CD-recensie

 

© Aart van der Wal, juli 2021

Bach: Partita nr. 1 in Bes, BWV 825 - nr. 2 in c, BWV 826 - nr. 3 in a, BWV 827 - nr. 4 in D, BWV 828 - nr. 5 in G, BWV 829 - nr. 6 in e, BWV 830

Mahan Esfahani (klavecimbel)
Hyperion CDA68311/2 • 74' + 75' • (2 cd's)
Opname: maart 2020, Concert Hall, Wyastone Estate, Monmouth (VK)

 

Mahan Esfahani (Teheran, 1984) heeft na zijn studie bij de Praagse docent Zuzane Ruzicková de Tsjechische hoofdstad als zijn domicilie gekozen, waar hij in contact kwam met de klavecimbelbouwer Jukka Ollikka, die speciaal voor hem een instrument bouwde: een behoorlijk uit de kluiten gewassen klavecimbel, gemodelleerd naar de Duitse maker Michael Mietke (ca. 1669-1719) en de Franse bouwer Ignaz Pleyel (1757-1831). Een wat wonderlijke combinatie, nog aangevuld met een extra aangebracht klankbord voor het 16-voet register. Geen klagen dus over de grote sonoriteit van het instrument, al zal menigeen de dreunende bas ongetwijfeld wat minder waarderen. Maar niet alleen dat: klankhelderheid, transparantie in de stemvoering lijkt er mede aan te zijn opgeofferd. Dat ligt dus niet aan de techniek van Esfahani, want die is boven iedere kritiek verheven: hij heeft zich in al zijn opnamen (de eerste verscheen zo'n jaar of vijf geleden bij Deutsche Grammophon; het bleek tevens de laatste voor het bekende ‘gele label' te zijn) als een ware toetsenvirtuoos doen kennen. Zijn overstap naar Hyperion lijkt tevens de weg te zijn naar de complete opname van alle klavierwerken van Bach. In juli 2019 besprak collega Siebe Riedstra de zeven toccata's (klik hier) en nu zijn dan de zes partita's aan de beurt.

Vergeleken met de vertolkingskarakteristieken van bijvoorbeeld Bob van Asperen, Gustav Leonhardt of Richard Egarr (klik hier) zou je die van Esfahani best als enigszins flamboyant mogen betitelen. Niet dat hij stilistisch zo uit de band springt als eens de Canadese pianist Glenn Gould, maar hij houdt er wel degelijk zo zijn eigen stijlprincipes op na. Zijn spel heeft daardoor iets grilligs, de tendens lijkt eerder impulsief dan goed overdacht (met de kanttekening dat het ook een goed overdachte pose kan zijn), met als kenmerk dat hij in zijn spel ver verwijderd blijft van een meer theoretisch-fundamentele benadering en dat hij daardoor een groot aantal aanhangers heeft verworven. Zo waren zijn concerten in het Londense Wigmore Hall steevast uitverkocht en dat zegt toch wel wat. Wie niet alleen kennis heeft van Leonhardts spel maar ook van diens uitvoerige gesproken exposé in het allang niet meer bestaande zondagse VPRO-muziekprogramma van Han Reiziger weet precies wat ik hiermee bedoel. Bezien vanuit het perspectief van de historiserende uitvoeringspraktijk lijkt Esfahani meer geïnteresseerd in ‘vrij spel' dan in de theorieën van een Johann Gottfried Walther (1684-1748). Strakheid in de horizontale en verticale structuur heeft plaatsgemaakt voor improvisatie (al is het niet meer dan schijn). Toch beschouw ik dat Praagse, met twee manualen uitgeruste instrument uit 2018 (16'8'8''4'), getempereerd door Simon Neal naar oud Duits gebruikl (a'=415Hz), als de grootste bottleneck.

Geen enkel misverstand erover: Esfahani heeft de bestaande theorieën niet achteloos aan de kant geschoven. Hij kent wel degelijk zijn zaakjes, schreef ook voor dit dubbelalbum een uitstekende, zelfs doorwrochte toelichting (onder meer over de verschillende uitleg van de maatsoorten in de Gigue van BWV 830 die hij ook als zodanig speelt), maar er valt niet aan te ontkomen dat zijn spel minder traditioneel en juist meer uitdagend is, een beeld overigens dat door het instrument duidelijk wordt versterkt.

Anders dan de naar mijn smaak te ruime akoestiek van de kerk van Johannes de Doper in Loughton, Essex, is die van de concertzaal van Wyastone Estate in Monmouth althans voor het instrument zelf beduidend aangenamer: het zwemmerige klankbeeld van de vorige opname heeft plaatsgemaakt voor beduidend betere focus en definitie (er lijkt wel enige kunstmatige galm aan te zijn toegevoegd, als mijn herinnering aan deze zaal mij althans niet bedriegt), al neemt dat de bezwaren tegen het gebruikte klavecimbel zeker niet weg. Met uitzondering van BWV 830 speelt Esfahan de partita's in hun chronologische volgorde. De hoesafbeelding vind ik niet zo smaakvol, maar misschien was het wel de bedoeling om het grillige aspect van Esfahani's spel speciaal daarmee uit te lichten?


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links