CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2017

 

Borenstein: Vioolconcert op. 60 (2013) - The Big Bang and Creation of the Universe op. 52 (2008/09) - If You Will It, It Is No Dream op. 58 (2012)

Irmina Trynkos (viool), Oxford Philharmonic Orchestra o.l.v. Vladimir Ashkenazy
Chandos CHSA 5209 • 57' • (sacd)
Opname: december 2016, Henry Wood Hall, Londen

www.youtube.com/watch?v=aN1q-DiHr_k

 

Briljant, daar begint en eindigt het mee. Melodievoering, harmonie, ritmiek, orkestratie, samenhang naast stilistische individualiteit, het zijn de meest in het oor springende eigenschappen die zich in het oor nestelen tijdens het beluisteren van deze drie werken van de violist en componist Nimrod Borenstein (Tel Aviv, 1969). Hij doet wat zijn grote Britse collega Thomas Adès al jaren doet: nieuwe wegen zoeken zonder het publiek van zich te vervreemden. Er zijn met Adès ook enige stilistische overeenkomsten, maar het belangrijkste feit is misschien wel dat hun muziek op slag wordt herkend. Wat vooral iets zegt over het persoonlijke karakter ervan. Want dat is misschien wel het grootste obstakel dat het postmodernistisch componeren met zich heeft meegebracht: het verlies van individualiteit. De kunst is niet om vanuit een smeltkroes van stijlen ‘iets' te componeren, maar om het rijke verleden als inspirerende en creatieve bron te gebruiken om van daaruit een ‘eigen geluid' te concipiëren. Waarbij het altijd weer neerkomt op die voortdurende strijd tussen creativiteit en materie. Vrijwel geen luisteraar (zelfs geen musicus) die er een werkelijk idee van heeft hoe oneindig moeilijk dat proces is dat begint met blanco papier en een idee.

Rekenmeesters
Een eigen geluid, ofwel oorspronkelijkheid. Het is misschien wel het hoogste goed dat de muziek kent. De eerlijkheid gebiedt: vaak een onhaalbaar doel. In de jaren dat het serieel componeren bovenmatig populair was, konden de minder getalenteerden zich daaraan in zekere mate optrekken: ze lieten zich meezuigen door de andere, creatief beter geoutilleerde bewoners van het reeksenbos, zij die meer waren dan alleen maar rekenmeesters, want daar was het immers comfortabel toeven. Maar als al dat mathematische geen reddingboei meer kon zijn? Dan viel men al snel door de mand. Alleen maar reeksen en toch oorspronkelijkheid, ze waren niet bepaald vrienden van elkaar. Al kenden die keurig vastgelegde regels gelukkig wel ontsnappingsclausules, zij het dat die alleen golden voor degenen voor wie de reeks geen doel, maar niet meer dan een middel was. Rekenwerk als idée fixe, het kon geen al te lang leven beschoren zijn.

Tussen progressie en traditie
“Eigentijdse muziek, het is een doodlopende weg,” horen we vaak. Er wordt dan achteloos voorbijgegaan aan al die inventieve en wel degelijk progressieve componisten, zowel binnen als buiten onze landsgrenzen, die juist het tegendeel hebben bewezen; en dat zullen blijven doen. Maar inventieve vooruitstrevendheid kent voor die componisten wel een prijs omdat hun werk buiten de traditionele kaders valt en daardoor het risico wordt gelopen dat het slechts weinig of zelfs helemaal niet wordt uitgevoerd. In dit opzicht zijn de componisten die de balans tussen progressie en traditie hebben gezocht en gevonden (met of zonder de meest eigentijdse multimediatechnieken), in het voordeel.
Zoals het een van de belangrijkste representanten, de Brit Thomas Adès is gelukt, maar ook Borenstein en in ons land Michel van der Aa. Geen muziek weliswaar voor een miljoenen-, maar wel voor een duizendvoudig publiek.

 
 
Nimrod Borenstein

Die eigen stem
Het gaat Borenstein niet om specifiek vastgelegde modellen of patronen, maar om de ambitie een eigen stem te hebben en die met volle overtuiging uit te dragen. Natuurlijk is het niet Borenstein die bepaalt of dat is gelukt, maar zijn publiek. En de musici die zich achter die muziek moeten scharen om uit het starre notenbeeld een levend organisme te creëren. In deze drie werken lijkt dat allemaal op een indrukwekkende manier samen te zijn gekomen.

Vernieuwing kan wel degelijk worden afgedwongen. Terwijl het bij uitstek de rol is van de kunstenaar. Zijn omgeving is passief, afwachtend, misschien zelfs wel onverschillig, en wordt pas actief in de zin van omarmend of juist afwijzend. In het laatste geval leidt dat onherroepelijk weer tot passiviteit. Van beide zijn er voorbeelden te over.
Of vernieuwing een absolute voorwaarde is voor het scheppen van grote kunst leidt onvermijdelijk tot cultuurfilosofische bespiegelingen. Waarmee niets mis is, want het is belangrijk om over kunst na te denken (waarom ook niet vanuit het perspectief van de fenomenologie?) Zoals dat ook geldt voor het antwoord op de vraag of en zo ja in hoeverre de kunstenaar ‘midden in zijn tijd' moet staan, actief deel daarvan uit moet maken, zich daarmee moet kunnen vereenzelvigen en daarin (ook) een belangrijke maatschappelijke functie moet vervullen. En misschien zijn we het er over eens dat we ons bewegen op rudimentair terrein als we kunst slechts vereenzelvigen met niet meer dan de zoveelste aangeboden vorm van genot.

Feest der herkenning
We herkennen Händel, Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert, Schumann, Bartók, Berg, Stravinsky, Prokofjev, Puccini of Verdi op slag. Omdat hun muziek iets eigens, iets unieks bezit, onverwisselbaar en onuitwisselbaar is. Dat het ook iets over de kwaliteit ervan zegt, is misschien niet meer dan toeval (een componist die per definitie slechte muziek schrijft kan immers ook op slag worden herkend). Maar hoe dan ook, die eigen stem is heel belangrijk. Dat streeft Borenstein ook na. In zijn eigen woorden: “My humble hope is dat whilst you listen [your first thought] will be ‘Borenstein'.”
Het Vioolconcert uiteraard niet, maar de beide hier vastgelegde orkestwerken mogen - zij het met enige voorzichtigheid - tot de zogenaamde programmamuziek worden gerekend. Met enige voorzichtigheid, want in ‘The Big Bang and Creation of the Universe' (tot heden Borensteins grootste orkestwerk) en ‘If You Will It, It is No Dream' is van een concrete uitbeelding geen sprake. Wel betreft het de concrete verwijzing naar de gelijknamige passage in het boek 'The Old New Land' van Theodor Herzl, belangrijk voorvechter van Israël als 'Joods Nationaal Huis'; en daarmee een belangrijk symbool van de Zionistische beweging. Het gaat in dit stuk echter meer om de uitwerking van contrasten (in dit geval als idée fixe) in relatie tot het ‘multimelodisch' contrapunt, en het naast en zelfs over en door elkaar ontwikkelen van complexe ritmische systemen, met als belangrijkste uitkomst een veelvoud van verschillende stemmingsbeelden (die, het wordt met nadruk gesteld, zich niet laten concretiseren!) Conceptueel doet het denken aan wat Beethoven eens over zijn ‘Pastorale' opmerkte: “eerder de uitdrukking van het gevoel dan schildering.” Het laatste neemt concrete vormen aan, het eerste is abstract (of zo u wilt: niet meer dan een afdruk).

In een lange traditie
Het Vioolconcert is anders dan gebruikelijk vierdelig en met zijn speelduur van bijna een halfuur groot opgezet. Het beweegt zich langs de lijnen van een gevestigde, aloude traditie die teruggaat op Beethoven en Brahms, Bruch en Sibelius, maar dat - evenals de beide orkestwerken - van daaruit volkomen nieuwe perspectieven weet aan te boren. Dat we in het werk niet alleen de componist maar ook de violist Borenstein horen, is bijna vanzelfsprekend. Zoals het ook vanzelfsprekend is dat hij voor de solopartij echt geen technisch advies van anderen nodig heeft gehad.
De solist is in de visie van Borenstein de metafoor voor de ‘condition humaine' (algemeen omschreven als het menselijk lot), met daarin centraal de monoloog- en dialoogvorm in een uitgesproken theatrale opzet. Het virtuoze karakter ervan staat alleen oppervlakkig beschouwd in de context van pure techniek, want het zwaartepunt ligt bij nadere beschouwing duidelijk ergens anders: bij uiterste precisie, nuancering, kleuring en bovenal: individualiteit. Het spreekt direct aan, maar wie denkt met de zoveelste postmodernistische uiting van twaalf in een dozijn te maken te hebben, vergist zich deerlijk: daarvoor worden de vele ingebrachte elementen te fantasierijk geponeerd en vervolgens ontwikkeld, horizontaal (melodie), verticaal (harmonie), ritmisch en instrumentaal. Het is in stilistisch opzicht geen allegaartje, maar de eigen stem die het opus ook in structureel opzicht kenmerkt. Terwijl niets voor de hand ligt, het discours onafgebroken verrassend is en pas nadat de laatste noot is verklonken pas blijkt hoe onafwendbaar het gehele verloop zich heeft kunnen voltrekken.

 
  Irmina Trynkos, Philip Rowlands, Nimrod Borenstein en Vladimir Ashkenazy

Ideale pleitbezorgers
Een andere verrassing is het door Mario Papadopoulos opgerichte Oxford Philharmonic Orchestra, dat zich hier ontpopt als een absoluut topensemble. Die lijn kan met een gerust hart en welgemoed worden doorgetrokken naar zowel de soliste Irmina Trynkos als de dirigent Ik had de partituur niet bij de hand, maar er kan geen enkele twijfel over zijn dat de componist zich met deze soliste bijzonder gelukkig moet hebben gevoeld. Dan was er Vladimir Ashkenazy die zich al meerdere jaren sterk verbonden voelt met Borensteins oeuvre. Zo leidde hij al in 2013 het Philharmonia Orchestra in ‘The Big Bang and Creation of the Universe' en gaf hij met hetzelfde orkest in datzelfde jaar de wereldpremière van ‘If You Will It, It Is No Dream'.
Maar er is nog een belangrijke pleitbezorger te melden. Zeker in complex gelaagde muziek als deze is de opnamekwaliteit van groot belang. Chandos heeft er een waar spektakelstuk in de beste betekenis van gemaakt, met dank aan Philip Rowlands, die als opnametechnicus werkelijk alles uit de kast heeft gehaald om dit schitterende klankbeeld (zowel in stereo als in surround) neer te kunnen zetten.

______________
Zie ook de recensie van Borensteins ‘Suspended' (voor strijkorkest).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links