CD-recensie

 

© Aart van der Wal, mei 2014

 

Britten: War Requiem op. 66* - The Young Person's Guide to the Orchestra op. 34 - Spring Symphony op. 44 (in het Tsjechisch gezongen)**

Nadezda Kniplová (sopraan), Gerald English (tenor), John Cameron (bariton)*, Milada Subrtová (sopraan), Vera Soukupová (alt), Benot Blachut (tenor)**, Praags Filharmonisch Koor, Kühn Kinderkoor, Tsjechisch Filharmonisch Orkest o.l.v. Karel Ancerl

Live-opname:13 januari 1966 (op. 66); 3 mei 1958 (op. 34); 17 januari 1964 (op. 44); Dvorák-zaal, Rudolfinum, Praag

Supraphon SU 4135-2 • 80' + 60' • (2 cd's) (mono)

 

Het zal misschien voor menigeen als een verrassing komen dat een overwegend Tsjechische bezetting onder een Tsjechische dirigent zich heeft gebogen over Brittens War Requiem en Spring Symphony, maar voor Karel Ancerl (1908-1973) zal het dan misschien niet de gewoonste zaak van de wereld zijn geweest, maar zeker wel passend als belangrijk voorvechter van de twintigste-eeuwse muziek, al lag het zwaartepunt wat dat betreft bij het Tsjechische en Russische repertoire.

De live-uitvoering van het War Requiem vond plaats op 13 januari 1966 in de Dvorák-zaal van het Rudolfinum in Praag. Dat was bijna vier jaar na de première van het werk onder leiding van de componist, op 31 mei 1962, in Coventry Cathedral dat na het verwoestende Duitse bombardement op 14 november 1940 vrijwel van de grond af weer was opgebouwd (waarbij was gekozen voor een symbiose tussen oude en nieuwe architectuur, een aspect dat we niet toevallig terugvinden in Brittens War Requiem) (klik hier voor de recensie).

Het complex gelaagde Requiem vraagt om een uitgebreide bezetting, met een verschillende functionaliteit. De onschuld wordt verklankt door het jongenskoor (met orgel), het liturgische aspect door sopraan, groot gemengd koor en symfonieorkest, en de gedichten van Wilfred Owen (hij stierf in de loopgraven) door tenor, bariton en kamerorkest.
In het slotdeel het Libera me, komen die drie lagen, meesterlijk uitgewerkt, samen in een apocalyptisch, alles bevrijdend panorama dat alle grenzen, als ze daarvoor nog bestonden, muzikaal symbolisch wegvaagt. De consequentie van dit alles lijkt helder: wie dit werk in termen van esthetica en gestiek naar het hoogste niveau wil tillen, moet over bijzondere eigenschappen beschikken, ongeacht of hij dirigent, koorlid vocalist of orkestmusicus is. Wel of niet geleid door twee dirigenten (vaak wordt het kamerorkest door een tweede dirigent geleid) is en blijft het een heksentoer om alle ingrediënten - en dat zijn er heel wat - de juiste proportionaliteit mee te geven om daarmee te voorkomen dat het werk als los zand uiteenvalt of op onderdelen aan coherentie wordt ingeboet. We kennen Brittens kritiek na de première, toen hij zich beklaagde over de middelmatige kwaliteiten van de deelnemers en de vaak haperende coördinatie, al was hij wel vol lof over het aandeel van dirigent Meredith Davies.

Hoe Britten de uitvoering onder Karel Ancerl zou hebben beoordeeld weten we niet, maar afgaande op hetgeen is verdoekt zal hij niet onverdeeld tevreden zijn geweest. Het is cruciaal dat de verschillende lagen zoals die zich naast elkaar manifesteren, optimaal tot klinken komen, wat hier geenszins het geval is. Wat vooral opvalt is een te luid zingend koor, een te ver op de achtergrond acterend kamerorkest en daarnaast ook nog een onderbelicht symfonieorkest, waardoor het gehele werk van begin tot eind in een verkeerd auditief perspectief wordt geplaatst. Terwijl een goede balans binnen en tussen de verschillende uitvoeringsonderdelen nu juist een van de weinige doorslaggevende elementen is. De solistische bijdragen moeten we zien in het licht van die tijd. Inmiddels zijn we daarmee zo verwend geraakt (zie recensies elders op deze site) dat in deze Supraphon-opname het gebrek aan precisie en verbeeldingskracht extra opvalt (de gruwelen van de oorlog klinken menigmaal slechts en passant door, zoals in 'Strange Meeting'). Van het solistenteam scoort de Tsjechische sopraan Nadezda Kniplová nog het beste, met ondermeer een doorleefd Lacrymosa en Liber Scriptus. Buiten kijf staat dat Ancerl een ferme greep op deze dramatische partituur demonstreert, al blijven de climaxen (en dat zijn er vele) in deze registratie aan de nogal magere kant. Resumerende is dit geen War Requiem waar ik echt voor warm kon lopen.

De Spring Symphony mist alles wat er zo idiomatisch aan is. Het begint al met de taal: het wordt niet in het Engels, maar in het Tsjechisch gezongen, waardoor het meer een Jarní Symfonie dan een Spring Symphony is geworden (met daardoor tevens afwijkende notenwaarden). Door de bank genomen wordt er in muzikaal opzicht uitstekend gepresteerd, maar dit werk moet echt in het Engels worden gezongen. De uitvoering onder Britten (Decca) blijft wat mij betreft het meest authentiek. De Decca-opname, op cd uitgebracht in 1989, klinkt nog steeds uitstekend.

The Young Person's Guide to the Ochestra op een thema van Henry Purcell vind ik zowel qua uitvoering als opnametechnisch van deze uitgave het best geslaagd, met een uitstekend spelend orkest en Ancerls directie op hoog niveau (niet minder dan Britten zelf, op Decca). De spanning wordt mooi opgebouwd, de frases zijn fraai afgewerkt, de orkestrale balans en het dynamische discours om door een ringetje te halen. De opname is gedateerd, minder gedefinieerd dan de Decca en alleszins acceptabel. Dit zijn zonder uitzondering mono-registraties die voor het eerst worden uitgebracht, unieke live-opnamen met gelukkig weinig storende achtergrondgeluiden. De libretti vindt u niet in het cd-doosje maar als pdf op de tweede schijf.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links