CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2013

 

 

Bruckner: Symfonie nr. 3 in d (1888/89, Nowak) - nr. 4 in Es (Romantische) (Haas) - nr. 5 in Bes (Haas) - nr. 6 in A (Haas) - nr. 7 in E (Haas) - nr. 8 in c (1890, Nowak) - nr. 9 in d (Nowak) - Te Deum - Mis nr. 3 in f + repetitiefragmenten (Symfonie nr. 9)

Margaret Price (sopraan), Christel Borgers en Doris Soffel (alt), Claes H. Ahnsjö en Peter Straka (tenor), Karl Helm en Matthias Hölle (bas), Philharmonisches Chor München, Münchner Philharmoniker o.l.v. Sergiu Celibidache

EMI Classics 0 85578 2 (12 cd's)

Live-opnamen: nr. 3: 19 en 20 maart 1987, Gasteig, München; nr. 4: 16 oktober 1988, Gasteig, München; nr. 5: 14 en 15 februari 1993, Gasteig, München; nr. 6: 29 november 1991, Gasteig, München; nr. 7: 10 september 1994, Gasteig, München; nr. 8: 12 en 13 september 1993, Gasteig, München; nr. 9: 10 september 1995, Gasteig, München; Te Deum: 1 juli 1982, Lukaskirche, München; Mis nr. 3: 6 en 9 maart 1990, Gasteig, München

Zie ook Sergiu Celibidache met Bruckner in beeld en geluid


Ergens begin jaren zeventig hoorde ik voor het eerst een Bruckner-symfonie gedirigeerd door Sergiu Celibidache. Ik experimenteerde in die tijd - met behulp van een draaibare dakantenne en een Quad FM3 tuner - driftig met de stereo-ontvangst van buitenlandse radiozenders. Ik was met name geïnteresseerd in de ontvangst van de fameuze BBC3 zender (Wrotham), maar tussen de bedrijven door kwamen ook Belgische en Duitse zenders in vrij goede kwaliteit binnen, waaronder die van de Südwest Rundfunk (SWR), de omroep die er in Stuttgart een groot symfonieorkest op nahield: het Radio-Sinfonieorchester Stuttgart, waarover 'Celi' van 1972 tot 1977 de artistieke scepter zwaaide.

Diep doordacht concept
Zo kwam Celi bijna achteloos mijn huiskamer in: als een ongenode gast, toevallig omdat ik de antenne richting Stuttgart had staan. En net zo toevallig klonk Bruckner IV, waarbij mij de schellen van de oren vielen. Dit was zó anders, zo merkwaardig diffuus en tegelijkertijd zo gedifferentieerd, met zoveel noten die nu pas echt opvielen omdat Celi ze als zodanig vormgaf, het was agogisch, religieus, mystiek, bedwelmend, kolossaal, de vele stemmen afwisselend als één koor, als primus inter pares onvergelijkbaar indrukwekkend opkomend uit het geheel, of - niet minder fascinerend - beklemtonend hoe belangrijk een enkele stemmengroep (altviolen!) kón zijn. Dit waren geen 'kunstjes', maar stuk voor stuk onderdelen van een diep doordacht concept, want wie op 'kunstjes' vertrouwt sloopt onherroepelijk Bruckners 'Periodenbau' en raakt al snel letterlijk uitgeteld.

Bruckner voorgesteld als religieuze mysticus? Gezegd moet worden dat Celi, evenals Herbert von Karajan, een fervent aanhanger was van het Zen Boeddhisme - waarmee hij in aanraking kwam via zijn leraar Martin Steinke - en van de leer van de religieuze mysticus Sai Baba. Mede onder de invloed van dit alles kwam hij tot de stellige overtuiging dat het geschreven en gesproken woord ons niet dichter bij de realiteit brengt, integendeel. En bovendien dat de fysieke wereld losstaat van de mentale. Een overtuiging die voorts impliceert dat ons subjectieve bewustzijn op zich machteloos is, niet meer dan een bijverschijnsel van de processen die zich in de hersenen afspelen. Zoals ook de complexiteit van de klankpatronen in de concertzaal een nevenverschijnsel is van de processen die zich in de muziek zelf afspelen. Nog een stap verder en de conclusie is dat geestelijke fenomenen slechts bijverschijnselen zijn van de fysische zoals die zich in ons bestaan afspelen. Dat Celi niets zag in het maken van studio-opnamen houdt hiermee rechtstreeks verband: de unieke ervaring van een live-uitvoering zou in een opname daarvan dat unieke karakter prompt verliezen. Zelf zei hij eens dat een opname niet veel anders was dan naar te bed gaan met een foto van Brigitte Bardot .

Zo'n dertig jaar geleden stond het voor mij zo vast als een huis: geen grotere Bruckner-dirigenten dan Furtwängler, Walter, Klemperer, Jochum en Haitink. Later is daar nog een aantal bijgekomen: Wand, Vonk (ik herinner me van hem een werkelijk formidabele Achtste tijdens een gastoptreden van de Dresdner Staatskapelle - waarvan Vonk toen chef was - in Amsterdam), Knappertsbusch, Schuricht, Van Beinum, Karajan, Abbado, Boulez en - in zekere mate - Thielemann en Runnicles. Wie stonden het hoogst op de lijst? Klemperer door zijn uit het spreekwoordelijke graniet gehouwen vertolkingen, gemeten naar structureel inzicht in deze weerbarstige materie zo'n beetje de Parnassus himself. Zijn Bruckner kende geen wijd boord noch afgeknipte broekspijpen. Furtwängler omdat die nu eenmaal Furtwängler was, de 'push-pull' dirigent die in de richting van de climaxen stoomde met onverschrokken tempoversnellingen, om later weer heel breed uit te waaieren (als ik het nogmaals over 'kunstjes' mag hebben: dat kunstje was ook bij Jochum in zeer goede handen). Walter om zijn warm-vriendelijke, o zo menselijke uitstraling, door de noten héén. Haitink omdat er echt niets op zijn Bruckner-stijl viel aan te merken, hoewel er misschien juist daardoor wel saaie kanten aan zaten. In de periferie was het, wat de overige dirigenten betrof, voortdurend dringen geblazen, van de schoolmeesterachtig strakke Boulez tot de parsifaleske Knappertsbusch; met Abbado en Van Beinum keurig in het epicentrum van al die verschillende stijlen.

Wie van de drie
En Celi? Dat was en blijft een verhaal apart. Zelden zal er een dirigent zijn geweest (misschien zelfs wel helemaal niet, dus ook niet buiten het bereik van onze discografische geschiedenis!) die zo langzaam liet spelen en daarbij iedere streng zo vast in handen hield. Die geen duimbreed wilde wijken voor zijn visie, zich aan niemand iets gelegen liet liggen, ook niet aan zijn (en dat waren er vele!) critici. Voor hem gold hetzelfde als voor Hans Vonk: een criticus is als een vreemdeling die je op straat tegenkomt en die je spontaan zomaar een klap in het gezicht geeft met als enige argument: "zo, die heb je verdiend." Daarmee komt het enfant terrible in beeld, iemand die bereid was om voor zijn visie door roeien, ruiten en deuren te gaan, maar die - zo vond hij - als geen ander in staat was om tot diep in Bruckners symfonische uitspansel door te dringen. Of Bruckners muziek wel zo mystiek, geheimzinnig, misschien zelfs wel duister is? Het hangt van de dirigent af om in een soort 'wie van de drie' de ware Bruckner den volke te tonen. En de religieuze Bruckner, hoor ik u denken? Ach, zó ver staat die niet af van de mystiek, zoals we die kennen uit Bruckners eigen leven, zo overtuigend en levensecht in kaart gebracht in de Bruckner-biografie van Cornelis van Zwol (klik hier voor de recensie). Al die bidprentjes en -kalenders van Bruckner, met zijn symfonische composities en koorwerken als één grote, alles samenvattende, religieuze kalender, met de vier delen van zijn symfonieën als de vier kwartalen van het jaar.

Twee kampen
Wat Celi's dirigeerkunst betreft zijn er grof gezegd twee kampen: zij die er niets van moeten hebben, zijn vertolkingen uitgesproken langdradig vinden en degenen die erdoor worden overweldigd, hetzij op slag, hetzij pas na verloop van tijd, en - tenminste in mijn geval - ook blijvend. Ik behoor tot die 'brucknerianen' die mij Bruckners oeuvre zonder Celi eenvoudigweg niet meer kunnen voorstellen.

Is het een cult, een modeverschijnsel? Zo in de trant van 'iedere generatie zijn eigen Bruckner', of schuilt er iets echt fundamenteels in dat overweldigende karakter van Celi's Bruckner. Of is het toch niet meer dan een overweldigend effect op mij als luisteraar? Ik weet het niet zeker en kan slechts vermoeden wat Celi's 'geheim' was: zijn absolute inzicht in instrumentale klank zoals die zich in een gegeven ruimte ontwikkelt. Dat lijkt voor de hand te liggen, kan zelfs de vraag oproepen 'maar dat geldt toch voor iedere dirigent?', maar de werkelijkheid is toch dat in dit geval twee uiterst belangrijke entiteiten samenvielen: die van de orkestleider en de klankarchitect. Dat vinden we ook terug in de eis van Celi dat iedere musicus die onder hem speelde niet alleen zijn eigen partij goed diende te kennen, maar ook die van zijn collega's. Wie binnen het collectief niet alleen zijn eigen partij blaast maar ook echt - en dan bedoel ik niet terloops - op de anderen let, zal zijn instrumentale kleurenpalet als het ware ten dienste stellen van de anderen, daarmee integreren of zich juist daarvan losmaken, zij het evenwel voortdurend - psychologisch - sterk verbonden blijvend met dat collectief. Wie op die manier naar de dirigent kijkt, kijkt ook naar zichzelf en naar alle anderen. Dat is het auditieve aspect wat door het gehele ensemble wordt gedragen en het op zijn beurt voor Celi relatief gemakkelijk heeft gemaakt zijn klankarchitectuur te ontwikkelen. Dat maakte het dus ook mogelijk om werkelijk de diepte in te gaan, iedere frase tot op het bot te verkennen en uit te werken, de kleinste dynamische nuance aan te brengen, maar ook om al die minuscule patronen - waar nodig - ondergeschikt te doen zijn aan grootse overgangen dan wel om daarmee de organische groei van Bruckners fameuze climaxen te bewerkstelligen. Wie als toehoorder luistert zoals de orkestmusicus moet hebben geluisterd, zal de diepglanzende schoonheid in deze muziek als het ware gaan aankleven: deze is enerzijds onweerstaanbaar en anderzijds een unieke ervaring die zelfs na herhaald beluisteren haar unieke karakter volledig behoudt. De glans werd er door Celi niet op gelegd, maar ontstond van binnenuit. Welke dirigent kan hem dat nazeggen?

Ver vooruitziende blik
Een heel ander en minstens even belangrijk aspect van Celi's kunst was zijn overzicht over het geheel: hij kon enorm ver vooruitkijken, wat pas echt begint op te vallen als we meer en meer vertrouwd zijn geraakt met zijn interpretaties. Hoe vaak is het niet voorgekomen dat ik ergens in de ontwikkelingsfase, dus ruim na de expositie, juist terug wilde keren naar die expositie om me ervan te overtuigen dat Celi bepaalde elementen daaruit nu juist in een ander licht had geplaatst, zozeer zelfs dat wat al ruimschoots voorbij was, opnieuw leek te zijn gerangschikt en anders bleek te zijn geschakeerd. Met het klimmen der jaren slaagde Celi er steeds beter in om het evocatieve met het cerebrale te verenigen, uiteindelijk op weergaloze wijze, zoals blijkt uit de uitvoeringen die deze EMI-box zijn verzameld. Wellicht komt dit nog het dichtst bij de kern van Celi's kunst: zijn vermogen om op magische wijze de ruimte te evoceren. Celi was de dirigent bij uitnemendheid die de akoestische afbeelding duidelijk in zijn uitvoeringen de rol van de protagonist meegaf.

Meer dan een 'Klangkörper'
Deze live-opnamen, gemaakt tussen 1987 en 1995, zijn van een uitstekende kwaliteit (heel belangrijk bij Bruckner), met als extra pre dat het openings- en slotapplaus deels werd meegesneden en door de aangebrachte 'applaustracks' aparte programmering mogelijk maakt (met uitzondering van de 'applausloze' Vierde symfonie, het Te Deum en de Mis in f), wat een beduidend sfeerverhogend effect sorteert. Interessant zijn ook de repetitiefragmenten, in totaal ruim een halfuur, die - wie Duits verstaat - een goed inzicht bieden in de wijze waarop Celi placht te repeteren, en waarin al snel duidelijk wordt dat het orkest in zijn ogen aanzienlijk meer was dan een 'Klangkörper'.

'Fassungen'
Wat de door Celi gehanteerde versies betreft zal daarover niet iedere bruckneriaan onverdeeld enthousiast zijn, wat overigens altijd verbonden zal blijven met Bruckners symfonische oeuvre überhaupt: de grote twijfelaar had dan al bij voorbaat onze twijfels weggenomen en dan zouden we naar alle waarschijnlijkheid - de Nullte meegerekend - zo'n twaalf symfonieën (of misschien wel vier of vijf missen) als erfenis hebben meegekregen.

Afgezien van Celi's keus voor de 1888/89-versie van de Derde (de versie die Szell, Karajan, Wand en vele anderen aan het hart gebakken was, ondanks de vele onnodige coupures en de minder doortekende orkestratie, vergeleken met de 1873/1877 versies) zal voor menigeen, welke andere overwegingen ook mogen gelden, Celi's timing van de afzonderlijke delen Bruckners symfonische oeuvre een nog scherper licht werpen op de werkelijk 'himmlische Länge' ervan (al komt deze term Schuberts Negende toe, gemeten naar de maatstaven van Robert Schumann). Wat dacht u van 35 minuten voor het Adagio van VIII, en dan ook nog in de kortere Nowak-versie, en de daaropvolgende finale van 32 minuten? Celi heeft Bruckners tempovoorschrift tegen het hart gedrukt: 'Feierlich, nicht schnell'. Het begint al gelijk, met de keizerlijke horde te paard in sukkeldraf! De beide hoekdelen van de (uiteraard driedelige) IX, met respectievelijk ruim 32 en ruim 30 minuten? De Vierde neemt in totaal bijna 80, de Negende 77 minuten in beslag (het applaus uiteraard niet meegerekend). Maar de Vijfde (natuurlijk zonder dat rommelige begin dat aan de uitvoering onder Klemperer kleeft) is een openbaring en het Adagio van de Zesde ronduit sensationeel. De Negende is onder Celi precies zoals Simon Rattle (klik hier voor het interview) het typeerde: een onafwendbaar zich ontwikkelende catastrofe het Scherzo doemt bijna gewelddadig, met een onverbiddelijke puls, voor de luisteraar op, niets vermoedend nog wat hem nog te wachten staat. Ik noem in dit verband slechts de bijna wanhopige uitbarsting in het Adagio van de Negende die de 'schreeuw' in Alban Bergs Lulu-suite naar de kroon steekt. Zocht Celi mogelijk doelbewust naar de in die passage op de rand van de tonaliteit zwevende verbondenheid tussen Bruckner en Berg? Het heeft er alle schijn van.

Ook Celi heeft - zoals menige collega - de welbekende 'Fassungs'-problematiek op sommige punten naar de eigen hand gezet. Een 'pick and choose' waarvan het eindresultaat niet altijd overtuigend is. Ik noem hier de Zevende die Celi in de Haas-versie uitvoert, maar in de slotapotheose van het Adagio wel bekkens en triangel inzet, terwijl wij die alleen kennen uit de Nowak-versie. Terwijl - het moet gezegd - de Haas-versie, vergelijken met die van Nowak, nu juist minder 'luidruchtig' is. Waarom dan toch ruimte scheppen voor die luidruchtige bekkens en die rinkelende triangel? Het zijn slechts luttele bouwstenen van Bruckners gigantische klankkathedraal, maar toch. Serieuze kritiek is dit natuurlijk niet, maar zelfs dan! Alleen al Celi's behandeling van de grote fugatische passages in de Vijfde doet iedere denkbare kritiek eigenlijk al bij voorbaat verstommen: zo scherp geciseleerd horen we het nooit, Celi's tempo bewijst de grootst denkbare dienst aan de hier echt essentiële articulatie: noot voor noot, zonder enige concessie aan het totaalconcept. Een wonderwereld, en dat is wel het minste dat erover te zeggen valt. Celi's Bruckner was en blijft uniek.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links