CD-recensie

 

© Maarten Brandt, februari 2016

 

Bruckner: Symfonie nr. 9 in d (Nowak)

Koninklijk Concertgebouworkest
o.l.v. Mariss Jansons

RCO Live 16001 55' (sacd)

Live-opname: 19, 21 en 23 maart 2014, Concertgebouw, Amsterdam

 

In de discografie van het Koninklijk Concertgebouworkest neemt, evenals in die van de Berliner- en de Wiener Philharmoniker (om ons nu even tot de toporkesten te beperken), de Negende symfonie van Anton Bruckner een vooraanstaande plaats in. Het oude huislabel van het KCO, Philips, bracht maar liefst drie opnames van Bruckners zwanenzang uit onder achtereenvolgens Eduard van Beinum (1956, nu op cd verkrijgbaar op het label Decca Australian Eloquence), Bernard Haitink (1965, met Jaap van Ginneken als onvolprezen geluidstechnicus) en nogmaals Haitink (1981, met als klankregisseur Volker Straus). Hiermee is de lijst niet compleet want Haitinks opvolger, Riccardo Chailly, legde in 1997 zijn visie op Bruckners Negende voor Decca vast, terwijl we ook nog in de uiterst gelukkige omstandigheid verkeren dat in het kader van The Anthology of the Royal Concertgebouw Orchestra (The Radio Recordings uitgegeven door Radio Nederland Wereldomroep) tevens de legendarische verklanking onder Carlo Maria Giulini van 22 januari 1978 werd uitgebracht, zijnde een van de uitvoeringen voor het onbewoonde eiland. Tel daarbij op dat alleen al Haitink de symfonie maar liefst 47 maal met het KCO heeft vertolkt, en het is duidelijk dat dit stuk het orkest als het ware "in het bloed zit gebakken."

Geen Bruckner-specialist
Het lag daarom in de rede dat ook de recentelijk vertrokken chef-dirigent van het Koninklijke ensemble, Mariss Jansons, zich ooit over deze partituur zou ontfermen. Hoewel geen Bruckner-specialist, heeft hij diens muziek herhaaldelijk in Amsterdam doen klinken. Naast de nu heet van de naald verschenen Negende voerde hij de Derde, Vierde, Zesde en Zevende symfonie in de Nederlandse hoofdstad uit, uitvoeringen die ook op het RCO Live-label zijn verschenen en door collega Aart van der Wal en ondergetekende voor onze site zijn besproken. Vooral met de Vierde en de Zevende symfonie bleek Jansons uitstekend uit de voeten te kunnen. Zonder in deze werken op onverschillig welke wijze in overdrijving te vervallen, spreidt hij onafgebroken een welluidende en lyrische klank ten toon die deze symfonieën als een handschoen past. De tempi zijn zeer gemiddeld, maar alles ademt op natuurlijke wijze. Maar er zijn ook symfonieën van de Oostenrijkse meester waar Jansons minder tot geen raad mee weet, zoals de Zesde, waarvan zowel het openingsdeel als het adagio - een van de subliemste brokken muziek die Bruckner ooit schreef! - veel te terloops en verstoken van de vereiste diepgang voorbij waaien.

Fletse klank
Bij Jansons weet je het dus nooit. Hoe zou het hem met de Negende vergaan? Welnu, om maar meteen met de deur in huis te vallen, dit is op een volkomen deceptie uitgelopen. En dat ligt niet eens aan de behoorlijk vlotte tempi, want Karajan in zijn eerste studio-opname (DG) en Simone Young in haar recentelijk verschenen live-opname uit Hamburg (klik hier voor de recensie) hebben slechts enkele minuten meer nodig. Allereerst is er de uitermate fletse en platte klank die me deed twijfelen aan de staat van mijn afspeelapparatuur, totdat ik er ter vergelijking de tweede Haitink-registratie bij pakte om er achter te komen dat die vastlegging nog niets aan zowel diepte, scherpte, sonoriteit en een superieure weergave van de zaalakoestiek heeft ingeboet, iets waar de opname uit 1965 nauwelijks bij achterblijft. Ja, zelfs de gelikt overkomende Chailly werkt in vergelijking met wat we hier op deze RCOlive-uitgave horen als een pure verademing. Want wat bij Jansons te horen valt, is soms enorm dichtgemetseld, en dat alleen al maakt dat je als luisteraar 'buiten' staat, iets waar het ondergaan van het geheel in de surround-modus weinig aan verbetert.

Dieptepunt
Maar ook artistiek gezien kan deze nieuwe Negende Bruckner nauwelijks een toets der kritiek doorstaan. De aanhef van het eerste deel is 'feierlich' noch 'misterioso', en het zich uit de oer-chaos opwerkende hoornthema ontbeert elke geladenheid en suspense. Ook al omdat er van om het even welke ruimtelijke werking en het daaraan verbonden zijnde aura in de verste verte niets valt te bespeuren . Tijdens het verdere verloop krijgen overgangen veelal te bruusk hun beslag en blijven de dynamische tegenstellingen van ieder raffinement gespeend. Het gevolg is dat men als luisteraar maar moeilijk bij de les blijft en er van een muziek sprake is waarbij het goed klaverjassen is, wat - naar het mij dunkt - niet datgene is wat Bruckner bij dit met recht eschatologisch te noemen werk voor ogen moet hebben gezweefd. Het enige positieve wat er over Jansons aanpak te melden valt, geschiedt in het trio van het scherzo, waar enkele fraaie rubati tijdens de intiemste passages de aandacht trekken. Maar in het adagio is het alweer mis. Een van onze dagblad-critici memoreerde 'de religieuze wijding' in Jansons benadering van dit adagio: het is me een raadsel hoe iemand dat hierin kan horen. Want het geval wil nu juist dat alles wat ook maar bij benadering naar twijfel, gebrokenheid, extase en vervulling (de gemoedstoestanden die in dit deel om het voorste gelid strijden) tendeert door Jansons met strikte hand onder het vloerkleed wordt geschoven. Dit nog afgezien van afwijkingen van wat de partituur voorschrijft, zoals de beroemde en tristanneske passage die bij letter K ('Markig, Breit') begint en waarbij weliswaar het 'Breit' enigszins wordt gerespecteerd, maar waarna Jansons voor een accelerando opteert waarvoor het notenbeeld geen enkele aanleiding geeft en als gevolg waarvan de scharnierende dissonanten - koperblazers! - compleet van hun werking worden beroofd. Ik zeg het niet snel, maar deze release is een - zij het gelukkig zeldzaam - dieptepunt in de fonografische geschiedenis van ons nationale topensemble.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links