CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2019

 

Bruckner: Requiem in d, Cohrs C01 - Libera in f, Cohrs D02 - Aequales in c, Cohrs P03 - Am Grabe, Cohrs I11b - Aqueales in f (bewerking door Benjamin- Gunnar Cohrs) - Vor Arneths Grab, Cohrs G01 - Aequales in c, Cohrs K01 - Todtenlied nr. 1, Cohrs F 06/1 - Nachruf!/Trösterin Musik, Cohrs H05 - Todtenlied nr. 2, Cohrs F06/2 - Libera in F, Cohrs E01

RIAS-Kammerchor, Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. Lukasz Borowicz
Accentus ACC30474 • 56' •
Live-opname: november 2018, Philharmonie, Berlijn

 

Een cd uitsluitend bestaande uit treurmuziek van Anton Bruckner. Daaronder maar liefst vier wereldpremières: de beide Aequales (in c en f), de ‘troostmuziek' (in c) en het Libera (in F). Interessant is ook dat het Requiem nu voor het eerst verschijnt in het kader van de ‘Complete Bruckner Urtext Edition' waarover u hier zo het een en ander kunt lezen.

Het Requiem
Het was Bruckners eerste groot aangelegde geestelijke werk: deze Missa de profundis, geschreven voor solisten, koor en orkest. De directe aanleiding was mogelijk de dood van Franz Seiler op 15 september 1848. Seiler, ‘Hofschreiber' aan het stift van Sankt-Florian en medefirmant in het bedrijf van Bruckners broer Ignaz, was in 1837 met Bruckner bevriend geraakt. Hij herkende al snel diens compositietalent en had hem daarin sterk gestimuleerd. Die waardering kwam ook tot uiting in Seilers testament, waarin hij de componist de Bösendorfer-vleugel naliet die Bruckner tot aan zijn dood bleef gebruiken (het instrument kan in de zogenaamde ‘Bruckner-Zimmer' in het stift nog steeds worden bewonderd).

Bruckner voltooide het Requiem op 14 maart 1849. Afgaande op de data ligt de dood van Seiler als aanleiding voor de hand, maar in het manuscript noch in het schetsmateriaal is daarvan geen enkel spoor terug te vinden. Wat uit het overgeleverde materiaal wel blijkt is dat Bruckner deel na deel in de volgorde Sequentia, Sanctus, Introitus, Benedictus, Offertorium en Communio heeft geschetst en vervolgens rechtstreeks in partituur heeft gebracht.

De eerste uitvoering vond plaats precies een jaar na het overlijden van Seidl, op 15 september 1849 in Sankt-Florian, met Bruckner zelf aan het orgel en koor en orkest onder leiding van Franz Xaver Schäfler. Het succes van deze première was evident. Zozeer zelfs dat reeds op 11 december van dat jaar de tweede uitvoering plaatsvond, in Kremsmünster, met opnieuw Bruckner aan het orgel, maar nu met Maximilian Kerschbaum als dirigent.

Het bronnenmateriaal is helaas niet compleet bewaard gebleven. Het manuscript heeft Bruckner in 1892 in handen gegeven van Franz Bayer, die zich zeer enthousiast over het werk had uitgelaten. Voor zover we weten beschikte Bayer tevens over het volledige stemmenmateriaal, maar dat is na diens dood hoe dan ook verloren gegaan.

Robert Haas, de bezorger van de eerste ‘Kritische Bruckner Gesamtausgabe', heeft ten onrechte verondersteld dat Bruckner in 1892 het Requiem aan een ingrijpende revisie heeft onderworpen. Dit met het oog op een door Bayer geïnitieerde uitvoering in Steyr. Hij zag daarbij echter over het hoofd dat al direct na de uitvoering in 1849 in Kremsmünster een afschrift van zowel de partituur als het stemmenmateriaal was gemaakt. Ook Haas' opvolger, Leopold Nowak, heeft zich er nooit om bekommerd, met als gevolg dat in zowel de oude als de nieuwe ‘Gesamtausgabe' consequent maar ten onrechte wordt vermeld dat het daarin opgenomen Requiem is gestoeld op een uit 1892 daterende omwerking van de partituur (‘Revision'). Terwijl – ik memoreer het nogmaals voor alle duidelijkheid - alleen sprake is geweest van correcties die Bruckner al in 1849 had uitgevoerd.

Uit de overgeleverde autograaf blijkt dat de componist na 1850 nauwelijks nog speelaanwijzingen heeft toegevoegd en dat hij slechts op één plaats een paar noten in de vioolpartij kan hebben gewijzigd, waarbij echter niet kan worden uitgesloten dat de kopiist in Kremsmünster die paar plekken domweg over het hoofd heeft gezien of gewoon verkeerd heeft gelezen. De conclusie is evenwel helder: van een revisie in 1892 is geen enkele sprake geweest. Vandaar ook dat in de in 2010 aangevangen, reeds genoemde ‘Urtext'-editie het redactieteam onder leiding van Benjamin-Gunnar Cohrs zich wat betreft het Requiem naar het in Kremsmünster vervaardigde afschrift heeft gericht. In die zin is sprake van een regelrechte cd-première, met voorts nog de kanttekening dat hopelijk binnen afzienbare termijn zowel de Haas- als Nowak-editie niet meer zal worden gebruikt.

We weten ook iets van de bezetting van het werk tijdens der uitvoeringen van rond 1850: slechts 8 koorleden (tevens optredend als solist), 2 violen, altviool, cello, violone (de voorloper van de contrabas), 3 trombones en orgel. Het orgel uitgezonderd zouden we kunnen spreken van acht (koor) versus acht (instrumentaal) (dubbelkorigheid: vocaal en instrumentaal koor). Voor deze cd-opname is echter voor een daarvan afwijkende bezetting gekozen, uitgaande van de bezetting die Bruckner voor de uitvoering van zijn missen in de Weense Hofburg ter beschikking had: 11 sopranen, 8 alten, 8 tenoren, 8 bassen, 6 eerste violen, 5 tweede violen, 4 altviolen, 4 celli, 2 contrabassen, hoorn, 3 trombones en orgel.

Niet alleen qua bezetting, maar ook inhoudelijk heeft Bruckners Requiem (dat duidelijk is geïnspireerd op dat van Mozart, met inbegrip van de toonsoort d-klein) niets van de sacrale, zelfs symfonische eigenschappen die het werk in de concertzaal krijgt toegedicht. Dat blijkt ook uit deze cd-uitvoering, waarin het intieme karakter prevaleert. Waarbij het wel jammer is dat werd afgezien van de niet door Bruckner gecomponeerde, maar wel in de uitvoeringstraditie van die tijd passende delen Graduale, Tractus (na Introitus) en In Paradisum (na Libera). Cohrs heeft deze delen echter wel opgenomen in de ‘Urtext'-editie, keurig gemodelleerd naar een gradualeboek zoals dat tijdens Bruckners leven veelal werd gebruikt.

Libera in f
Er is iets voor te zeggen dat dit Libera eveneens tot het Requiem heeft behoord. Het is gezet voor vijfstemmig koor, 3 trombones, bassi en orgel. Er is weliswaar het manuscript overgeleverd, maar alleen de stemmen (in het handschrift van Bruckner): een volledig uitgeschreven partituur ontbreekt.

Libera in F
Tijdens zijn studietijd in Kronstorf (1843-1845) componeerde Bruckner een Libera in F. Hij nam het, met nog een aantal composities van zijn hand, echter niet mee naar Sankt-Florian, waar hij inmiddels was benoemd tot respectievelijk schoolhulp en kandidaat-organist bij het stift. Bijna een halve eeuw later, in de zomer van 1892, reisde Bruckner samen met zijn vriend Franz Bayer naar Kronstof om de daar achtergebleven manuscripten van zijn jeugdwerken alsnog op te halen. Ze moesten echter onverrichterzake terugkeren omdat het schoolhoofd op vakantie en de school gesloten was.

In de zomer van 1903 ging Bruckners biograaf Max Auer naar Kronstorf om de manuscripten te bekijken. Hij kreeg ze niet mee, maar mocht ze wel uitvoerig bekijken. Hij besloot ter plekke om een en ander eruit over te schrijven. Uitsluitend daaraan hebben we het Libera in F te danken: de overige bronnen zijn later, waarschijnlijk tijdens de oorlogsjaren, verloren gegaan.

Het Libera in F is een gemakkelijk toegankelijk gelegenheidswerk, ongetwijfeld bestemd voor de lokale dorpsgemeenschap. Aan de authenticiteit ervan bestaat geen twijfel, maar wel aan de juistheid van de in haast door Auer gemaakte kopie. Veel details daarin ontbreken en er zijn nogal wat verschillen tussen de door hem uitgewerkte orgelstem en de baspartij in het koor. Dat doet vermoeden dat in het originele manuscript zowel een becijferde bas als een aparte basstem (cello/violone) was opgenomen. Vreemd is ook dat in Auers afschrift het begindeel van dit Libera niet wordt herhaald. Cohrs cum suis hebben het in die zin aardig opgelost dat zij in de ‘Urtext'-editie de basstem hebben uitgebreid en de herhaling van het begin van het Libera hebben afgestemd op Bruckners Libera in f. Wat niet wegneemt dat in de desbetreffende editie het Libera in F werd opgenomen onder de noemer ‘Incerta', of wel ‘Onzeker', omdat van de overgeleverde fragmenten de ‘oerbron' nu eenmaal ontbreekt.

'Todtenlieder'
De ‘Todtenlieder' nr. 1 & 2 (titel en nummering stammen van Bruckner) werden geschreven voor uitsluitend gemengd vocaal kwartet. Bruckner stelde het in 1852 in handen van zijn vriend Josef Seiberl, muziekleraar in St. Marienkirchen en neef van Bruckners gelijknamige leerling en opvolger als stiftorganist in Sankt-Florian.

Wat de aanleiding tot de compositie is geweest en wanneer deze is ontstaan weten we niet, maar mogelijk houdt het verband met het overlijden van Franz Xaver Schäfler, koordirigent in Sankt-Florian, op 8 maart 1852. Maar er kan ook worden gedacht aan de dood van de voormalige stiftorganist Anton Kattinger, op 17 juni van datzelfde jaar in Kremsmünster.

Ook in deze ‘Todtenlieder' is plaats ingeruimd voor de trombones, drie in aantal, instrumenten die in Bruckners treurmuzieken een belangrijke rol krijgen toebedeeld. Bijzonder was dat overigens niet, want al in de achttiende eeuw had zich rond Allerzielen, maar ook bij uiteenlopende treurige gebeurtenissen, de traditie gevestigd van korte deeltjes met daarin drie trombones of andere blaasinstrumenten, vaak betiteld als ‘Turmmusiken' (ik verwijs in dit verband ook naar de belangrijke rol van de hoorn die Bruckners Vierde symfonie inluidt, met Bruckners opmerking dat ‘in dem 1. Satz das Horn gemeint [ist], das vom Rathause herab den Tag ausruft').

Aequales
Deze treurmuzieken werden toentertijd met ‘voces aequales' aangeduid, al snel verkort tot ‘aequales', afgeleid van ‘gelijkheid' (‘voces aequales' betekent letterlijk ‘gelijkwaardige stemmen').

De Aequale in c is in originele staat bewaard gebleven en bevindt zich in het archief van het stift in Seitenstetten. Op het eerste blad staat een orgelfuga in c, gedateerd 15 januari 1847, waardoor men aanneemt dat de Aequale op het tweede blad (de letterlijke titel luidt ‘Aequales für drie Tromponen') uit hetzelfde jaar stamt.

Dan is er het fragment van nog een Aequale in c, waarvan eveneens de datering ontbreekt. Cohrs heeft op grond van het handschrift en de gebruikte papiersoort geconcludeerd dat het tussen 1852 en 1855 moet zijn ontstaan, mogelijk in verband met de uitvaartplechtigheid op 8 maart 1852 van Franz Xaver Schäfler. Maar het zou net zo goed bedoeld kunnen zijn geweest voor de begrafenis van Wilhelm Schiedermayr op 23 september 1855. In de uitvoeringscatalogus die wordt bewaard in de bibliotheek van het stift in Sankt-Florian lezen we dienaangaande ‘Bei letzteren Posaunen und Grablied von Bruckner'. Bewaard zijn helaas alleen de alt- en tenorstem (beide getiteld ‘Aequales'). Cohrs heeft een nieuwe stem speciaal voor de ‘historische' trombone erbij geschreven, dit in tegenstelling tot andere aanvullingen die uitgaan van de moderne trombone (waar overigens niets mis mee is).

'Am Grabe'
Het treurkoor, ‘Am Grabe', ontstond naar aanleiding van de dood van Josefine Hafferl, de moeder van Josef Hafferl, voorzitter van de Linzer Liedertafel ‘Frohsinn', waarmee Bruckner niet alleen als 'zangbroeder' een sterke band had. Het werd op 11 februari 1861 door ‘Frohsinn' voor het eerst uitgevoerd en wel tweemaal: in de kerk en aan het graf. Het is, anders dan in de Bruckner-literatuur wordt vermeld, een nieuw werk voor uitsluitend mannenkoor a cappella. De verwarring is waarschijnlijk mede ontstaan doordat Bruckner ook voor ‘Vor Arneths Grab' dezelfde toonsoort gebruikte en bovendien de tekst ervan vrijwel identiek is, al liet hij in ‘Am Grabe' de vierde strofe weg.

Verrassend is ook dat van ‘Am Grabe' twee versies blijken te bestaan. De tweede betreft een ongedateerd afschrift van vreemde hand, maar waarin Bruckner wel allerlei correcties heeft aanbracht die sterk afwijken van het oorspronkelijke manuscript uit 1861. Daarmee vergeleken is de harmonische onderbouw in de tweede versie scherper gemarkeerd en is het klankbeeld rijker (gemaakt). In de 'Urtext'-editie worden de beide versies opgenomen.

'Vor Arneths Grab'
Dit treurkoor componeerde Bruckner, samen met enige exequiën, in slechts drie dagen na de dood van de prelaat (overste) Arneth. Ze werden tijdens de begrafenisplechtigheid op 28 maart 1854 uitgevoerd door het nieuwe stiftkoor onder leiding van Ignaz Traumihler, met Bruckner aan het orgel.

Bruckners Requiem werd bij die gelegenheid niet uitgevoerd, hoewel uit de stiftannalen het tegendeel blijkt. Nader bronnenonderzoek leerde echter dat niet het Requiem van Bruckner, maar dat van Mozart (ongetwijfeld in de Süssmayr-versie) werd uitgevoerd.

'Nachruf!/Trösterin'
De aanleiding tot dit treurkoor (het uitroepteken achter ‘Nachruf' komt in alle bronnen voor) is wel zeker: het overlijden van Josef Seiberl op 10 juni 1877 in Karlsbad (hij zal daar ongetwijfeld een kuur hebben ondergaan), waar hij aan een longziekte was bezweken.

Bruckner was er ernstig door geschokt en vroeg zijn vriend Heinrich Wallmann om een passende tekst. Wallmann was regimentsarts en schreef in zijn vrije tijd lyrische teksten onder het pseudoniem Heinrich von Mattig (een bon mot: hij stamde uit het Opper-Oostenrijkse Mattighofen). Dit treurkoor werd voor het eerst uitgevoerd op 28 oktober 1877 in Sankt-Florian, tijdens de plechtige onthulling van een gedenksteen voor Seiberl. Uit de leden van de Liedertafels uit Enns, Linz en Mauthausen was speciaal voor deze gelegenheid een honderdkoppig koor opgetrommeld. In het stiftarchief bevinden zich nog 107 exemplaren van de gedrukte partituur. Hoewel het manuscript ontbreekt, wordt de authenticiteit ervan niet in twijfel getrokken en is het als bron voor de nieuwe ‘Urtext'-uitgave gebruikt. Cohrs wijst er overigens op dat nog op de valreep van de uitvoering op 28 oktober 1877 in alle haast in alle exemplaren en stemmen een tekstwijziging werd doorgevoerd: ‘Drum mag's im Orgelstrome brausen' werd vervangen door ‘Drum mag's, o Meister, sehr erbrausen'. Het is een wijziging die in eerdere uitgaven buiten beschouwing is gelaten.

Maar daarmee is het verhaal nog niet af. Toen de componist en dirigent Rudolf Weinwurm begin 1886 in een concert door de ‘Akademische Gesangsverein' het werk opnieuw wilde uitvoeren stuitte hij op de tekst die naar zijn smaak te sterk aan de uiterst droevige gelegenheid was gebonden. Dus vroeg hij Bruckner om in te stemmen met een nieuwe tekst, een taak die August Seuffert op zich nam, nu onder de titel ‘Trösterin Musik'. De muziek werd overigens niet aan de nieuwe tekst aangepast. De uitvoering vond plaats op 11 februari 1886. Het behoort tot Bruckners meest geliefde werken voor mannenkoor. Cohrs heeft in het kader van de ‘Urtext'-editie van de nood (er is een groot gebrek aan mannenkoren) een deugd gemaakt door tevens een versie voor gemengd koor en orgel samen te stellen, daarbij rekening houdend met de beide verschillende teksten en onder weglating van de laatste strofe van de Seuffert-versie.

Album
Tot in de puntjes gedocumenteerd, uiteraard ook met alle gezongen teksten, door het ensemble schitterend uitgevoerd en vlekkeloos opgenomen, is dit een aanwinst van jewelste in de gelukkig nog steeds uitdijende Bruckner-discografie. Naarmate de 'Urtext'-editie vordert zullen er ongetwijfeld nog meer (deels onbekende) juweeltjes boven water komen die hopelijk een passende uitvoering krijgen. Nog vrij recent was het de Zesde symfonie die in de 'Urtext'-editie haar opwachting maakte (klik hier voor de recensie). En vorig jaar maart recenseerde ik Bruckners Missa Solemnis en nog een aantal koorwerken, eveneens door het RIAS-Kammerchor en de Akademie für Alte Musik Berlin onder leiding van Lukasz Borowicz (klik hier). Ook deze uitgave was door Benjamin-Gunnar Cohrs tot in de puntjes voorbereid.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links