Boeken

 over musici

Bewonderd en verguisd: Willem Mengelberg

Biografie van Frits Zwart

 

© Kees de Leeuw, november 2016

 

 
   
 

Frits Zwart: Willem Mengelberg - een biografie

Deel 1: 1871-1920
Deel 2: 1920-1951

Uitgeverij Prometheus

Deel 1: 487 pag., geïllustreerd (1999) ISBN 90-5333-740-7 (gebonden), 90-5333-849-7 (paperback)

Deel 2: 687 pag., geïllustreerd (2016) ISBN 978-90-351-4472-9 (gebonden)

www.willemmengelberg.nl

 

 

 

 

 

 

 

 


Aan biografische werken over Nederlandse dirigenten is geen gebrek. Als ik goed nadenk weet ik van het bestaan van boeken over Eduard van Beinum, Cornelis Dopper, Eduard Flipse, Jan van Gilse, Henri van Goudoever, Bernard Haitink, Henri Hermans, Paul van Kempen, Reinbert de Leeuw, Willem van Otterloo, Henk Spruit en Hans Vonk. Deze lijst is vast niet compleet en u mist ongetwijfeld minstens één naam, Willem Mengelberg. De mijns inziens grootste maar tevens meest omstreden Nederlandse dirigent verdient een grootse biografie, letterlijk en figuurlijk, en die heeft hij ook gekregen.

Op 13 september werd in de goed bezette Kleine Zaal van het Concertgebouw het tweede deel van de Mengelberg biografie van Frits Zwart gepresenteerd. Zowel de directeur van het Concertgebouw als van het Concertgebouworkest hielden korte toespraken. Het eerste exemplaar werd aan Daniele Gatti overhandigd en ook hij sprak enkele woorden. Naast een korte inleiding van de uitgever gaf Frits Zwart een mooie presentatie, waarbij hij de lezers prikkelde met bij voorbeeld opmerkingen over de belastingschulden van Mengelberg. Deel twee wekt echter vooral nieuwsgierigheid op omdat de Tweede Wereldoorlog en de houding van Mengelberg ter sprake komt. Aan de bijeenkomst werd ook meegewerkt door de sopraan Laetitia Gerards en Jacob Bogaart (piano) die op fraaie wijze een aantal liederen van Mengelberg vertolkten.

Twee delen, meer dan duizend bladzijden
In 1999 verscheen het proefschrift van Zwart, het eerste deel over de periode 1871-1920 en nu dus uiteindelijk het tweede deel over de periode 1920-1951. Dat er een enorm lange periode tussen het verschijnen van beide delen ligt is onder meer te wijten aan de activiteiten van Frits Zwart in verband met zijn betrokkenheid bij de opbouw en, als ik het zo zeggen mag, de gedeeltelijke afbraak van het Nederlands Muziek Instituut.
Twee delen met samen meer dan duizend bladzijden die gevuld zijn met de neerslag van interviews en gedegen archief- en literatuuronderzoek. De biografie is chronologisch opgebouwd en verdeeld in negen tijdsperiodes. Daarnaast zijn er intermezzo's, onder meer over Gustav Mahler en Richard Strauss, de onvoltooide tiende symfonie van Mahler, het (niet gerealiseerde) Museum-Theater in Amsterdam en een huis voor Tilly Mengelberg in Krefeld. Een apart hoofdstuk in het tweede deel is gewijd aan 'Willem Mengelberg door de ogen van de musici'. In het eerste deel is 'een voorlopige balans' opgenomen waarin vooral de persoon Mengelberg wordt belicht, maar tevens niet eerder of nauwelijks behandelde onderwerpen zoals het huis in Zuort in Zwitserland. "Tot mijn eigen verrassing kon ik me daar ook na jaren nog goed in vinden," aldus Zwart en daarom is de slotbeschouwing in het laatste deel meer een aanvulling dan een herziening.
In de uitgebreide bijlagen zijn onder meer overzichten van de door Mengelberg uitgevoerde werken, specifiek zijn Mahler- concerten en zijn eigen composities te vinden. Er is één omissie, waar in het eerste deel beloofd werd dat in deel twee 'voldoende aandacht' zou worden besteed aan 'Mengelbergs rijke fonografische nalatenschap', maar dat is helaas niet gebeurd. Er wordt volstaan met een verwijzing naar www.willemmengelberg.nl, waar niet alleen de discografie te vinden is maar ook de opnamen te beluisteren zijn. Dat is heel fraai, maar toch had ik een bijlage in het boek met Mengelbergs discografie op zijn plaats gevonden. Dit is echter het enige minpunt aan dit schitterende werk dat een riant overzicht biedt van leven en werk van Mengelberg en bovendien een goed en genuanceerd beeld geeft van de gecompliceerde persoonlijkheid van deze maestro. Een grote verdienste is dat Zwart helderheid verschaft over Mengelbergs houding tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De boeken lezen prettig en zijn voorzien van illustraties, in het tweede deel zelfs gedeeltelijk in kleur. Ze zijn fraai uitgevoerd en naar mijn mening een aanwinst voor iedereen die geïnteresseerd is in de Nederlandse muziekgeschiedenis.
Daar niet iedere lezer de levensloop van Mengelberg zal kennen én Frits Zwart een aantal ontdekkingen heeft gedaan heb ik van de biografie een uitgebreide samenvatting gemaakt.

 
 
Franz Wüllner

Jeugd
Mengelberg werd in 1871 in Utrecht geboren. Zijn Duitse ouders waren pas enige jaren eerder naar Nederland gekomen in verband met de werkzaamheden van vader Mengelberg die als beeldend kunstenaar bijdroeg aan de kerkinterieurs van de herrijzende Rooms-Katholieke kerk in Nederland. Een van de gebouwen uit deze tijd waaraan vader Mengelberg meewerkte was de St. Catharinakathedraal in Utrecht en daarom streek de familie hier neer. Moeder Mengelberg had haar handen vol aan het grote gezin, maar had ook piano gestudeerd. Waarschijnlijk was vooral zij degene die zoon Willem stimuleerde zich verder te bekwamen in de muziek. Hij bleek al spoedig een zeer begenadigd musicus. Na een muziekopleiding in Utrecht ging de nog jonge Mengelberg naar het conservatorium in Keulen waar hij vier jaar studeerde, onder meer bij Franz Wüllner, een leerling van Anton Schindler, bekend van onder meer zijn lange vriendschap met en factotum van Beethoven. Door deze connectie meende Mengelberg later dat zijn Beethoven-uitvoeringen een extra grote autoriteit hadden. Hetzelfde vond hij toen van zijn Tsjaikovski-uitvoeringen, na een ontmoeting met Modeste, broer van de reeds overleden componist.

V.l.n.r. Willem Mengelberg, Gustav Mahler en Alphons Diepenbrock in de omgeving van Hilversum op 10 maart 1906

In elk geval presteerde Mengelberg uitstekend tijdens zijn studie piano, compositie en directie. Zijn ouders maakten zich echter zorgen of hij niet met verkeerde vrienden in aanraking kwam. Misschien gaf het toentertijd opvallend grote aantal vrouwelijke studenten op het conservatorium daartoe aanleiding? Hun angst dat hij het rooms-katholieke geloof zou verliezen bleek echter ongegrond. Hij verzekerde hen dat hij dat zijn leven lang trouw zou blijven en dat heeft hij ook gedaan. Bij zijn huis dat hij - eenmaal in zeer goede doen - in het Zwitserse Zuort liet bouwen (klik hier) kwam zelfs een kapel en ook uit sommige brieven blijken zijn religieuze opvattingen. Toen de Nederlandse minister Henri Marchant in de jaren dertig, nota bene stiekem, van de protestantse kerk overging naar de rooms-katholieke kerk en hiermee een schandaal veroorzaakte, stuurde Mengelberg hem een zeer persoonlijke brief. Maar ondanks zijn grote devotie ging de muziek toch voor, want van Mengelbergs kerkbezoek kwam in de (drukke) praktijk maar weinig terecht. Hij schijnt meermalen gezegd te hebben: "Ik maak zo mooi muziek, de Here God vergeeft me wel dat ik nooit in de kerk kom."
Ook ziekte en fysieke ongemakken bleven hem tijdens zowel zijn studie als zijn hele werkzame leven parten spelen. Concerten moesten herhaaldelijk worden geannuleerd. Hij bezocht veel dokters, kuurde serieus en misschien heeft dit er uiteindelijk toe geleid dat hij ondanks een zwakke gezondheid een respectabele leeftijd wist te bereiken.

 
 
Jong maar zelfverzekerd (1919)

Loopbaan
In 1892 werd Mengelberg kapelmeester in Luzern. Opschepperij was hem niet vreemd. Hij was gekozen uit meer dan 200 kandidaten, zo schreef hij aan zijn ouders, terwijl het in werkelijkheid waarschijnlijk hoogstens honderd waren. Hij bleek succesvol in Luzern, maar af en toe waren de recensenten hem minder goed gezind, iets wat Mengelberg maar moeilijk verdragen kon.
In 1895 werd hij dirigent van het Concertgebouworkest, als opvolger van Willem Kes. Hij zou uiteindelijk 50 jaar aan het orkest verbonden blijven. Zijn presentaties waren zelfbewust, zijn referenties waren uitstekend en in Luzern had hij een goede reputatie opgebouwd. Toch had de pas 24-jarige het aanvankelijk niet gemakkelijk in Amsterdam. Waar Kes gezorgd had voor discipline bij publiek én orkest was er een aantal musici dat het de nieuwe dirigent behoorlijk lastig maakte. Ook moesten de muziekcritici wennen aan Mengelbergs muzikale benadering, met onder meer vaak behoorlijk verschillende tempi. Toch oogstte Mengelberg al snel veel succes. Edvard Grieg en Richard Strauss roemden het orkest dat vooral dankzij de vele repetities een zeer hoog niveau had bereikt, aldus voortbouwend op de stevige basis die Kes had gelegd. Al snel kreeg Mengelberg aanbiedingen uit het buitenland om op te treden, al dan niet op basis van een vast contract. Hij trad de eerste decennia vooral op in België, Italië, Frankrijk, Duitsland en Rusland. In 1905 gaf hij zijn eerste optredens in Amerika. In veel gevallen dirigeerde hij dan niet het Concertgebouworkest. In de periode 1907-1920 dirigeerde hij de Frankfurter 'Museumkonzerte'. In de periode daarna was hij tot 1930 vaste dirigent in New York, bij onder meer de New York Philharmonic. Hij bracht dit orkest naar een zeer hoog spelniveau, maar verloor uiteindelijk de felle machtsstrijd met de felle Italiaan Arturo Toscanini.

Met Richard Strauss en Hans Swarowsky (r.)

Bij het Concertgebouworkest zette hij zich in voor hedendaagse componisten als Debussy, Elgar, Nielsen, Rachmaninov en Stravinsky. Vooral zijn inzet voor Richard Strauss, de Matthäus Passion van Bach en zijn enorme toewijding aan het de muziek van Gustav Mahler zijn ook achteraf bezien belangrijke wapenfeiten. Later speelde hij meer op safe en vierde hij vooral triomfen met zijn succesnummers waaronder de symfonieën van Beethoven en Brahms, Bachs Matthäus Passion en de 'Pathétique' van Tsjaikovski.

Met Igor Stravinsky in het Amsterdams Concertgebouw

Er waren in Amsterdam ook muziekfeesten die geheel gewijd waren aan Nederlandse componisten. Structureel gaf hij aandacht aan Wagenaar en Diepenbrock en meer incidenteel ook aan componisten als Henk Badings, Emile Enthoven, Henri van Goudoever, Elisabeth Kuyper en Cornélie van Oosterzee. Hoogtepunt in zijn loopbaan was de viering van zijn 25-jarig jubileum bij het Concertgebouworkest met als climax het Mahler-Feest. waar in slechts twee weken bijna het gehele oeuvre van de componist werd uitgevoerd, met daarin uiteraard een hoofdrol voor het Concertgebouworkest en Willem Mengelberg. In de jaren dertig scoorde hij als bekende Nederlander zeer hoog in de populariteitspolls, werd hij meermalen onderscheiden en in Utrecht tot hoogleraar benoemd. Inmiddels werden ook geluidsopnamen gemaakt, zowel in de studio als live.

V.l.n.r. Rudolf Mengelberg, Ottorino Respighi, Willem Mengelberg, Igor Stravinsky en Cornelis Dopper

Zijn populariteit verdween in mei 1940 in één klap toen Mengelberg zo Duitsgezind bleek te zijn dat hij de Duitse bezetting in Nederland goed praatte. Ook zijn verdere gedrag in de oorlog riep weinig begrip op. Hij bleef wel dirigeren in Amsterdam, maar bereisde een groot deel van (bezet) Europa, waaronder Portugal en Hongarije, om te dirigeren en geld te verdienen, zijn twee grootste drijfveren. In 1943 overleed zijn vrouw Tilly. In 1944 gaf hij concerten in Parijs, wat uiteindelijk zijn laatste optredens bleken te zijn.

 
 
In betere tijden in Zwitserland

Na de oorlog kreeg hij een levenslang dirigeerverbod dat na enkele jaren alsnog werd ingekort tot zes jaar. Een zwaardere straf had hem amper kunnen treffen. Mengelberg leefde geheel voor de muziek, zijn beroep. Alhoewel verguisd werd hij toch niet helemaal vergeten en dirigenten als Hein Jordans, Willem van Otterloo, Pierre Monteux en Jan Koetsier steunden hem met brieven en kaarten of kwamen bij hem in zijn Zwitserse chalet op bezoek. Paul van Kempen wilde hem helpen met een rentree op het concertpodium, al was het maar voor één (afscheids)concert. Intussen zat Mengelberg in Zuort dat nu een ballingsoord geworden was, vereenzaamd, en fysiek en geestelijk aftakelend. Hij voelde zich onbegrepen en onrechtvaardig zwaar gestraft. In zijn geloof moet hij zeker in die tijd veel troost hebben gevonden. Voor hij eventueel een rentree kon maken, stierf hij in 1951, bijna 80 jaar, in zijn chalet.

Opgebaard in de kapel van het chalet 'Chasa Mengelberg' in Zuort
 
 
Willem en Tilly Mengelberg met
Louis Arntzenius (1926)

Vrouwen en huizen
Mengelberg was in 1900 gehuwd met Tilly Wubbe, die haar man tot grote steun was. Ze zal het niet gemakkelijk gehad hebben met een narcistische echtgenoot die alle aandacht naar zich toe trok en hiervan ook steeds meer toebedeeld kreeg naarmate hij beroemder werd. Uiteindelijk verwierf Tilly een huis nabij Krefeld, de buurt waar Rudi Mengelberg vandaan kwam, en waar ze zich in rust kon terugtrekken, gevrijwaard van druk gezelschap en een vijwel altijd 'druk' huis vol met de antiquiteiten, die haar Willem naarstig verzamelde. Beide echtelieden werkten elkaar soms behoorlijk op de zenuwen. maar door het werk van Willem en later ook het huis in Zwitserland waren er toch ook langere perioden dat ze elkaar nauwelijks zagen.
Dat het huwelijk op meerdere terreinen onder druk stond wordt geopenbaard in deel twee. Willem Mengelberg leed zijn leven lang aan impotentie. Met zijn medeweten had Tilly geruime tijd een intieme relatie met Rudi Mengelberg. Het was juist Tilly die Rudi aan een 'eigen' vrouw hielp. Ondanks enige problemen in het huwelijk tussen Tilly en Willem krijg je toch de indruk dat het een geslaagde verbintenis was.
Tilly en Willem hadden een huis in Amsterdam aan de Van Eeghenstraat, maar later ook het chalet in Zuort in Zwitserland, bij uitstek een ontspanningsoord voor een druk bezette dirigent. Hij genoot van de vrije natuur en de rust en liet zich als 'huishoudster' Onkel Hausfrau noemen, bij afwezigheid van Tilly die minder gecharmeerd was van het afgelegen oord en er danook veel minder verbleef. Uit het gastenboek en de 'reglementen' blijkt de soms bijna kinderlijke geest(igheid) van Mengelberg. Hier was vooral Willem vaak en hij ontving er veel gasten, meestal omringd door verzorgsters en platonisch liefhebbende vrouwen, zoals zijn verpleegster maar ook een violiste uit het orkest, Elly Bijsterus Heemskerk. Er wordt in deel twee wel gesuggereerd dat de verhoudingen niet alleen platonisch waren maar dat is niet meer dan speculatie. In 1934 werden de Mengelbergs door de belastingdienst gedwongen om het huis in de Van Eeghenstraat in Amsterdam op te geven en sindsdien verbleven zij dan in het Amstel Hotel.

Het chalet nu, in de zomer een ideale pleisterplaats voor wandelaars en hikers

Conflicten en geld
Tijdens zijn eerste jaren in Amsterdam had Mengelberg al geregeld aanvaringen met het orkestbestuur. Mengelberg kon enorm drammerig zijn, al moet worden gezegd dat hij niet alleen voor zijn eigen belangen opkwam, maar ook voor die van zijn orkest als geheel en soms ook voor individuele musici. Het is opvallend dat hij tijdens zijn aanstelling in New York veel minder bij het bestuur wist te bereiken dan in Amsterdam. Ook was hij in Amsterdam vaak in conflict met andere leidinggevenden van het orkest. In zijn beginjaren liep het zelfs hoog op met administrateur Willem Hutschenruyter (1863-1950). Later waren er vaak spanningen met zijn verre familielid Kurt Rudolf (in het tweede deel consequent als Rudi aangeduid) Mengelberg (1892-1959), die toen als een soort artistiek directeur aan het orkest verbonden was.

 
 
Matthijs Vermeulen

Willem Mengelberg toonde zich uiterst gevoelig voor negatieve recensies. Bij zijn optredens in Frankfurt liepen de gemoederen zo hoog op dat een nogal kritische verslaggever min of meer geweerd werd van de concerten. In Amsterdam probeerde Mengelberg de eveneens kritische, soms welhaast kwetsende componist en recensent Matthijs Vermeulen de toegang tot de concerten te verbieden. Als dirigent was Mengelberg tiranniek en menigmaal vernederend. Een groot deel van de repetities werd aan zijn gepraat besteed en zo bleef er weinig tijd voor musiceren over, maar blijkbaar slaagde hij er toch in om zijn intenties goed over te brengen. Er werd bij het Concertgebouworkest vaak gemopperd over het gebrek aan discipline bij de repetities. Bovendien duurden de repetities vaak langer dan afgesproken en laste hij soms extra repetities in. Soms liepen de conflicten met een aantal musici zo hoog op dat zij uiteindelijk het orkest verlieten.
Toen hij solliciteerde naar de post als kapelmeester in Luzern gaf hij, mede op aandringen van zijn vader, aan dat hij hechtte aan een erg goed salaris. Dat bleek ook telkens weer toen hij bij het Concertgebouworkest werkte. Hij wilde meer geld en meer privileges. Het bestuur was erg bang om zijn prestigieuze dirigent te verliezen en kwam hem meestal tegemoet in zijn niet altijd even redelijke (materiële) eisen. Mengelberg toonde zich ook bij optredens bij buitenlandse orkesten een zeer gewiekste onderhandelaar en hij verdiende zeer goed. Toch ging het niet goed met zijn vermogen. Door de Eerste Wereldoorlog en de hyperinflatie (vooral in Duitsland) had hij veel geld verloren en met een verblijf in Amerika hoopte hij zijn financiële positie danig te verbeteren. Hoewel hij hier veel geld verdiende, verloor hij het weer grotendeels, vooral door de ineenstorting van de effectenbeurs in 1929 en de onverantwoorde financiële risico's die zijn manager Sam Bottenheim had genomen. De laatste werd zelfs schuldig bevonden aan belastingontduiking. De negatieve publiciteit hieromtrent trof echter vooral Mengelberg. Hij raakte bovendien in een slepend conflict met de belastingdienst en ook dat kostte hem een lieve som. Hoe handig en hard hij was in onderhandelingen, hij was niet zo slim in zijn keuze van financiële adviseurs en had nogal eens vertrouwen in de verkeerde mensen. Financiële problemen werden ook veroorzaakt door de te grote voet waarop hij leefde. Hij leidde een luxe leven en besteedde veel geld aan het verzamelen van kunst.

Een groot kunstliefhebber
Vol met aantekeningen: een typische Mengelberg-partituur

Houding in de oorlog
Al na lezing van het eerste deel van de biografie zal de lezer waarschijnlijk beter begrijpen waarom Mengelberg tijdens de Tweede Wereldoorlog zo pro-Duits was. In 1895 schreef hij al in een brief dat hij helemaal 'verduitscht'' was, niet alleen door zijn herkomst maar ook door zijn studie. Al in de Eerste Wereldoorlog bleek duidelijk dat hij op de hand van de Duitsers was. Duitsland was ook het enige 'buitenland' waar hij bleef dirigeren, ondanks de ongemakken en soms zelfs gevaren die waren verbonden met het reizen in een land in oorlog. Dat hij in Frankfurt in deze jaren geen (hedendaagse) Russische en Franse muziek ten gehore mocht brengen leek hem niet te deren. Hoewel hij zich soms wel bewust toonde van de enorme tragiek van de oorlogsslachtoffers bleef hij zijn ogen te sluiten voor de ellende die Duitsland aanrichtte. Het omstreden verdrag van Versailles dat uitgesproken vernederend was voor verliezer Duitsland sterkte Mengelberg alleen maar in zijn mening dat dit land niet de grote boosdoener was.

Met Tilly in Berlijn, juli 1940

In deel twee wordt het allemaal nog veel duidelijker. In de jaren '30 toonde hij zijn bewondering voor Mussolini en Hitler. Dit blijkt onder meer uit korte opmerkingen en uitroepen die hij neerkrabbelde in de kranten die hij las als hij in Zuort verbleef (zijn belangrijkste informatiebron in die tijd was de nazikrant Völkische Beobachter). Ook was hij in Zuort veelal omringd door vrienden met nazisympathieën. De krantenberichten en de vrienden bevestigden hem in zijn denkbeelden dat Hitler in staat zou zijn de vernedering van Versailles ongedaan te maken en Duitsland weer te verheffen tot een toonaangevende natie. Negatieve berichten over de daden van de nazi's na de machtsovername door Hitler negeerde hij. Hij stond sowieso amper of niet open voor afwijkende meningen en was al jaren overtuigd van de goede intenties van de Duitse nationaalsocialisten. Zelfs het verbod op het uitvoeren van Mendelssohn en Mahler slikte hij en bracht hem niet tot andere gedachten. Hij bleef ook in de jaren dertig Duitsland dirigeren terwijl hij met evenveel gemak verklaarde niet in het bolsjewistische Rusland te willen optreden. Toch was Mengelberg op politiek gebied zeker niet onwetend, alhoewel hij steeds verklaarde dat politiek en muziek niets met elkaar te maken hadden.

 
 
Met Seyss-Inquart (m.)

Hij had feitelijk geen problemen met de Duitse bezetting van Nederland en toen dit alom duidelijk werd verspeelde hij in sneltreinvaart zijn krediet in Nederland. Hij ging schijnbaar ook gemakkelijk om met de nieuwe leiders in Nederland, waaronder Seyss-Inquart. Tegelijkertijd moet gezegd worden dat hij zijn invloed benutte om het Concertgebouworkest zo goed mogelijk bij te staan en ook voor de joodse musici maakte hij zich sterk. Dat neemt niet weg dat hij willens en wetens de ogen sloot voor de gruwelijke misdaden van de nazi's. Waar velen mogelijk gehoopt hadden dat Mengelberg als gerespecteerde en zeer bekende Nederlander zou opkomen voor bezet Nederland gedroeg hij zich in vele ogen als een verrader.
Na de oorlog werd hem een levenslang dirigeerverbod opgelegd dat na enkele jaren evenwel werd ingekort tot zes jaar. Deze voor hem zeer zware straf lijkt achteraf gezien niet geheel rechtvaardig, daar waar andere omstreden musici, ook van internationale faam, veel minder moesten boeten.

 
 
Tijdens een opname met het Concertgebouworkest

Conclusie
Willem Mengelberg was een zeer groot musicus die het Concertgebouworkest tot een hoog en voor die tijd zelfs ongekend niveau bracht, waar we nu nog steeds van profiteren. Hij heeft veel liefhebbers onvergetelijke ervaringen en herinneringen bezorgd en doet dat middels zijn muzikale nalatenschap op geluidsdragers nog steeds. Hij heeft veel betekend voor sommige componisten, in het bijzonder voor Gustav Mahler. Mengelberg plantte zich, 'slechts' als vertolker, wel stevig in het middelpunt van zijn concerten.
Mengelberg was een prettig mens voor vrienden en bewonderaars, maar vaak onaangenaam voor de mensen met wie hij werkte én voor degenen die hem kritisch bejegenden. Het is erg triest dat zijn, vanuit zijn standpunt aanvankelijk misschien nog enigszins te begrijpen, sympathie voor het naziregime zich niet wijzigde toen duidelijk werd hoe onbeschrijfelijk veel ellende door het regime was veroorzaakt. Het is bovendien jammer dat we nu de bewondering voor de musicus Willem Mengelberg soms geheel laten overschaduwen door zijn onbegrijpelijke en zeer laakbare houding ten aanzien van de nazi's.

Frits Zwart heeft met zijn biografie een prachtige bijdrage geleverd aan de geschiedschrijving van de Nederlandse muziekgeschiedenis. Zijn er nog grote omissies op het gebied van biografieën over Nederlandse dirigenten? Ja, wat mij betreft komt Hans Hierck toch nog eens met zijn biografie over Evert Cornelis. En misschien is bij voorbeeld Willem Feltzer, de eerste dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, ook wel interessant om te beschrijven? Gelukkig mogen we over ongeveer een jaar de biografie over Willem Kes verwachten, zo vertelde biograaf Rob Landman mij. Ik verheug mij er nu al op.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links