CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2021

Beethoven: Symfonie nr. 3 in Es, op. 55 (Eroica)

Méhul: Ouverture Les Amazones, ou La Fondation de Thèbes

Les Siècles o.l.v. François-Xavier Roth
Harmonia Mundi HMM 902421 • 54' •
Opname: maart 2020, MC2, Grenoble; sept. 2020, Théâtre municipal de Tourcoing en Maison de l'Ondif, Alvortville (F)

   

Enerzijds verfrissend, anderzijds niet zonder kanttekeningen. De beide beginakkoorden maken al duidelijk dat Roth geen zin had in een traditionele lezing, maar ook elders houdt hij vast aan een eigen koers (o.a. uitwaaierende akkoorden en geprononceerde sforzati) Opvallend is ook dat zijn aanpak in het openingsdeel minder martiaal is, feitelijk lichter van toon dan ik had verwacht, waardoor het beeld ontstaat van een Eroica die zelfs dichter bij de Tweede symfonie staat (die overigens meer revolutionaire trekken vertoont dan we vandaag de dag nog willen geloven). Die lichtheid wordt door twee aspecten duidelijk in de hand gewerkt: het snelle tempo door het consequent respecteren van de metronoomaanduidingen, maar ook dat het gehele aura in het teken staat van klankschoonheid. Teveel naar mijn overtuiging. De scherpe randjes zijn er daardoor deels vanaf geslepen. Het moet ook wel zeer verleidelijk zijn geweest om dit werk in te studeren met een zo fenomenaal spelend orkest. En evenals Klemperer in lang vervlogen tijden geeft Roth aan de houtblazers wat extra cachet (dat past de muziek uitstekend, zo heeft de geschiedenis ons geleerd). Je merkt ook hoe goe Roth en Les Siècles op elkaar zijn ingespeeld: ieder detail komt optimaal tot zijn recht zonder de grote lijn (spanningsbogen!) uit het oog te verliezen.

Maar welk oordeel we ook mogen hebben over hedendaagse uitvoeringen: we hebben er geen flauwe notie van hoe het in Beethovens tijd werkelijk heeft geklonken. We weten iets over de orkestomvang (een schamel kamerorkestje), maar niets over speelwijze en akoestiek (in die context). Zoals we ook Beethovens eigen klankconcept niet kennen. We hebben alleen zijn manuscripten, schetsboeken, correspondentie, conversatieschriften. Ze helpen ons concept evenwel niet. Met als verder complicerende factor dat Beethovens hardhorendheid vanaf de eerste schetsen van de Eroica steeds ernstiger vormen ging aannemen. Terwijl hij onder die barre omstandigheden (en het zou nog veel slechter worden) hij toch uiterst gedifferentieerd kon componeren (denk in dit verband ook aan een ander instrumentaal sterk gedifferentieerd werk: ‘Ma Vlast', van de toen al stokdove Bedrich Smetana).

Verfijnd musiceren heeft een geduchte prijs. Het luxueuze klanktapijt dat wordt uitgerold doet de retorische scherpte afvlakken. Op die manier wordt in de Eroica de ‘revolutie' al uitgedoofd voordat die goed en wel is begonnen. Dat gebeurt in het Allegro con brio althans deels bij Roth, nog eens 'aangemoedigd' door de wat tamme kopersectie die - ten gunste van de balans als heilige graal - onvoldoende gelegenheid krijgt zich luidkeels te manifesteren. Natuurlijk heeft Roth deze ‘lijn' consequent doorgezet in het Scherzo en de Finale (je hebt een opvatting of je hebt 'm niet), maar juist niet in het Marcia funebre. Daar is het beeld juist donker, de expressie zelfs diep inkervend, de tijd een belangrijke medestander. Het Scherzo is luchtig, het Trio naturalistisch. Sterk is ook de Finale, al wordt de coda wel érg langzaam genomen, zij het met indrukwekkend resultaat. Het slot is nu eens geen overtrokken of schelle fanfare maar krijgt echt nobele contouren. Zo heurt het ook, denk ik dan.

Geen enkele twijfel mogelijk: ho er ook over wordt gedacht, dit is geen doorsnee-uitvoering. De grote aandacht voor het detail, de sterke puls, het vasthouden aan de grote lijn, de uitwaaierende strijkersakkoorden (het staat nergens zo genoteerd, maar het biedt wel een verfrissend uitzicht, alsof Celibidache hier aan het werk is...), pregnante houtblazers (hun rol valt daardoor extra op), het ‘authentieke' formidabel klinkende ensemble: het is zeker een bijzondere, zelfs voor herhaling vatbare ervaring te noemen. En natuurlijk heeft ook Roth gebruik gemaakt van de door Jonathan del Mar bezorgde Bärenreiter-editie.

Dan de ouverture van de Franse componist Étienne Nicolas Méhul (1763-1817) die er uitstekend bij past. Het is ‘Sturm und Drang' van deze tijdgenoot van Beethoven die de klok slaat en die troef spelen Roth cum suis echt optimaal uit. Hier beweegt men zich zo ongeveer tot aan de randen van de explosieve expressie, de contrastwerking is exemplarisch (opnieuw: wát een orkest!), passie en engagement spatten ervan af. Een dergelijke – menigmaal zelfs drieste - aanpak had ook de uitvoering van de Eroica zeker niet misstaan. Over de opname niets dan goeds. Met een speelduur van slechts 54 minuten is de muzikale koek wel wat snel op. In het cd-boekje is o.a. een zeer lezenswaardig vraaggesprek met de dirigent opgenomen. Ook dit album maakt deel uit van de uitgebreide Beethoven-Editie van het Franse label.

________________
Siebe Riedstra besprak in september 2020 Roths visie op Beethovens Vijfde, gecombineerd met Gossecs Symphonie à 17 parties in F (klik hier).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links