CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2017

 

Bartók: Concert voor orkest Sz 116* - Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta Sz 106

Boston Symphony Orchestra o.l.v. Rafael Kubelik* en Seiji Ozawa
Pentatone PTC 5186247 • 57' •
Opname: 1973*, 1976, Symphony Hall, Boston

 

Bartóks Concert voor Orkest is optimistisch van toon. Ziekte, geldzorgen, ze lijken het werk niet te deren. De opdracht kwam van de Koussevitzky Foundation: Bartók creativiteit vlamde op en de financiële nood kon er enigszins door worden gelenigd. Toen hij het opus in februari 1945 voor het laatst reviseerde (hij schrapte de laatste vijf maten van het slot en voegde er maar liefst nog drieëntwintig aan toe, naast nog enkele andere, zij het minder belangrijke wijzigingen) zal hij weinig tot geen hoop meer hebben gehad op enig herstel (Bartók leed aan een ernstige en ongeneesbare vorm van leukemie). Wie geïnteresseerd is in het verloop van het gehele compositieproces (alle door de componist later aangebrachte wijzigingen staan erin) kan terecht bij de in 1997 door Bartóks muziekuitgever Boosey & Hawkes gepubliceerde partituur. U vindt meer wetenswaardigs over het werk bij Wikipedia.

Het is de tweede versie (dus met de extra slotmaten) die verreweg het meest wordt uitgevoerd. Een logisch gevolg van een al even logische gedachtegang: dat dit uiteindelijk ook Bartóks finale versie is. Wat niet wegneemt dat als ‘curiosum' (zo zie ik dat tenminste) ook voor die andere versie best plaats is. Wat ook betekent dat de door Bartók later geschrapte vijf slotmaten daarin uiteraard wel voorkomen.

Het Concert behoort niet alleen tot het ‘ijzeren' repertoire in de concertzaal, maar er zijn ook werkelijk talloze opnamen van gemaakt, de een nog beter dan de ander. Ook wat dit betreft is het een ‘happy piece'. Rafael Kubelik maakte er zelfs drie: de eerste voor EMI, eind jaren vijftig in Londen, met een zo te horen slecht voorbereid Royal Philharmonic Orchestra, de tweede voor Deutsche Grammophon in 1974, met het Boston Symphony Orchestra (eens het orkest van Serge Koussevitzky), en dan tenslotte de derde in 1978, met het Beiers omroeporkest op het Orfeo-label. Het is een kwestie van smaak, maar de tweede vind ik de beste van het drietal en dat is nu uitgerekend de versie die onlangs door de technici van Pentatone aan de vergetelheid is ontrukt. Wat heet: zonder kunstgrepen (ik was erbij en keek ernaar) is de verdoeking fenomenaal gelukt (als de bron al erg goed is hoeft er wat dit betreft verder niets aan te worden gedaan). Ik heb de lp hier in de kast staan en die hoef ik er dus niet meer uit te halen. Het is een van de opnamestaaltjes van opnametechnicus Hans Weber, voor menigeen nog een naam die dierbare discografische herinneringen oproept.

Dan is er de ‘Muziek', met hetzelfde orkest onder de Japanse dirigent Seiji Ozawa, een opname uit 1976. Ozawa is nooit een van mijn favoriete dirigenten geweest (zo vond ik zijn Mahler uit Boston volkomen oninteressant), met uitzondering van het typisch Franse repertoire uit de vorige eeuw. Dat geldt ook voor deze Bartók die een zekere mildheid met vlakheid combineert waardoor de diepgelaagde tragiek onder de oppervlakte blijft schuren. Het is allemaal keurig, daar niet van, maar dat is het dan wel. Deze ‘stereofonische' Muziek staat er eveneens bijzonder fraai op, mede dankzij opnametechnicus Rainer Brock (eveneens van DG).

Beschouw Ozawa's aandeel als een extraatje en ga in dit geval toch vooral voor Kubeliks soms verzengende expressieve uitlopers, maar wel ingekaderd in een wel degelijk fraai afgewogen interpretatie van het Concert. Bartóks virtuoze orkestratie was voor deze van huis uit Tsjechische dirigent geen doel, maar middel. Maar mijn absolute favoriet is en blijft Solti's eerste, medio jaren zestig gemaakte opname met het London Symphony voor Decca. En voor de ‘Muziek' blijft mijn keus, alle (betere) opnamen ten spijt, Ferenc Fricsay met het RIAS-orkest, een mono-opname uit 1953 (hier besproken). Wie voor een betere geluidskwaliteit wil gaan (er is sowieso wat voor te zeggen op grond van het 'stereofonisch karakter van het stuk, met de twee orkesten) is er Mariss Jansons en het filharmonisch orkest van Oslo, een EMI-uitgave die overigens alweer ruim een kwarteeuw oud is. Zo kunnen er decennia voorbijgaan zonder dat er wezenlijk iets verandert…


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links