CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2019

 

Bruckner: Symfonie nr. 9 in d

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks o.l.v. Mariss Jansons
BR-Klassik 900173 • 57' •
Live-opname: 13-17 januari 2014, Philharmonie im Gasteig, München

   

In februari 2016 besprak collega Maarten Brandt de uitvoering van Bruckners Negende symfonie door het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van Mariss Jansons. U vindt hier zijn recensie.

Hij was bepaald niet enthousiast. Sterker nog, na beluistering restte hem slechts de volkomen deceptie. Wat daarbij in zijn beleving zekereen rol speelde was de ‘uitermate fletse en platte klank'. Wat hij miste waren onder meer diepte, scherpte en sonoriteit. Maar er was ook de indruk van een interpretatie die dichtgemetseld leek, waardoor de luisteraar als het ware buiten het gebeuren bleef staan. Andere bezwaren golden het gebrek aan geladenheid en suspense, met te bruuske overgangen en een gebrek aan raffinement in de dynamische contrasten. Evenmin vreugdevol was Brandt over die fameuze passage in het adagio, bij letter K, met de aanduiding ‘Markig, Breit', waar Jansons een accelerando meende te moeten invlechten. Het gevolg was tevens dat 'de scharnierende dissonanten (in de kopersectie) van hun werking werden beroofd'. In de BR-opname treffen we in het openingsdeel iets soortgelijks aan: bij 14.00' verloopt het dusdanig buitensporig dat het effect ervan wegvalt.

De live-opname in Amsterdam werd gemaakt in maart 2014, zo'n twee maanden na de live-opname in München. Jansons behoort niet tot de dirigenten die hun visie op een bepaald werk regelmatig aanpassen; laat staan in een dusdanig kort tijdsbestek. Het orkest, als instrumentaal ‘medium' tussen componist en publiek, speelt in die visie verder geen rol van betekenis. Bovendien straalt het Beiers omroeporkest een vergelijkbare klasse uit als het KCO, terwijl het bovendien geen repertoire betreft waarin de beide orkesten elkaar kwalitatief überhaupt zouden kunnen ontlopen. Wat wel het grote verschil uitmaakt is de kwaliteit van de Beierse opname die, hoewel in ‘gewoon' stereo, het pleit tussen Amsterdam en München al (letterlijk!) per definitie in het voordeel van de laatste beslecht. Het is weer eens zo'n schoolvoorbeeld van het belang van opnametechnische artisticiteit, een onderwerp dat in cd-besprekingen slechts zelden aan de orde komt. Dat de opnamestaf net zo goed tot de rangorde van kunstenaars behoort als de musici op het podium. Dat het de opname kan zijn die een uitvoering simpelweg maakt of breekt. Niet dat het zwart-wit is, want menige muziekliefhebber is bereid om op het gebied van de opnamekwaliteit desnoods behoorlijk veel water in de wijn te doen omdat de specifieke kwaliteiten van de uitvoering dat rechtvaardigt. Hoeveel historische opnamen zijn er niet van slechts matige kwaliteit die desondanks vanuit interpretatief perspectief hoog genoteerd staan! Het ligt daarom ook in de rede dat een (veel) minder florissante, (stok)oude opname gemakkelijk(er) wordt geaccepteerd. Men is op dit punt als het ware al gepreconditioneerd. Echter, als het een nieuwe(re) opname betreft wordt de lat plotsklaps heel anders gelegd. Voor de een mag dat voer voor psychologen zijn, voor de ander is het zo helder als glas: een matige opname hoort niet bij een recente uitvoering. Ook dat lijkt sterk op een gepreconditioneerd zijn. Over een doffe Bruckner-opname van Furtwängler of van ‘Kna' zal niemand klagen...

Ons perspectief van een vertolking hangt samen met de kwalitatieve eigenschappen van de opname. Wie zich daarvan wil overtuigen kan de reeds aangehaalde RCO Live-opname vergelijken met de BR-opname (beide staan o.a. op Spotify). En dan nog is die uit München niet eens van zogenaamde ‘demonstratiekwaliteit' (een geliefd onderwerp bij hifi-enthousiasten). Wat niet wegneemt dat vanuit muzikaal oogpunt Jansons natuurlijk wel Jansons is en blijft. Dat maakt deze BR-opname - en ik zou bijna zeggen: uiteraard - eveneens haarscherp duidelijk. Dat betekent een sterke hang naar ‘cosmetisering' van de klank, wat als het ware in zijn muzikale genen zit, met de klankcultuur zeer hoog in zijn vaandel. De keerzijde ervan komt in deze vertolking net zo duidelijk naar voren: de in deze symfonie vrijwel voortdurend opgetaste conflictstof, met een componist in zowel een mentale als religieuze crisis, is ondergeschikt gemaakt aan een onophoudelijk glanzend profiel. Wie dus een handenwringende Negende verwacht zal onherroepelijk worden teleurgesteld. Er is wel die vuist, maar die wil maar niet op aarde vallen. Wel is sprake van een panorama dat zowel in breedte als diepte wordt gedomineerd door orkestrale schittering. Het mondt uit in orkestspel van de hoogste orde, maar vanuit het opus bezien zonder kosmische proporties. Wat dat laatste betreft gaapt er een enorme kloof tussen Jansons en Celibidache; en tussen hen niet alleen… Wie daarvan nog steeds niet overtuigd is raad ik slechts aan om eens kritisch naar het begin van het adagio te luisteren: dat zegt eigenlijk alles. Het mist de diep gewortelde, expressieve gravitas die alleen al dit hartverscheurende begin zo onuitwisbaar maakt. En dan moet de rest nog komen...
Dat Jansons heeft gekozen voor de 'gewone' driedelige versie zal niemand verbazen: het is bijna in de natuur der dingen dat hij zich niet heeft gewaagd aan de vierdelige opzet. Ook daarin staat Jansons overigens bepaald niet alleen...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links