CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2022

Beethoven Trilogy 2 - Childhood

Beethoven: Pianosonate in Es, WoO 47 nr. 1 (Kurfürstensonate nr. 1) - in f, WoO 47 nr 2. (Kurfürstensonate nr. 2) - in D, WoO 47 nr. 3 (Kurfürstensonate nr. 3) - Pianosonate in C, WoO 51 - 9 Variaties op een mars van E.C. Dressler WoO 63 - Pianoconcert nr. 0 in Es, WoO 4‡ - Rondo in Bes, WoO 6‡ - 6 Variaties op een Zwitsers Lied WoO 64

See Siang Wong (piano), London Philharmonic Orchestra o.l.v. Roger Norrington‡
RCA 19439883152 • 78' •
Opname: 29-30 april 2019, Alte Kirche, Boswil (Zwitserland);
19 aug. 2019, Henry Wood Hall, Londen‡

   

De Zwitserse pianist See Siang Wong (hij is in Nederland geboren en getogen maar woont en werkt al geruime tijd in Zwitserland, waar hij onder meer als docent verbonden is aan de Hochschule der Künste in Zürich) zorgt met zijn nieuwste album opnieuw voor een verrassing: Beethoven Trilogy 2, Childhood, ditmaal uitsluitend gewijd aan een aantal van Beethovens ‘Werke ohne Opuszahl' (WoO), een binnen zijn kolossale oeuvre nogal ondergesneeuwd aspect van zijn enorme creativiteit, zij het met de kanttekening dat zowel de drie zogenaamde ‘Kurfürstensonaten' als de Dressler-variaties wel enigszins uit hun schaduw mochten treden. Edoch, deels is het in ieder geval zo dat die ‘O' best wel met ‘Onbekend' mag worden getypeerd, met daaraan verbonden het bekende gezegde ‘Wat de boer niet kent, dat eet hij niet'. En aangezien er ook onder die ‘WoO's' zich composities bevinden die het aanhoren meer dan waard zijn, valt Wongs initiatief zeker te prijzen. Al is het alleen maar als ik het Beethoven-jaar 2020 (dat door Covid merendeels werd ‘verpest') in herinnering roep, toen met een ware stortvloed van albums waarvan het merendeel absoluut niet bijdroeg aan een verfrissend, laat staan nieuw perspectief op Beethovens grandioze ‘output'. Vrijwel geen label dat niet een graantje wilde meepikken van de (terecht verwachte) Beethoven-hausse in 2020, waartoe dan tevens de talloze heruitgaven moesten worden gerekend.

Deze tweede trilogie (de eerste besprak ik hier) staat geheel in het teken van wat op de cover en in de toelichting met de term Childhood wordt aangeduid: uitsluitend muziek uit Beethovens jeugdperiode, die al in zijn geboortestad Bonn met componeren begon en later in Wenen furore maakte (en die en passant ook nog voor de nodige deining zorgde, en niet alleen muzikaal, zoals we allemaal wel weten). Daarvan ligt het (dan nog uiterst prille) begin bij zijn eerste, officieel gepubliceerde opus: de negen variaties op een mars van Ernst Christoph Dressler. Hij was toen pas…12, met dank aan zijn toenmalige leermeester, Johann Gottlob Neefe, als tenor verbonden aan het hof van Maximilian Friedrich in Bonn. Het was immers deze vrijmetselaar en vrijdenker die niet alleen de compositorische talenten van zijn jonge pupil vroegtijdig ontdekte, maar ook de voornaamste hand had in de totstandkoming van de eerste druk van de Dressler-variaties (1782/83). Het was ook Neefe die Beethoven vertrouwd maakte met de muziek van Johann Sebastian Bach en diens getalenteerde zonen, een voor Beethoven niet alleen belangrijke kennismaking, maar ook een die nogal voor de hand lag : geen enkele componist-in-wording kon het immers stellen zonder studie van onder meer contrapunt, harmonie en stemvoering.

Wat heeft Wong bewogen om wat dit en het vorige album betreft blijkbaar voor deze muzikaal-biografische opzet te kiezen? Hij legt het in het boekje keurig uit:

“In my trilogy I try above all to contextualise works by Beethoven that are less prominent but nevertheless important for his development. I thus hope to make some aspects of his work comprehensible in a new way.” En: “In these early works one can already detect important elements which define Beethoven's genius and which would be constantly developed in his later work.”

Zo is het mijns inziens ook. Zelfs wie met niet meer dan een half oor luistert (zeker niet aan te raden als het muziek van Beethoven betreft!), herkent dat beeld, wat een verdere exploratie alleen maar des te interessanter maakt. Dat geldt dan in het bijzonder voor het met het weinig aanlokkelijke nummer ‘0' toegeruste Pianoconcert in Es, WoO 4, met de daarop perfect toegesneden cadensen van de pianist zelf en met in het dromigere Larghetto zijn naar eigen smaak en inzicht gekozen versieringen (wat in die tijd overigens gebruikelijk was, maar tegenwoordig in veel uitvoeringen het onderspit heeft gedolven). Beethoven componeerde het driedelige werk in 1784 (hij was toen dus 14). Wat we ervan hebben is een onbekend gebleven afschrift dat (mogelijk) als klavieruittreksel heeft gediend, maar waarin we in de entrées van de solopartij en in aantekeningen omtrent de instrumentatie duidelijk het handschrift van Beethoven zelf kunnen herkennen. Het is daarmee evenwel niet compleet. De Zwitserse componist en muziekwetenschapper Willy Hess was de eerste die het werk van een volledige orkestratie voorzag, waarop weer anderen later zouden voortborduren (overigens een bekend fenomeen in de muziekpraktijk). Ook Ronald Brautigam heeft zich in dit opzicht niet onbetuigd gelaten en het is deze versie waarvoor Wong voor deze opname heeft gekozen. Niet zo vreemd, want Brautigam – deze opname bewijst het nog eens uitdrukkelijk – heeft de verschillende orkestpartijen een transparant aanzien gegeven en die voor de houtblazers – mede gelet op het tijdvak van het ontstaan van het werk – op eenvoudige leest geschoeid. Door de omvang van de strijkerssectie te beperken draagt ook dit nog eens bij aan de door solist, dirigent en orkest nagestreefde doorzichtigheid (al is de Steinway D zeker voor repertoire als dit mijns inziens toch wel een maatje te groot). Er wordt duidelijk een lans gebroken voor de instrumentale stijl van o.a. Johann Christian Bach, in tegenstelling tot die van Mozarts (Weense) pianoconcerten. In het boekje wordt voorts terecht opgemerkt dat met dit Pianoconcert de pas veertienjarige Beethoven in feite al een groter publieksbereik voor ogen moet hebben gehad dan het geval kon zijn met zijn solowerken.

Wat de laatste categorie betreft hebben de drie zogenaamde 'Kurfürstensonates' in het verleden ook de aandacht getrokken van pianisten als Emil Gilels en Murray Perahia. Wat niet wegneemt dat ook deze sonates werden het 'slachtoffer' van de klassificatie als jeugdwerken. Ze zijn gecomponeerd in 1782/83 en opgedragen aan de reeds genoemde 'Kurfürst' (keurvorst) Maximilian Friedrich en anders dan misschien gedacht (de verschillende stijlelementen in die tijd mogen als bekend worden verondersteld) hanteert Beethoven hier al onmiskenbaar een eigen stijl die zich met name toelegt op een verhoogde expressie, terwijl de ritmische patronen het contrast tussen hoofd- en neventhema (volgens de traditionele regels van de klassieke sonatevorm) doet vervagen. Wat in de eerste van de drie sonates, die in Es-groot, sterk tot uitdrukking komt. Een in die tijd vaak gebruikt stijlelement vinden we evenwel ook in dit geval terug, in de 'Seufzer' van de Mannheimer School. Het wordt in het boekje door Carsten Dürer helder toegelicht.

Dan nog een enkele opmerking over het Rondo voor piano en orkest WoO 6, geconcipieerd in strikte Allegro-stijl en dat oorspronkelijk bedoeld was om als slotdeel te dienen van het Pianoconcert in Bes, op. 19 (dat te boek staat als Beethovens Tweede pianoconcert, maar in werkelijkheid eerder is ontstaan). Gecomponeerd tussen 1790 en 1793 besloot de componist later om voor op. 19 een geheel ander Rondo te componeren. Maar we zien de klankpanelen al verschuiven: in WoO 6 koos Beethoven, althans vergeleken met WoO 4, voor een meer prominente blazersbezetting (fluit, twee hobo's, twee fagotten, twee hoorns) en bovendien voor een doorzichtig gehouden pianopartij, met bijzondere aandacht voor de speltechnische mogelijkheden in het discantregister (er lijkt wat beide aspecten betreft verwantschap te zijn met Mozarts KV 482).

Het is ronduit wonderlijk te horen hoe goed de samenwerking tussen de Wong (1979) en de zéér bejaarde Roger Norrington (1934) in 2019 is verlopen (hij heeft inmiddels zijn loopbaan als dirigent beëindigd). Er schuilt zoveel elan, energie en spiritualiteit in zowel het Pianoconcert als het Rondo dat het niet anders dan een bijzonder aanstekelijke uitwerking kan hebben. We horen hier gelukkig niet de Norrington-van-de-strikte-metronoom (bijkans hijgend naar de eindstreep...), maar een dirigent die soepele tempi hanteert en de pianist alle ruimte gunt om zowel te fraseren als zijn solopartij naar behoren op te bouwen. Echt luisteren naar elkaar, en er je voordeel mee doen, het is een eerste vereiste bij het musiceren. Hier verliep het bepaald anders dan door die roemruchte combinatie die menigeen nog op zijn netvlies zal hebben staan (of anders wel in de oren): Beethovens Pianoconcerten en Koorfantasie, met Daniel Barenboim als de pianist en Otto Klemperer als de dirigent die het Philharmonia Orchestra onder zijn hoede had. Anders dan bij Wong en Norrington was het Klemperer die de nog jonge Barenboim als het ware ‘dicteerde', naar zijn hand zette. Bij Wong en Norrington spat het speelplezier er werkelijk vanaf, wat deze muziek van de jeugdige Beethoven alleen maar ten goede kan komen. Een stevige dosis esprit doet echt wonderen!

Ook de solowerken komen onder de handen van Wong uitstekend uit de verf: zijn spel is uitgesproken charismatisch, individualistisch (zinsopbouw, dynamiek) en facetrijk (articulatie, pedaalgebruik). In die zin is zijn benadering niet anders dan wat hij in zijn eerste Beethoven-album heeft laten horen. Waarmee hij tevens bewijst dat ook deze jeugdwerken het wel degelijk waard zijn om te worden gehoord. Al kan ook hij het feit niet omzeilen dat als we naar deze vroege werken luisteren, de latere Beethoven zich tegelijkertijd als het ware aan ons opdringt.

Samenvattend: een bijzonder geslaagd deel 2, wat door de prima opname nog eens dubbel en dwars wordt onderstreept.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links