CD-recensie

 

© Maarten Brandt, mei 2019

Wagner: Siegfried-Idyll - Voorspel tot Parsifal

Bruckner: Symfonie nr. 6 in A (Nowak) - Symfonie nr. 9 in d (Nowak)

Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Andris Nelsons
DG 483 6659 • 81' + 71' • (2 cd's)
Live-opname: december 2018, Gewandhaus Leipzig

   

Dat men bij het Koninklijk Concertgebouworkest om wat voor reden dan ook een kans heeft laten lopen (of moeten laten lopen), leert het geval Andris Nelsons die de ene topproductie na de andere aflevert en sterker nog: mede een ondubbelzinnige affiniteit bezit met het repertoire waar ons nationale ensemble sedert jaar en dag in schittert, te weten Mahler en – niet in de laatste plaats - Bruckner. Dat bewijst de imponerende Brucknercyclus met het Leipziger Gewandhausorchester waarvan mijn gewaardeerde collega Aart van der Wal de nummers 3 4 en 7 voor onze site terecht in zeer lovende bewoordingen besprak. Nelsons is, zo blijkt keer op keer, uit het juiste Brucknerhout gesneden en bovenstaande release vormt daarop bepaald geen uitzondering, integendeel. Waar nog bij komt dat het ensemble uit Leipzig Bruckner net zo diep in zijn genen heeft zitten als ‘ons' KCO. Kortom, men kan daar met Bruckner even goed lezen en schrijven als in Amsterdam, Berlijn, Wenen en Dresden. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat deze keer ook de Zesde aan de beurt was, ooit Bruckners muzikale stiefkind, maar een symfonie die nu aan een enorme inhaalslag bezig is. Immers, zeer onlangs verscheen op Linn een imponerende vertolking van hetzelfde werk door het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin onder supervisie van Robin Ticciati (klik hier voor de recensie van Aart van der Wal). Om precies te zijn met een totale speelduur van 51 en een halve minuut, terwijl Nelsons voor dit opus maar liefst acht minuten meer nodig heeft.

Tegenstrijdigheid
En dat brengt op ons het mysterie tijd in relatie tot Bruckners muziek. Want, laten we wel zijn, het fenomeen speelduur zegt op zichzelf nog niets. Het gaat er namelijk om hoe de tijd zich verhoudt tot het muzikale traject wat er door wordt gearticuleerd. En hoe zich de diverse perioden en overgangen daarbinnen tot elkaar verhouden. Ook is het dienstig zich de twee categorieën van de filosoof Henri Bergson indachtig te zijn, die van ‘le temps' en ‘la dur é e'. Gaat het in het eerste geval om de fysieke, lees: meetbare tijd, in het tweede draait het om de wijze hoe de tijd subjectief wordt beleefd. Of, om wijlen de fameuze Duitse musicoloog Carl Dahlhaus aan te halen: “Muziek wordt in wezen bepaald door de structuur van het tijdsverloop waarin zij optreedt en waarin zij is geplaatst. Daarin schuilt tegelijkertijd de grootste tegenstrijdigheid, want door middel van de hoogste organisatie van de tijd wordt deze zelf overwonnen en in een ordening gebracht die een tijdloze indruk wekt.” Bij Bruckner komt daar nog bij dat het niet alleen gaat om het tijdsverloop per deel, maar ook die van de delen ten opzichte van elkaar. Met andere woorden, er wordt nogal wat geëist van een dirigent die zich met Bruckner wil gaan bezighouden. Gewoon het orkest mooi laten spelen is éé n ding, maar daarmee is men er nog niet, want waar het vooral op aankomt is het vermogen om zowel “in het landschap te staan” als het totale overzicht te hebben of - om met een van die andere reuzen onder de Bruckner-vertolkers Sergiu Celibidache te spreken - niet alleen te beseffen, maar ook te voelen dat het einde al in het begin ligt. Dit nogmaals, niet alleen per deel, maar wat de totale symfonie betreft. Om het even of het daarbij om de Achtste, Negende, Vierde of welke symfonie van de Oostenrijkse meester dan ook draait. Dan zij er nog zaken als de puls, het harmonisch ritme, de relatie tussen het melodische en harmonische verloop, de omgang met cesuren en ga zo maar door. Bruckners muziek verschilt daarbij in die zin van die van Mahler, dat men zich niet kan verschuilen achter allerhande uitdagende en briljante instrumentale effecten. Bruckner dirigeren kun je wel of niet, een middenweg is er op de keper beschouwd niet en verstoppertje spelen is er niet bij.

Placebo-effect
Hoezeer het ook valt toe te juichen dat sinds het begin van het cd-tijdperk consequent de tijdsduren per deel van een compositie worden vermeld, eigenlijk zou men alvorens te gaan luisteren die voorkennis niet moeten hebben, want het werkt teveel als een placebo-effect en verhindert daardoor de werkelijke portee van de ervaring van de uitvoering in kwestie.Ik ben begonnen met de Negende, die onder Nelsons op en top geladen wordt neergezet en waarbij de eerste climax van het openingsdeel echt klinkt als de ‘vuistslag' van Martinus Nijhoff uit diens beroemde gedicht over Bruckner. De immense spanningsbogen zijn met een ijzeren consequentie doorgetrokken en de diverse intrigerende harmonische overgangen bezitten een spanning die je bijna letterlijk de adem doet inhouden. Maar ook de contrapuntische en melodische hoogstandjes worden kraakhelder voor het voetlicht gebracht, dit de kleinschaligste motieven niet uitgezonderd, zoals dat terloops voorbijschietende stijgende motief van de hoorns pal voor de verpletterende afsluiting van het hoofddeel van het scherzo (partituur: maat 225-226). En dan het adagio, dat vol wijdsheid en met een prachtige aura van klank tot leven komt. Nelsons begrijpt maar al te goed dat dit ‘Abschied vom Leben' geen sinecure is, getuige onder meer de wijze waarop de scharnierende dissonanten – en niet alleen tijdens de overdonderende climax vlak voor de coda – onder zijn handen gestalte krijgen. Nog even over die klank gesproken, ik ken absoluut geen opname waarop de Wagnertuba's zo diep, rijk en sonoor klinken als deze. Werkelijk ongelooflijk. Al evenmin is mij een uitvoering bekend waarbij de cesuur volgende op eerder genoemde climax dermate geladen overkomt. Zelfs Jochum (DG en EMI) moet hier in Nelsons zijn meerdere erkennen. Na het luisteren naar de timings gekeken en mijn ogen niet kunnen geloven, maar ze kloppen echt: 23'39, 10'44 en 24'04 en dat is zelfs, wat de delen 2 en 3 betreft, nog een fractie sneller dan de eerste Philipsopname uit 1965 met het Concertgebouworkest onder Haitink: 23'15, 11'15 en 24'52.

Melancholie
En dan de Zesde. Er bestaan nogal wat - en deels schitterende - verklankingen van dit werk, waarvan die al gesignaleerde onder Ticciati bepaald niet de minste is, wat heet. Onder andere met een pracht van een adagio. En dat adagio neemt in Bruckners symfonische oeuvre een unieke plaats in en is met geen enkel ander langzaam deel uit onverschillig welke symfonie van zijn hand te vergelijken, zo volstrekt eigen, origineel en rijk is dit met recht enerverend te noemen brok muziek. Het is wellicht vloeken in de kerk, maar het – mede door Wagners dood bekend geworden – adagio uit de zevende verbleekt bijkans bij het tweede deel uit de Zesde, waarvan de tragiek in mijn beleving aanzienlijk handenwringender is dan in het langzame deel van de Zevende, zij het op de coda daarvan na. Maar wie naar een belichaming zoekt van de melancholieke ervaring in muziek, moet bij het adagio van de zesde zijn. Nelsons benadering ademt volop, waarbij de voortgang van de muziek een ongelooflijk natuurlijk overkomend verloop kent, die – opnieuw komt het mysterie tijd om de hoek kijken – volledig doet vergeten dat Nelsons bijna 20 minuten voor dit gedeelte nodig heeft. Die combinatie van natuurlijkheid, de breedheid van het tempo en toch de totale afwezigheid van alles wat ook maar bij benadering zweemt naar zwaarte en de impressie van het voortslepen, dit en meer (waarbij het orkest de sterren onafgebroken van de hemel speelt) maakt het ondergaan van deze muziek tot een ongekende sensatie. En dat Nelsons een man is die in proporties kan denken, of beter nog: die deze perfect aanvoelt, blijkt bijvoorbeeld uit de finale, waarin ik onder meer dat ingetogen moment waar wordt teruggeblikt – maar eerder qua sfeer dan in termen van noten – op het adagio zelden zo teder en ook tragisch heb horen realiseren. Als gevolg waarvan de episodes die daarop volgen iets genadeloos krijgen en door hun nuchterheid (en desondanks: grootsheid) resulteren in een hoogst intrigerende collage van gevoelsmatige tegenstellingen. Hierdoor blijkt opeens dat de veel gehoorde opvatting van de zwakheid van deze finale toch op drijfzand berust. De werkelijkheid is niet zozeer die zwakheid alswel dat de meeste dirigenten met dit deel weinig tot geen raad weten.

Geschiedenis
Boekdelen zouden nog kunnen worden volgeschreven met de vele miraculeus fraaie momenten in het scherzo en vooral het openingsdeel, waarbij – maar dat deelt Nelsons ook met Ticciati – de dirigent een uiterst scherp zintuig aan de dag legt voor zowel de pre-impressionistische als dito expressionistische inhoud van deze ook anno 2019 nog steeds buitengewoon wonderlijk en extreem verrassend overkomende toonkunst, die nog eens onderstreept dat Bruckner en Wagner – ze bewonderden elkaar zeer – in ieder geval met elkaar gemeen hadden dat ze enorme vernieuwers waren. De door Nelsons gehuldigde koppeling tussen de beide meesters is dan ook een zeer zinvolle. Niet alleen worden we getrakteerd op een schitterende en vol rankheid stekende Siegfried Idyll, maar ook op een somptueuze verklanking van het Vorspiel tot het eerste bedrijf van Parsifal. Een mooie combinatie, want het hoofdthema van het adagio uit Bruckners Negende culmineert immers in een letterlijk citaat uit deze imposante prelude. En over imposant gesproken, het bij de concerten aanwezige publiek moet dit ook hebben gevonden, want het hield zich muisstil. Zoveel is aan geen enkele twijfel onderhevig, Nelsons is onderweg met een Bruckner-cyclus waarmee nu al geschiedenis wordt geschreven. Wordt vervolgd! En wel met de Vijfde symfonie. Weer iets voor Brucknerianen om vol hooggespannen verwachtingen naar uit te kijken!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links