van het geheel vooral geladen en duister is. De eerste en de laatste versie verkrijgen door het van de verlossings- en opstandingsgedachte doordesemde karakter van het bekendere slotkoraal met terugwerkende kracht een bij uitstek positieve wending.

Tekstuitbeelding
Een ander aspect is de kleinschalige bezetting, dus een vocale formatie waarbij de diverse solisten het koor vormen en vice versa. Over deze praktijk, en vooral ook de plussen en minnen daarvan (alsmede de – historisch – gegronde argumenten die pleiten tegen deze aanpak) kunt u via meerdere artikelen op deze site het nodige vernemen; het is hier verder niet de plaats op het pro of contra deze gang van zaken in te gaan. Maar als het dan toch moet, dan zo. Want niet alleen dankzij die bezetting, ook vanwege de kraakheldere, intieme en weldadig rustige ambiance van de opname ontsnapt geen detail (het kleinst denkbare niet uitgezonderd) aan het oor van de luisteraar. Waar nog bij komt dat niet alleen de vocale, maar tevens de instrumentale bezetting van de bovenste plank is. Het fraaie is dat soms de heterogeniteit van de koren – zoals in het aanvangskoor, en daar valt er, gezien het expressionistische klimaat avant la lettre, veel voor te zeggen – wordt benadrukt en de andere keer het tegenovergestelde, zoals in de weliswaar vlot, maar tevens over het algemeen mooi vloeiend en met een natuurlijke voordracht genomen koralen.

De individuele vocale bijdragen mogen er ook zijn, met – en dat is op zich al een reden waarom u deze opname beslist moet aanschaffen – de mooiste verklanking ooit van de sopraanaria “Zerfliesse mein Herze” door Maria Keohane. Dit is echt theater zonder dat er over de top wordt gegaan. Zelfs mijn tot op heden meest favoriete uitvoering van deze aria door Nancy Argenta en de English Baroque Soloists onder leiding van John Eliot Gardiner in hun eerste, uit 1986 daterende en nog steeds in haar soort onovertroffen, Johannes-registratie voor Deutsche Grammophon, verhuist daardoor naar het tweede plan. Ik denk hierbij speciaal ook aan de wijze waarop Keohane de tekstuitbeelding van deze aria realiseert; alleen al de manier waarop zij ruim over de helft van dit nummer het woord ”Tod” verbeeldt, daarbij houdt men de ogen niet droog, nog afgezien van de ongelooflijk doorleefde en geraffineerde sonoriteit van de blazers en het begeleidende continuo (kistorgel).

Dankbaar alternatief
Opvallend is wat het evangelieverhaal betreft, een praktijk die steeds algemeen ingang vindt, de rol van het continuo die als toetsinstrumenten zowel orgel als klavecimbel insluit. Men moet even aan de kleur van het stemgeluid van evangelist Hans-Jörg Mammel, die iets naar het licht nasale neigt, wennen om toch meer en meer gefascineerd te raken door de onderliggende en gaande het verloop van de passie telkens meer voelbaar wordende bewogenheid in zijn presentatie. Gegeven het feit dat de overige solistische bijdragen over het algemeen goed tot zeer goed zijn, is deze kleinschalige Johannes een dankbaar alternatief voor de verklanking door de Nederlandse Bach Vereniging onder supervisie van Jos van Veldhoven (Channel Classics), die een qua sonoriteit rondere en warmere benadering voorstaat dan Pierlot, die het eerder zoekt in een wat scherper geëtst klankbeeld. Edoch, voor beide opvattingen valt evenveel te zeggen, mits men bij Pierlot over de “mixed bag” van de versies wil heenstappen.

Waas
Bij de twee overige opnames van de Johannes is er geen onduidelijkheid wat de versies betreft, dat is die uit 1724. Niettemin is de nieuwe Brüggen-uitgave een problematisch geval. In tegenstelling tot zijn eerste vastlegging uit 1992 voor Philips met het Nederlands Kamer Koor in het nu inmiddels alweer oude Muziek Centrum Vredenburg die als geheel nog steeds weet te overtuigen (ook al mist ook die opname een enkele keer een zekere presence en dynamiek) kan hier niet over de gehele linie van een succes worden gesproken. Ook al klinkt de instrumentale aanhef van het “Herr unser Herrscher” hoogst veelbelovend, fraaier zelfs dan destijds in Utrecht. Mede ook vanwege de prachtige positionering van de continuo-instrumenten (luit, kistorgel) in het ensemble dat als totaal uitmunt in een hartverwarmend timbre. Maar dan komt het koor – Cappella Amsterdam – en weg is de magie. Het klinkt week, soms zelfs op het matte af, en ook is het soms alsof de ritmische precisie van zowel de vocale als de instrumentale partijen aan hechtheid inboet. Deels is dit mijns inziens aan de opname toe te schrijven, die overkomt alsof er plotseling een waas over het totaal is komen te liggen. De volkskoren komen er beter van af, zij het soms wat wollig. Zo heb ik het “Lasset uns zerteilen”, wel eens puntiger gehoord Men vergelijke op dit punt ook Brüggen zelf in diens eerste registratie, met een daar werkelijk superieur zingend Nederlands Kamer Koor. Markus Schäfer is een prima evangelist maar hij kan mij, als het om Brüggen gaat, niet Nico van der Meel doen vergeten die, toen die bewuste uitvoering plaatshad, als zanger op het toppunt van zijn kunnen verkeerde. Inderdaad, dan ervaar je in het tweede deel van de Johannes een bijkans journalistiek verslag en wordt de door Marijke Schouten genoemde “tribunaalscene” werkelijkheid. Het grootste probleem van deze productie is echter de opname die niet alleen tijdens meerdere concerten werd vereeuwigd (wat op zich geen bezwaar hoeft te zijn) maar op verschillende lokaliteiten: de Rotterdamse Doelen, de Leidse Stadsgehoorzaal en de Haarlemse Philharmonie. Dat verklaart niet alleen mede waarom de grote spanningsbogen er nogal eens niet zijn, er een verandering van atmosfeer intreedt en er soms ook niet erg fraai is ‘geplakt’ (wat speciaal opvalt als men met de hoofdtelefoon luistert). Zaalruis is op zich geen bezwaar, als het maar constant is en als zodanig de ambiance van de totale opname uitmaakt; dan is men zich daar gaandeweg niet meer van bewust. Dat is anders wanneer er van de ene naar de andere akoestische ruimte wordt geswitcht. Wellicht dat hieraan de editfout valt toe te schrijven die heeft geleid tot het sneuvelen van de zin “Erschein mir in dem Bilde” van het koraal “In meines Herzens Grunde”  op CD 1 – track 26.

Herschepping
En toch, ja toch kunt u niet om deze nieuwe Brüggen heen. Niet zozeer vanwege de op zich genomen prachtige solistische bijdragen van bijvoorbeeld sopraan Carolyn Sampson of bas Peter Kooij, maar omwille van het werkelijk huiveringwekkend imposant vertolkte “Es ist vollbracht” door altus Michael Chance, die daarmee zijn prestatie in de hiervoor reeds genoemde legendarische Gardiner-vastlegging voor DG nog heeft weten te evenaren. Dit grandioze resultaat valt tevens op conto te schrijven van viola da gamba-speler Rainer Zipperling die deze aria in perfecte samenwerking met Chance tot leven wekt en wel alsof het geheel ter plekke wordt bedacht. Dit is nu herschepping in de ware zin des woords! En, ook al komt het stemgeluid van Chance in de oudere Gardiner-opname in puur technische zin perfecter over, wat emotionele vervoering en spirituele rijping betreft is wat hij hier voor elkaar krijgt met geen mogelijkheid te overtreffen.

Monumentaliteit
Net zoals Brüggen vond ook Gardiner het tijd om een andere kijk op Bachs meesterwerk te etaleren, alhoewel zijn ‘nieuwe’ opname al op 22 maart 2003 in de Kaiserdom te Königslutter door de Norddeutsche Rundfunk werd opgetekend. Wat je bij Brüggen mist is hier in optima forma het geval. Een enkele lokaliteit, hier een schitterende kerkruimte waarin de partituur van kaft tot kaft tot klinken komt. De vraag die zich meteen voordoet: maakt deze nieuwe Gardiner de oude op DG overbodig? Nee, en bovendien moet men geen appels met peren willen vergelijken. Die eerste uitvoering blijft een uniek document, ook vanwege de – anno 2011 onverminderd ‘up to date’ overkomende weergavekwaliteit. Maar wie een passieverklanking zo echt mogelijk in een kerk wil meemaken wat méér is: dit vanuit de leunstoel thuis is op deze flamboyante en vol grandeur stekende benadering aangewezen. Het is misschien een vreemde vergelijking maar ik waande me, al luisterende, deelgenoot van de Bach-uitvoeringen uit de jaren vijftig en zestig door de Nederlandse Bach Vereniging onder wijlen Anthon van der Horst, zij het dan in combinatie met de onloochenbaar grotere muzikaal/technische mogelijkheden en inzichten van vandaag de dag. Als totaal is Gardiner er in geslaagd een Johannes-Passion neer te zetten als perfect sfeerdocument maar tegelijkertijd van een muzikale, zij het allesbehalve, gelikt overkomende, perfectie. Hoewel Gardiner bij deze gelegenheid dezelfde troepen aanvuurt als destijds voor DG is de indruk die het totaal maakt in de goede zin des woords massaler en grootschaliger, wat tevens opgaat voor de orgelbegeleiding van het evangelieverhaal, die me soms zelfs qua aanpak aan de aloude Albert de Klerk deed herinneren. Alles bij elkaar ademt Gardiners Johannes een monumentaliteit zonder gelijke, althans zeker niet binnen het domein van de historiserende uitvoeringspraktijk. Een verhaal apart daarbij is de optimale uitfrasering van de zinsneden in de koralen, met dikwijls schitterende fermates en rubati, dit alles overigens zonder dat daarbij de grens van de goede smaak wordt overschreden. Prachtig ook hoe Gardiner het tweede couplet van het koraal “Ach großer König” bijna ‘sotto voce’ doet zingen. In het slotkoraal van het tweede deel laat Gardiner de teugels zelfs ongemeen ruim vieren, met als resultaat een speelduur van meer dan twee minuten! Bijna romantisch, maar – mede dankzij ook hier uitgekiende dynamische en hevig contrasterende schakeringen - hoogst aangrijpend. Het solistenteam is met dit niveau geheel in overeenstemming, met van de drie hier besproken opnames de beste evangelist in de persoon van de wat dictie, expressie en stemzuiverheid aangaat voorbeeldig opererende Mark Padmore. Zoveel is duidelijk, de bezoekers van deze uitvoering zijn op vleugeltjes huiswaarts gekeerd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links